1-250 | 1-250 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 4 MARS 1999 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 4 MAART 1999 |
De voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke.
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, er leeft heel wat ongenoegen bij het personeel van de Rijksarchieven. Dit is zeker te wijten aan de zware onderbezetting van de personeelsformatie. Iedereen die ook maar een beetje vertrouwd is met het archiefwezen en het archiefbeheer in België zal dat volmondig toegeven.
De cijfers spreken voor zich. Het personeelsbestand van 1993 is van 208 teruggebracht tot 98 nu. Dit is meer dan een halvering. Er zijn ondertussen nieuwe opdrachten bijgekomen met de oprichting van de archiefdepots Brussel II, Eupen, Leuven, Louvain-la-Neuve en Mons II.
De tekorten zijn aanzienlijk en vergen ingrijpende aanpassingen. Eerstdaags hopen we deze problemen met de minister te kunnen bespreken.
Thans wijs ik in het bijzonder op de acute onderbezetting van het wetenschappelijk personeel in het Rijksarchief van Kortrijk-Ronse.
Is de minister op de hoogte van dit probleem ? Is hij zich ervan bewust dat er in Kortrijk-Ronse dringend een afdelingshoofd moet worden aangesteld in een vacature waarvoor de kandidaten onlangs door de wetenschappelijke raad werden geëvalueerd en gerangschikt ?
Wanneer denkt hij te zullen overgaan tot de aanstelling van dit afdelingshoofd ?
De voorzitter. Het woord is aan minister Ylieff.
De heer Ylieff, minister van Wetenschapsbeleid. Mijnheer de voorzitter, het Algemeen Rijksarchief en de Rijksarchieven in de provincies, beschikken niet over een personeelsformatie. Deze lacune is het gevolg van een beslissing van de vorige regering, die oordeelde dat er geen personeelsformatie kon worden vastgelegd zolang de wijziging van de archiefwet van 24 juni 1955 niet was goedgekeurd. Ik heb bijgevolg een voorontwerp van archiefwet voorgelegd dat door de regering op 24 juli 1998 werd goedgekeurd en met de nodige spoed voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd. Ik wacht nog steeds op dit advies.
Ik wens evenwel nog te preciseren dat het Algemeen Rijksarchief en de Rijksarchieven in de provincies op 1 januari 1993, 106 statutaire personeelsleden en 35 contractuele personeelsleden telden, inclusief gedetacheerden uit het onderwijs, uitzonderlijke en tijdelijke behoeften, enig statuut en ex-patrimonium. Op 31 juli 1994 waren er 98 statutairen. Dit aantal stemde overeen met het standpunt van de toenmalige regering.
Deze bevriezing van het aantal personeelsleden was onhoudbaar. Ik heb dan ook besprekingen aangevat met de verschillende ministers en ben erin geslaagd het aantal statutaire betrekkingen van 98 tot 140 te verhogen, en niet tot 106 zoals aanvankelijk werd gepland. Mijn departement beschikt over de nodige kredieten om de personeelsleden op de niveaus 1 en 2 te rekruteren. Ik hoop dat er zo snel mogelijk kan worden overgegaan tot de nodige maatregelen.
Wat de zetel van Kortrijk-Ronse betreft, heb ik het « klaar voor publicatie » na de goedkeuring van het afdelingshoofd op 11 januari ondertekend. De oproep tot kandidaten is op 26 november 1998 in het Belgisch Staatsblad verschenen.
De wetenschappelijke raad, die bevoegd is voor het onderzoeken van de sollicitatiedossiers, is samengekomen op 11 januari en op 9 februari 1999. Het verslag van de raad werd aan mijn kabinet overgezonden op 1 maart 1999. Momenteel zijn we 4 maart en het dossier zal eerstdaags aan mij worden voorgelegd. Vervolgens zal ik het ontwerp tot benoeming van het afdelingshoofd aan de Koning overzenden.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een repliek.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, het verheugt me dat voor de probleemsituatie in Kortrijk met bekwame spoed naar een oplossing wordt gezocht.
In de loop van de vorige regeerperiode heeft de voorganger van de huidige minister de personeelsformatie in het algemeen en de formatie van het wetenschappelijk personeel bij de archieven in het bijzonder, aanzienlijk teruggeschroefd. Dat verdient een grondige bespreking.
De minister beklemtoont dat de vroegere formatie van 98 tot 140 personeelsleden werd opgetrokken. Samen met mijn collega's historici dank ik de minister voor deze maatregel. Toch moet het mij van het hart dat ons land in vergelijking met andere landen inzake archiefbeheer benedenmaats scoort.
Ik zal de minister omtrent deze problematiek in de loop van volgende weken of maanden opnieuw ondervragen.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.