1-1381/2 | 1-1381/2 |
28 APRIL 1999
Evocatieprocedure
Het voorliggend ontwerp beoogt een beperkte aanpassing van de bestaande wetgeving op het racisme, teneinde de rechter de mogelijkheid te geven de sanctie van ontzetting uit de politieke rechten uit te spreken bij een eerste veroordeling in het kader van de toepassing van deze wetgeving. Vandaag is deze sanctie immers enkel mogelijk in geval van recidive.
Het wetsontwerp hangt samen met de correctionalisering van de persmisdrijven en de herziening van artikel 150 van de Grondwet.
Een lid is van oordeel dat voorliggend ontwerp onmogelijk als een « fait divers » kan worden afgedaan en dat deze wet helemaal niets te maken heeft met de bestrijding van racisme, noch met de bestrijding van revisionisme, maar wel met de bestrijding van een welbepaalde gedachtestroming.
Volgens spreker zijn de strijd tegen het racisme en het uitsluitend viseren van een bepaalde politieke partij onverzoenbaar. Racisme is immers onverenigbaar met een volksnationale opvatting; een volksnationalist eist het volledige respect op voor elk volk, waar ook ter wereld. Elk volk moet gelijkwaardig zijn, en moet de meest volwaardige ontplooiingskansen krijgen in zijn eigen cultuurbedding.
Vervolgens heeft hetzelfde lid de indruk dat de initiatiefnemers het gevaarlijk vinden de beoordeling in handen van de rechter te leggen. De heer Eerdekens verklaarde in de Kamer dat hij liever had gehad dat het verbod eenvoudigweg in artikel 33 werd ingeschreven, want nu wordt de beoordeling nog overgelaten aan de magistraat.
Deze verklaring komt volgens het lid bijna neer op een betreuren van de onafhankelijkheid van de magistraat. Hetzelfde fenomeen speelde zich af bij de correctionalisering van persmisdrijven, toen duidelijk de vrees voorlag dat een volksjury tot een eventuele vrijspraak zou kunnen komen.
Aldus besluit spreker dat dit ontwerp een slecht ontwerp is, des te meer daar het nog gauw op de valreep in de Senaat zal worden doorgedrukt. Hiermee wordt de facto een soort staatsdoctrine ingevoerd, een soort politiek correct denken.
Het ontwerp brengt mee dat de kiezer bijna bestraft wordt omdat hij iemand die zijn stem durft te gebruiken een mandaat heeft gegeven.
Hetzelfde lid stipt ook aan dat het Centrum voor gelijke kansen niet als een onafhankelijke instelling kan worden beschouwd. Bovendien leidt de duidelijke vrees voor stigmatisering door het Centrum voor gelijke kansen tot het verzwijgen van bepaalde feiten, wat volgens spreker zeer nefast is voor de democratie.
Hetzelfde lid besluit dat het wetsontwerp getuigt van weinig doorzicht van de initiatiefnemers. Een uitlaatklep voor ontevredenheid is immers noodzakelijk in een democratisch bestel. Indien men het ventiel sluit, creërt men ongetwijfeld een explosieve situatie. Dit wetsontwerp is een semi-oorlogsverklaring aan al diegenen die deze uitlaatklep willen behouden.
Verscheidene commissieleden onderstrepen dat het ontwerp de wetten van 30 juli 1981 en van 23 maart 1995 niet in vraag stelt. Het voegt enkel een vorm van bestraffing toe bij veroordeling wegens inbreuken op voornoemde wetten, die van openbare orde zijn. Deze wetten beperken enigszins de vrijheid van het woord, maar kunnen niet op de helling worden gezet. Het wetsontwerp voorziet in het toevoegen van een bijkomende sanctie, die slechts na veroordeling door de rechter kan worden uitgesproken. Het is een vervollediging van de twee voornoemde wetten.
Het wetsontwerp in zijn geheel is aangenomen met acht stemmen tegen 1 stem.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag in de plenaire vergadering.
| De rapporteur,
Fred ERDMAN. |
De voorzitter,
Roger LALLEMAND. |