1-260

1-260

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 1er AVRIL 1999

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 1 APRIL 1999

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER D'HOOGHE AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE OVER « DE PRESENTIEGELDEN VAN RECHTERS IN HANDELSZAKEN »

QUESTION ORALE DE M. D'HOOGHE AU MINISTRE DE LA JUSTICE SUR « LES JETONS DE PRÉSENCE DES JUGES CONSULAIRES »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer D'Hooghe.

Het woord is aan de heer D'Hooghe.

De heer D'Hooghe (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, tot op heden zijn de presentiegelden toegekend aan raadsheren en rechters in sociale zaken en aan de rechters in handelszaken vastgelegd bij koninklik besluit van 29 oktober 1970. Ze ontvangen een vergoeding van 500 frank per zitting, mits de zitting drie uur in beslag neemt.

Evenwel ontvangen de rechters in handelzaken, die zitting hebben in de Kamers voor handelsonderzoek niet de minste vergoeding. Nochtans duren deze zittingen, inclusief het nazicht van de door de griffier ingezamelde gegevens en het verhoren van de opgeroepenen, minstens drie uur. Daarbij dient nog de tijd te worden gevoegd voor studie- en analysewerk, en voor het uitwerken van verslagen.

Ondanks het feit dat de nieuwe wet op het gerechtelijk akkoord veel belang hecht aan het goed functioneren van de Kamer van handelsonderzoeken en van de rechters in handelszaken, bleef tot op heden die benedenmaatse vergoedingsregeling bestaan.

Thans circuleren berichten dat de presentiegelden voor hogergenoemde rechters zouden worden verhoogd. Vandaar mijn concrete vragen.

Klopt de informatie omtrent het optrekken van bedoelde presentiegelden ? Wanneer en volgens welke modaliteiten gebeurt dit ?

Wordt de onbillijke situatie rechtgezet van de rechters in handelszaken die zetelen in de Kamers voor handelsonderzoek ?

Welk presentiegeld en vanaf welke datum wordt voor elk der categorieën van de bedoelde rechters en raadsheren voorgesteld ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Van Parys.

De heer Van Parys , minister van Justitie. ­ Mijnheer de voorzitter, het is inderdaad juist dat op de begroting van mijn departement de nodige middelen zijn uitgetrokken voor een verhoging van de presentiegelden voor de raadsheren en rechters in sociale zaken en voor de rechters in handelszaken. Deze presentiegelden zijn immers sedert de jaren '70 onveranderd gebleven. Belangrijk is ook dat het ontwerp van koninklijk besluit in een jaarlijkse indexering van de presentiegelden voorziet, wat in het verleden niet het geval was. De nieuwe bedragen die vanaf 1 december 1998 van toepassing zullen zijn bedragen 3 000 frank per zitting voor de raadsheren en 2 000 frank per zitting voor de rechters in handelszaken. Heden heb ik hiervoor het gemeenschappelijk akkoord bekomen van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting. Ik kan op de vraag aan de heer D'Hooghe dus positief antwoorden.

Wat het functioneren van de Kamers voor handelsonderzoek betreft, kan ik meedelen dat de situatie klaarblijkelijk verschillend is van rechtbank tot rechtbank. Sommige rechtbanken van koophandel beschouwen de zittingen van de Kamer voor handelsonderzoek als een terechtzitting in de zin van het koninklijk besluit van 29 oktober 1970 op de presentiegelden. Ze zenden dan ook de schuldvorderingen voor deze zittingen door aan mijn administratie die overgaat tot de uitbetaling. In andere rechtbanken van koophandel beschouwt de voorzitter de zittingen van de Kamer voor handelsonderzoek niet als een terechtzitting en worden dan ook geen schuldvorderingen overgezonden.

Persoonlijk meen ik dat de zittingen van de nieuw gecreëerde Kamers voor handelsonderzoek, indien ze ook daadwerkelijk een hele namiddag in beslag nemen, effectief als een terechtzitting in de zin van het koninklijk besluit op de presentiegelden, in uitvoering van artikel 356 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen worden beschouwd. Ik ga na of een rondschrijven van mijnentwege kan volstaan om tot een uniforme toepassing van de reglementering op dit vlak te komen. Het moet wel duidelijk zijn dat de tijd nodig voor studie- en analysewerk niet kan worden vergoed. Dit geldt zowel voor de voorbereiding van zittingen van de Kamer van handelsonderzoek als voor gewone terechtzittingen van de rechtbank.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer D'Hooghe voor een repliek.

De heer D'Hooghe (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, het antwoord van de minister was zeer volledig en vergt dus geen verder commentaar.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.