(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Voor wat Zuid-West-Vlaanderen betreft, veelal aangeduid als het Texas van Vlaanderen, geldt Kortrijk zonder meer als veruit het belangrijkste centrum waarop de essentie van zowel de industriële, de commerciële als de dienstverlenende activiteiten gearceerd zijn.
Ergens verwacht men, gegeven de toenemende interactie van deze regio met Nord-pas-de-Calais, enerzijds, en met Engeland (cf. kanaaltunnel), anderzijds, dat de overheid deze centrumfunctie verder ter harte zou nemen en, waar mogelijk, zelfs ondersteunen en activeren.
Het tegendeel lijkt echter waar. In die zin is er onder meer sprake van een latente afbouw van de sorteerdiensten van De Post in Kortrijk. Een analoge evolutie, met manifeste inperkingen van de activiteiten tot gevolg, tekent zich af op het vlak van de NMBS-diensten. Symptomatisch in die zin waren, voor wat de voorbije jaren betreft, het verdwijnen van de pakjesdienst, het handelsagentschap en de tractiewerkplaats. Daar bovenop komt thans nog eens de overplaatsing van de regionale commerciële vertegenwoordiging van B-Cargo van Kortrijk naar Brugge. Het is duidelijk dat zo'n herschikking op haar beurt tot een negatieve ontwikkeling van het goederenvervoer per spoor in de regio zal leiden.
Op een ogenblik dat de algemene economische bedrijvigheid in de streek van Zuid-West-Vlaanderen reeds heel zwaar onder druk staat (vergelijk onder meer textiel, confectie, meubelsector, en andere), komen al deze ingrepen heel hard aan. Deze indruk kan enkel versterkt worden door, op een vrij systematische wijze, over te gaan tot het elimineren van belangrijke industriële, commerciële en dienstverlenende activiteiten in centra als Kortrijk. Bestaande troeven komen aldus te vervallen terwijl verdere ontwikkelingskansen, met afgeleide effecten voor het hinterland, al evenzeer teniet gedaan worden.
Vandaar deze concrete vragen :
1. Op grond van welke concrete overwegingen werd tot de overplaatsing van de B-Cargo vertegenwoordiging en de navenante dienstverlening uit Kortijk besloten ?
2. In welke mate leidt dit, samen met de verdere afbouw van de pakjesdienst, het handelsagentschap en de tractatiewerkplaats, tot een verlies aan tewerkstelling bij de NMBS in Kortrijk ?
3. Staat de overplaatsing van de B-Cargo-vertegenwoordiging niet haaks op mogelijke ontwikkelingen van het spoorvervoer op het LAR-transportcentrum (in de grensstreek met Frankrijk) ?
4. Is het nog mogelijk om deze geplande overplaatsing te laten herzien en ongedaan te maken ?
Antwoord : Ik houd eraan het geachte lid mee te delen dat de aangesneden vragen volledig tot het autonome domein van de NMBS behoren.
De NMBS deelt mij in antwoord op de door het geachte lid gestelde vragen het volgende mede.
De sluiting van de tractiewerkplaats van Kortrijk op 1 februari 1996 kaderde in het globale herstructureringsplan van de bedrijfseenheden van het departement « materieel ».
De verhuizing van de prospecteerder B-Cargo van Kortrijk naar de service-centra Cargo van Brugge maakt deel uit van de algemene reorganisatie van de gewestelijke handelsdiensten.
Door de sterke concurrentie van de naburige netten, dringt zich een centralisatie in het verkoopsysteem van B-Cargo sinds geruime tijd op.
Daartoe werd een stappenplan ontwikkeld door een ondersteunende functie verleent aan de verschillende service-centra over heel België.
Die service-centra begeleiden de klanten met praktische problemen, zoals bijvoorbeeld het aanvragen van wagens, de controle op de staangelden, vragen omtrent de facturering, eventuele vragen met betrekking tot klachten, enz.
De wijziging in strategie heeft hoegenaamd geen negatieve weerslag op de tewerkstelling. Het handelsagenschap zoals het vroeger gekend was heeft dus een totaal andere functie gekregen en de reacties van de klanten zijn positief.
De eigenlijke verkoop, die in de toekomst op een centraler niveau zal gebeuren, is in feite het logische gevolg van de evolutie op de markt.