2-174/2

2-174/2

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

7 DECEMBER 1999


Wetsontwerp houdende instemming met de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, de Bijlagen I tot en met VII, de Protocollen 1 tot en met 4, en de Slotakte, gedaan te Brussel op 24 november 1997


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR DE HEER MAERTENS


1. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

1. De Europese Unie heeft, nadat ze haar aandacht op de landen van Midden- en Oost-Europa had toegespitst, haar buitenlands beleid ten opzichte van de mediterrane landen in evenwicht willen brengen.

Het vernieuwde mediterrane beleid heeft op het multilaterale vlak geleid tot de Conferentie van Barcelona en op het bilaterale vlak tot de onderhandeling van nieuwe Euro-mediterrane associatieovereenkomsten.

Deze overeenkomsten zijn gebaseerd op :

­ een regelmatige politieke dialoog,

­ een vrijhandelszone die geleidelijk zal worden uitgebreid gedurende een overgangsperiode van ten hoogste 12 jaar te rekenen van de inwerkingtreding van de overeenkomst,

­ een toenemende samenwerking in bepaalde, gemeenschappelijke domeinen (cultuur, technologie, milieu, sociale zaken, ...)

­ een grotere financiële samenwerking.

Er zijn reeds Euro-mediterrane associatieovereenkomsten getekend met Tunesië, Marokko en Israël. Met Egypte, Libanon en Algerije zijn onderhandelingen aan de gang. Men overweegt overeenkomsten te sluiten met Syrië en met de Palestijnse autoriteit.

2. De Raad van de Europese Unie heeft het onderhandelingsmandaat voor een Euro-mediterrane associatieovereenkomst met Jordanië aanvaard op 12 juni 1995. Na verscheidene onderhandelingsrondes kwam de Raad algemene zaken van 15 september 1997 tot het besluit dat de onderhandelingen voltooid waren waarna op 24 november 1997 de ondertekening volgde.

3. De onderhandelingen met Jordanië vingen aan in juli 1995. Jordanië koesterde de reële politieke wens een overeenkomst te sluiten en stelde zich constructief op. De Commissie had los van de Conferentie van Malta een Euro-mediterrane overeenkomst met Jordanië geparafeerd.

Nadien is echter gebleken dat deze overeenkomst een bepaling inhield waarvan de lidstaten niet op de hoogte waren en die stelde dat wanneer de door de overeenkomst verleende landbouwconcessies afliepen, de partijen de situatie opnieuw konden onderzoeken om indien mogelijk de tariefcontingenten aan te passen. Deze evolutieve clausule werd sterk bekritiseerd door verschillende lidstaten en bijzonder door Spanje.

Uiteindelijk werd een compromis bereikt waarbij Jordanië het eens was met de verwijdering van deze clausule, in ruil voor de verhoging van het contingent voor tomatenconcentraat met 1 000 ton.

4. De overeenkomst bevat, op intern Belgisch gebied, bepalingen die onder de bevoegdheid vallen van de gewesten en de gemeenschappen. Onder de handtekening van de minister staat dus een formule die is overeengekomen met de federale entiteiten, die bevestigt dat de overeenkomst ook bindend is voor de gewesten en de gemeenschappen.

2. BESPREKING

Een lid vraagt of er een tussentijdse overeenkomst bestaat en indien dat zo is, of er een evaluatie van die overeenkomst bestaat door de Europese Unie.

De minister van Buitenlandse Zaken antwoordt dat er geen tussentijdse overeenkomst met Jordanië is gesloten en dat er dus ook geen evaluatie is.

Een lid toont zich tevreden over het sluiten van de overeenkomst met Jordanië, dat zich in moeilijke omstandigheden gematigd heeft opgesteld. Hij betreurt echter dat de overeenkomst nogal onevenwichtig is : de bepalingen die betrekking hebben op de mensenrechten en op sociale en ecologische kwesties lijken meer op intentieverklaringen, terwijl het commerciële gedeelte zeer duidelijk is en gedetailleerde doelstellingen beschrijft.

Spreker wenst de aandacht van de minister erop te vestigen dat de bepalingen inzake de mensenrechten en de sociale dialoog nodig dienen te worden uitgediept. In de artikelen over de sociale dialoog (artikelen 80-81) wordt er trouwens niets gezegd over de IAO-overeenkomst terzake. Het lid vraagt zich af of Jordanië die overeenkomst heeft getekend.

Een andere spreker antwoordt dat de opmerkingen van de vorige spreker gelden voor alle overeenkomsten en niet alleen voor die gesloten met Jordanië. Het gaat hier in feite om de algemene discussie over de toepassing van de sociale bepalingen.

Wat Jordanië in het bijzonder betreft, merkt een ander lid op dat het Jordaanse Parlement onlangs de in de strafwet vermelde mogelijkheid heeft bevestigd om een moord wegens eerroof te begaan, dat wil zeggen een vrouwelijk familielid te doden wanneer men van oordeel is dat zij de eer van de familie geschonden heeft. De regering had nochtans gevraagd die bepaling te wijzigen.

Een ander lid antwoordt dat men Turkije zal voorstellen als kandidaat-lid van de Europese Unie, terwijl de doodstraf er nog wordt toegepast en het land een gedeelte van een ander land onwettig bezet houdt.

3. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De rapporteur,
Michiel MAERTENS.
De voorzitter,
Marcel COLLA.