1-1276/3 | 1-1276/3 |
24 MAART 1999
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot aanvulling van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, met de artikelen 76, 1º, 78 tot 85 en 95 tot 112
De commissie voor de Justitie heeft deze wetsontwerpen besproken tijdens haar vergaderingen van 9, 10, 17, 23 en 24 maart 1999.
Wegens hun nauwe samenhang wordt de bespreking ervan in een enkel verslag gebundeld. Het eerste wetsontwerp dat onder artikel 78 van de Grondwet ressorteert (Stuk Senaat, nr. 1-1276/1), werd op 25 februari 1999 geëvoceerd (griffiebulletin nr. 198). Het onderzoek van dit ontwerp werd gekoppeld aan dat van het tweede wetsontwerp waarvoor de in artikel 77 van de Grondwet bepaalde integrale bicamerale procedure geldt (Stuk Senaat, nr. 1-1277/1).
Vooreerst zou ik willen zeggen dat dit ontwerp tot hervorming van het notariaat dat voor u ligt, het resultaat is van grote inspanningen die de voorbije maanden werden geleverd.
Iedereen die van ver of van nabij met het notariaat te maken had was de stellige mening toegedaan dat de organisatie van dit ambt aan herziening en modernisering toe was. Het oorspronkelijke ontwerp werd voor het eerst behandeld op 17 maart 1998 in de commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Er werd een hoorzitting georganiseerd met specialisten in de materie :
de heer Krings, emeritus procureur-generaal
de heer Dupont, voorzitter van de Federatie van notarissen
mevrouw Jacobs, voorzitter van de Vereniging van de Nederlandstalige licentiaten in het notariaat
de heer D'Harvang, voorzitter van de Vereniging van de Franstalige licentiaten in het notariaat
de heer Storme, hoogleraar aan de Universiteit van Gent
de heer Geens, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven
de heer De Graeve, Federatie van Belgische notarissen
de heer Van Oosterwijck, hoogleraar aan de VUB
de heer Lievens, voorzitter van de Federatie van vrederechters
de heer Michel, deken van de Nationale Orde van advocaten
de heer Van Malleghem, vice-deken van de Nationale Orde van advocaten
De technische aspecten van het wetsontwerp werden behandeld in een subcommissie.
De commissie Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers nam de bespreking van het ontwerp terug op in november. In de geest van het Octopusoverleg werd getracht een consensus te vinden bij alle partijen in het debat. Door deze gedegen aanpak werden de ontwerpen grondig bijgeschaafd, zonder dat daarbij afbreuk werd gedaan aan de fundamentele uitgangspunten van de voorgestelde hervorming. Een van die punten is dat het notariaat het statuut van een openbaar ambt moet verzoenen met dat van een vrij beroep.
Het ontwerp werd uiteindelijk op 13 januari 1999 unaniem goedgekeurd in de commissie voor de Justitie en op 10 februari 1999 in de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Ik wil u graag de grote lijnen van het ontwerp tot regeling van het notarisambt uiteenzetten.
Het protocol inzake benoemingen dat in het verleden bestond werd in 1996 door minister De Clerck opgezegd. Er wordt in de tekst een verregaande gelijkenis nagestreefd met de vernieuwde benoeming van de magistraten. Het doel van de objectivering is enerzijds het openen van het beroep naar een bredere groep mensen in de maatschappij en anderzijds het benoemen van diegenen die het best beantwoorden aan de bekwaamheidsvereisten.
De objectivering gebeurt door de selectie van de meest bekwame kandidaten. De procedure verloopt als volgt :
Na het behalen van een licentie in het notariaat, dient men een stage te vervullen van 3 jaar waarna men een stagecertificaat verkrijgt. Men krijgt dan de titel « houder van een ` stagecertificaat ' ».
Een houder van een stagecertificaat kan vervolgens « kandidaat-notaris » worden. Hij moet hiervoor een vergelijkende toelatingsproef afleggen, opgesteld door de verenigde benoemingscommissies. De verenigde benoemingscommissies zijn de Nederlandstalige en de Franstalige benoemingscommissie die telkens bestaan uit 4 notarissen en 4 externen. Men dient 60 % van de punten te behalen op de schriftelijke proef en 50 % op de mondelinge proef. Op grond hiervan en op grond van adviezen wordt een definitieve rangschikking opgemaakt. Deze rangschikking wordt door de bevoegde benoemingscommissie opgemaakt. De Koning bepaalt het aantal kandidaat-notarissen dat mag benoemd worden zonder dat dit aantal hoger dan 60 bedraagt. In afwijking hiervan mag dit aantal het eerste jaar niet meer dan 115 bedragen, de 2 daaropvolgende proeven niet meer dan 80. Eens benoemd draagt men de titel van « kandidaat-notaris ». De kandidaat heeft in deze procedure steeds de mogelijkheid een afschrift te krijgen van de adviezen en zijn opmerkingen hierover kenbaar te maken. Eveneens is inzage mogelijk van het proces-verbaal voor zover het op hem en op de benoemde kandidaten betrekking heeft.
Men kan enkel nog tot notaris-titularis benoemd worden indien men het statuut van kandidaat-notaris heeft verworven. De bevoegde benoemingscommissie rangschikt de 3 meest geschikte kandidaten. De minister benoemt vervolgens tot notaris. Wederom krijgt de kandidaat de mogelijkheid afschrift te krijgen van de adviezen en zijn opmerkingen hierover kenbaar te maken. Eveneens is inzage mogelijk van het proces-verbal voor zover het op hem en op de benoemde kandidaat betrekking heeft.
Zoals reeds uitgebreid gezegd kan men dit statuut verkrijgen door na een vergelijkende toelatingsproef benoemd te worden door de minister van Justitie. Eens men dit statuut verkregen heeft is het mogelijk om volwaardig het beroep van notaris uit te oefenen wanneer men zich associeert met een notaris met standplaats. Het bezit van dit statuut is ook noodzakelijk wanneer men zich kandidaat zou willen stellen voor een benoeming tot notaris-titularis.
Een notaris kan zijn beroep uitoefenen in associatie met een of meer notarissen-titularis uit hetzelfde gerechtelijk arrondissement. Hij kan zijn beroep tevens uitoefenen met een of meer kandidaat-notarissen, indien ze ingeschreven staan op het tableau. Het gaat steeds om burgerlijke vennootschappen die de vorm kunnen aannemen van een bij wet geregelde vennootschap of samenwerkingsverband. Naamloze of commanditaire vennootschappen zijn uitgesloten. De contracten tot oprichting worden door de kamer van notarissen onderzocht op hun wettelijkheid en op de regels van de deontologie. Elke vennoot beschikt steeds over één stem en om het contract tot oprichting te wijzigen is eenparigheid vereist. Zij krijgen de titel « geassocieerd notaris ».
Het wordt mogelijk dat het notarisambt door een plaatsvervanger wordt waargenomen, wanneer een notaris of geassocieerd notaris tijdelijk verhinderd zou zijn om zijn ambt uit te oefenen of wanneer een plaats vacant zou zijn. De aanwijzing gebeurt door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg voor een periode van maximaal 2 jaar en hernieuwbaar voor nog eens maximaal 2 jaar. Dit gebeurt op verzoekschrift van de notaris en de plaatsvervanger of bij gebreke daarvan eventueel door de procureur des Konings of door de kamer van notarissen. De plaatsvervangers dragen de titel « notaris-plaatsvervanger ». De plaatsvervanger is onderworpen aan alle verplichtingen van het notarisambt.
Notarissen moeten, net zoals dat het geval is bij de magistraten, op 67-jarige leeftijd met pensioen.
Daar waar vroeger steeds de volledige akte moest worden voorgelezen is dit nu niet meer verplicht. De akte wordt toegelicht. Een aantal vermeldingen zoals onder andere de naam, gebruikelijke voornaam en standplaats van de notaris en ook de naam, de voornaam en de woonplaats van partijen en desgevallend van getuigen moeten steeds integraal worden voorgelezen. Ook de wijzigingen die werden aangebracht aan het vooraf meegedeelde ontwerp van akte moeten integraal worden voorgelezen.
Wanneer in een notariële akte verwezen wordt naar een vroeger verleden akte en in de meest recente akte een verklaring is opgenomen dat beide één geheel vormen om als authentieke akte te gelden, dan moeten deze beide akten ook niet meer integraal worden voorgelezen, maar slechts toegelicht worden.
Tuchtstraffen worden niet meer opgelegd door een kleine arrondissementele kamer, maar door een provinciale kamer van notarissen. Zij kan de volgende tuchtstraffen uitspreken : terechtwijzing, blaam en tuchtrechtelijke geldboete. Het tuchtrechtelijk bevoegd orgaan werd dus op een hoger niveau gebracht om een grotere objectiviteit te waarborgen. De hogere tuchtstraffen zoals hoge tuchtrechtelijke geldboetes, schorsing, afzetting, schrapping van het tableau of verlies van eretitel, kunnen enkel door de rechtbank worden uitgesproken. Daarenboven kan aan de notaris die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke vervolging of tuchtrechtelijke procedure wegens feiten die aanleiding kunnen geven tot een hoge tuchtstraf, een preventieve schorsing worden opgelegd.
Deze openbare instelling heeft verschillende taken. De taken (opstellen van algemene regels inzake deontologie, een reglementair kader vaststellen waarbinnen genootschappen opereren, maatregelen nemen tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de beroepsaansprakelijkheid van notarissen, aanbevelingen doen aan de kamers inzake tucht, minnelijke schikkingen pogen tot stand te brengen, regels inzake stage en boekhouding bepalen, een huishoudelijk reglement opstellen, ...) hebben steeds tot doel te voorzien in een uniformisering van de door de genootschappen en kamers uit te oefenen bevoegdheden. Een aantal van de bevoegdheden moeten om bindend te zijn, goedgekeurd worden door de Koning.
Er wordt bij de Nationale Kamer van notarissen een notarieel fonds opgericht onder de vorm van een afzonderlijke rechtspersoon. Er wordt een vermindering van 10 000 frank op het ereloon van de aankoopakte toegestaan in gevallen waar personen een eerste gezinswoning kopen indien deze aankoop gepaard gaat met een verminderd registratierecht van 6 % en met een hypothecaire lening of kredietopening waarvoor men een halvering van het ereloon van de notaris kan genieten. De notaris die zijn ereloon verminderd ziet, kan aankloppen bij het fonds om deze vermindering terug te trekken. Het fonds wordt gespijsd door een bijdrage van 1,5 % van het netto-belastbaar inkomen van alle notarissen.
De voorgestelde hervorming heeft tot doel het notariaat op een moderne leest te schoeien met als fundamenteel uitgangspunt, het verzorgen van een efficiënte dienstverlening aan de burgers. Het zal niemand verwonderen dat de ideeën die aan de basis lagen van het Octopusakkoord over de hervorming van de politiediensten en de gerechtelijke organisatie, in de voorliggende ontwerpen werden getransponeerd.
1. Algemeen
De voorzitter merkt op dat verschillende belangengroepen hun kritische opmerkingen aan de leden van de commissie hebben meegedeeld of erop aandringen te worden gehoord. Het gaat onder meer om de « Association des licenciés en notariat », de Kamers van notarissen van de arrondissementen Charleroi, Mechelen en Turnhout, de vereniging van licentiaten in het notariaat van het arrondissement Mechelen en van Sint-Gillis. Tevens hebben enkele personen de commissie op persoonlijke titel aangeschreven.
Hij stelt voor al deze stukken in de bespreking te betrekken.
Een lid verklaart dat zijn partij de voorgestelde hervorming vanuit de oppositie steunt. Nochtans hoopt hij dat de twee wetsontwerpen nog in een geest van consensus kunnen worden geamendeerd. De door de Kamer aangenomen teksten blijven bij het notariaat immers vragen oproepen. Sommige daarvan vergen een nader onderzoek, andere daarentegen dienen zijns inziens te worden verworpen. Daarom suggereert hij een vertegenwoordiger van de Federatie van notarissen te horen.
Een senator merkt op dat zijn partij, die eveneens tot de oppositie behoort, zich niet bij de consensus in de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangesloten, maar zich bij de eindstemming heeft onthouden. Hij steunt het voorstel van de heer Goris om een vertegenwoordiger van de Federatie van notarissen te horen.
De volgende spreker komt terug op de verklaring die de minister gedaan heeft tijdens zijn inleidende uiteenzetting, namelijk dat in de Kamer verschillende specialisten en beroepsverenigingen van notarissen gehoord werden. Deze hoorzittingen hadden evenwel betrekking op de door de regering ingediende tekst die vervolgens in aanzienlijke mate door de Kamercommissie voor de Justitie gewijzigd is. De tekst die de Kamer uiteindelijk in plenaire zitting heeft goedgekeurd, geeft dus niet helemaal het resultaat van deze hoorzittingen weer.
Deze werkwijze heeft tot gevolg gehad dat de beroepsgroep van de notarissen die zijn instemming gegeven had met de aanvankelijke tekst van het wetsontwerp, nadien echter tot de bevinding gekomen is dat de door de Kamer aan de Senaat overgezonden tekst niet meer kon rekenen op de consensus die over de aanvankelijke tekst bestond.
Het wekt dan ook geen verbazing dat het ontwerp niet meer kan rekenen op de goedkeuring van de beroepsgroep van de notarissen en zoveel reacties oproept.
Spreker besluit hieruit dat een aantal bepalingen herzien moeten worden. Om die reden zal hij amendementen indienen.
Een ander lid heeft geen begrip voor deze zienswijze. Het feit dat de Raad van State en de betrokken beroepsgroep werden geraadpleegd, ontslaat de wetgever niet van zijn verantwoordelijkheid om zelf te bepalen hoe de wet zal luiden.
De volgende spreekster deelt de doelstellingen die de regering voor ogen heeft met de voorgestelde hervorming, vooral wat betreft de objectivering van de toelatingsprocedure tot het ambt van notaris. Op die wijze gaat het ontwerp terecht in tegen het corporatisme dat volgens de spreker nog zeer verspreid is in het notarisambt.
Volgens een lid lijdt het geen twijfel dat de wet op het notarisambt van 1804 moet worden gemoderniseerd. De wijziging van een wet uit het Napoleontisch tijdperk is een evenwel zo zeldzame gebeurtenis dat hierbij grote omzichtigheid in acht moet worden genomen.
Wetstechnisch had spreker er de voorkeur aan gegeven dat het wetsontwerp een volledig nieuwe wet op het notariaat had ingevoerd met alle op het ambt toepasselijke bepalingen. Dit bevordert de overzichtelijkheid en de leesbaarheid van de wettekst. Hij betreurt daarom de keuze van de regering om de notariswet van 1804 grondig te wijzigen.
De vraag naar de aanpassing van het notariaat aan de nieuwe, gewijzigde maatschappelijke opvattingen staat reeds geruime tijd op de agenda. Voor die herziening kunnen verschillende pistes worden gevolgd.
Spreker verwijst in dat verband naar Nederland waar een nieuwe notariswet op stapel staat. In een commentaar op deze wet, met als titel « De nieuwe Notariswet in Nederland; een opzienbarend stuk », verklaarde professor Luijten dat « het schip van de nieuwe Notariswet in Nederland voor zijn tewaterlating staat. Zal het een veilig bouwsel blijken te zijn ? Schrijver is tevreden met de technische modernisering maar ziet op fundamentele onderdelen grote gevaren » (TPR, 1998, blz. 1333-1361).
De twee voornaamste gevaren die professor Luijten in het Nederlandse wetsvoorstel bespeurt, is ten eerste de feitelijke opheffing van de numerus clausus waardoor iedereen die aan de diploma- en stagevereisten voldoet, zich vrij als notaris kan vestigen. Ten tweede wordt de vrije tariefvorming ingevoerd, dit wil zeggen inzake ereloon geldt het principe van de vrije concurrentie.
Het lid huldigt de stelling dat wat goed werkt en bevrediging schenkt, niet moet worden afgeschaft, maar moet worden gemoderniseerd.
Zo is de Belgische regeling inzake de publiciteit van de overdracht van onroerende goederen dankzij de tussenkomst van het notariaat vrij sluitend en waarborgt zij de rechtszekerheid, hoewel reeds geruime tijd wordt gepleit voor een wijziging van artikel 1 van de hypotheekwet om het een ruimere draagwijdte te geven.
De in de notariswet van 1804 vervatte regeling heeft zijn diensten bewezen. De handhaving van het numerus-claususbeginsel vertolkt de opvatting dat het notarisambt geen commerciële activiteit inhoudt, maar een openbare functie heeft waarin het aspect dienstverlening centraal staat. Hieruit dienen dan ook de nodige conclusies te worden getrokken.
Spreker onderschrijft in ieder geval de krachtlijnen die aan de voorgestelde hervorming ten grondslag liggen, maar is terzelfder tijd van oordeel dat de teksten op bepaalde punten moeten worden gepreciseerd of zelfs worden geamendeerd.
Een lid vreest dat het ontwerp zal leiden tot een ontmoediging van de kandidaat-notarissen of de licentiaten in het notariaat om nog voor deze loopbaan te kiezen. In dat verband schetst spreker het parcours dat de kandidaat- notaris zal moeten afleggen. Benevens de vereiste van het diploma van licentiaat in het notariaat, waaraan klaarblijkelijk zeer weinig waarde wordt gehecht, wordt de kandidaat onderworpen aan een enorm aantal evaluaties en rangschikkingen. Bovendien houdt men er geen rekening mee dat de licentiaten in het notariaat bovendien licentiaat in de rechten zijn (95 % van de kandidaten). Na het behalen van deze diploma's, moet de kandidaat een stagecertificaat halen (drie jaar stage). Tijdens de stageperiode is hij aan een bestendige beoordeling onderworpen. Na dat stagecertificaat wordt hij na een jaar opnieuw beoordeeld en vanaf dan volgt een beoordeling om de drie jaar. Het risico bestaat dat elke evaluatie negatieve gevolgen heeft voor de betrokkene. Na een aantal jaren gewerkt te hebben als medewerker op een notariskantoor, moet de betrokkene, dus op een merkelijk latere leeftijd, deelnemen aan een vergelijkende proef. Pas als hij daarin slaagt, is hij kandidaat-notaris. Dit betekent dat hij slechts dan zijn kandidatuur kan stellen voor een vacant ambt van notaris, waarop weer een evaluatie volgt, waarbij de bevoegde benoemingscommissie een rangschikking zal opmaken. Daaruit dient de Koning de notaris te benoemen op voordracht van de minister van Justitie.
Tevens mag men de risico's die verbonden zijn aan de bepaling van een al te gering aantal kandidaten en een te grote ontmoediging niet uit het oog verliezen. Indien men slechts weinig mensen de kans biedt om over te blijven tot de laatste evaluatie, is de vrees dat de notarissen zonder medewerkers zullen vallen, reël.
Een lid is van oordeel dat het voorgestelde systeem ongetwijfeld een duidelijke stap vormt naar de democratisering van een beroep dat gedurende een te geruime tijd een familiaal beroep was. Ook is er een zeer beduidende stap gezet in de richting van de objectivering van de benoemingen. Het is trouwens opvallend dat vele notarissen nog snel onder het oude regime hun opvolging willen geregeld zien. De derde pijler van de hervorming bestaat in het inbouwen van kwaliteitsnormen. Deze kwaliteitsnormen nemen een belangrijke plaats in bij het uitoefenen van een openbaar ambt.
Spreker is zich bewust van de problemen die zouden kunnen rijzen in hoofde van degenen die vandaag sinds jaren werkzaam zijn in een notariskantoor, en zich ook zullen moeten onderwerpen aan een vergelijkend examen om in aanmerking te kunnen komen om het ambt uit te oefenen. Nochtans kan men deze personen moeilijk bevoordelen. Men kan hier verwijzen naar het voordeel dat men destijds heeft willen bieden aan de plaatsvervangende vrederechters, door hun vrijstelling van examen te verlenen. Het Arbitragehof kantte zich tegen dit gunstregime, zodat men dit diende te herzien.
2.1. Wetgevende procedure (artikel 1 van het wetsontwerp artikel 78)
Zie de artikelsgewijze bespreking.
2.2. Leeftijdsgrens (artikel 2 van het wetsontwerp artikel 78)
Het voorgestelde artikel 2 van de wet op het notarisambt bepaalt dat de notarissen aangesteld worden tot de leeftijd van 67 ans.
Een lid gaat akkoord met deze leeftijdsgrens maar stelt vast dat de invoering ervan aanleiding zal geven tot moeilijkheden indien er geen overgangsmaatregelen worden genomen. Men zou dan ook bij wijze van overgangsmaatregel kunnen overwegen de leeftijdsgrens voor de zittende notarissen op zeventig jaar te brengen.
2.3. Openbare en internationale testamenten (artikel 3 van het wetsontwerp artikel 78)
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 5, § 2, van de wet op het notarisambt mogen notarissen akten verlijden buiten hun ambtsgebied in de gevallen dat de partijen enkel door persoonlijke verschijning kunnen optreden in de akte en zij in de akte de verklaring afleggen dat zij fysiek niet in staat zijn zich te verplaatsen naar het kantoor van de instrumenterende notaris.
Een lid merkt op dat deze regel enkel geldt voor de openbare en internationale testamenten. De vraag rijst naar het precieze toepassingsgebied van deze bepaling.
2.4. Tegenstrijdige belangen (artikel 5 van het wetsontwerp artikel 78)
Het voorgestelde artikel 9, § 1, tweede lid, van de wet op het notarisambt schrijft voor wat een notaris moet doen wanneer hij tegenstrijdige belangen of de aanwezigheid van manifest onevenwichtige bedingen vaststelt.
Een lid wijst erop dat deze bepaling reeds heel wat commotie heeft veroorzaakt. Bij de meeste akten die voor de notaris worden verleden, zijn de belangen van de partijen potentieel tegenstrijdig. Bijvoorbeeld, bij een erfrechtelijke verdeling of bij een koop waar de koper een zo laag mogelijke prijs wil betalen terwijl de verkoper een zo hoog mogelijke wil verkrijgen. De draagwijdte van de termen « tegenstrijdige belangen » en « manifest onevenwichtige bedingen » moet nader worden onderzocht.
2.5. Toevoeging van een kopie van een vroegere akte (artikel 10 van het wetsontwerp-artikel 78)
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 25, tweede lid, van de wet op het notarisambt moet bij de uitgifte of de grosse van een akte waarin wordt verwezen naar een vroeger verleden akte, een kopie van laatstgenoemde akte worden gevoegd.
Een lid wenst de draagwijdte van deze bepaling te kennen. In vele onroerend-goedakten wordt verwezen naar erfdienstbaarheden uit de vorige eeuw, inmiddels gewijzigd door enkele andere akten. Is het de bedoeling dat een kopie van alle akten die betrekking hebben op de akte die wordt verleden, bij de uitgifte of de grosse van deze laatste akte wordt gevoegd ?
Thans strekt de opzoekingsplicht van de notaris zich krachtens de hypotheekwet uit over een periode van 30 jaar. Heeft de nieuwe bepaling tot gevolg dat de notaris alle akten betreffende de erfdienstbaarheden uit de vorige eeuw bij de nieuwe akte moet voegen ?
2.6. Bewaargeving (artikel 16 van het wetsontwerp-artikel 78)
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 34, derde lid, van de wet op het notarisambt zijn de voorschriften inzake bewaargeving bij de notaris gedurende de eerste maand en nadien bij openbare en particuliere instellingen niet van toepassing wanneer het totaal van de bedragen ontvangen voor rekening van een zelfde persoon of bij gelegenheid van een zelfde akte of een zelfde verrichting, 100 000 frank niet te boven gaat.
Een lid wenst te weten of dit impliceert dat, wanneer een notaris 100 000 frank ontvangt van 100 cliënten, dus in totaal 10 miljoen frank, hij dit bedrag na een maand niet in consignatie hoeft te geven.
Spreker wenst te weten of de voorgestelde regeling wel voldoende sluitend is.
2.7. Beperking van het aantal te benoemen kandidaat-notarissen tot maximaal 60 per jaar en de vergelijkende toelatingsproef (artikelen 18 en 21 van het wetsontwerp-artikel 78).
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 35, § 2, van de wet op het notarisambt stelt de Koning ieder jaar het aantal te benoemen kandidaat-notarissen per taalrol vast, zonder dat dit aantal hoger mag zijn dan 60. Overeenkomstig artikel 51 van het optioneel bicameraal wetsontwerp mag het totale aantal voor de eerste vergelijkende toelatingsproef maximaal 115 bedragen en voor de daaropvolgende twee proeven maximaal 80.
Verschillende leden wensen de ratio legis van deze numerus clausus te kennen.
In het door de regering ingediende wetsontwerp was er geen sprake van een dergelijke beperking. De beperking tot 60 plaatsen werd ingevoerd ingevolge subamendement nr. 53 van de heer Landuyt op amendement nr. 42 van de regering dat in het voorgestelde artikel 35, § 2, bepaalde dat de Koning ieder jaar het aantal te benoemen kandidaat-norarissen, per taalrol, vaststelt op grond van een behoeftenstudie, met een maximum van 115 voor de eerste vergelijkende toelatingsproef en van 80 voor de daaropvolgende twee proeven (St. Kamer, 1997-1998, nr. 1432/18).
Vanuit het notariaat wordt opgemerkt dat dit aantal hoogstens zal volstaan om de uittredende notarissen te vervangen, maar niet om de associatie van kandidaat-notarissen met notarissen-titularis mogelijk te maken.
Volgens een ander lid is een van de verdiensten van de voorgestelde hervorming dat de toegang tot het notarisambt wordt geobjectiveerd. Zoals in de memorie van toelichting wordt uiteengezet, wordt hiermee tegemoet gekomen aan allerlei verzuchtingen.
Volgens het oorspronkelijk wetsontwerp, waarvoor de verplicht bicamerale procedure zou gelden, werd er na de stage een bekwaamheidsproef georganiseerd die zou worden afgelegd voor de beoordelingscommissie (Stuk Kamer, nr. 1-1433/1, 1997-1998, blz. 163-164). In de loop van de discussie in de Kamercommissie voor de Justitie werd de procedure evenwel grondig herzien.
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 39 dienen de houders van een stagecertificaat die kandidaat-notaris willen worden, deel te nemen aan een vergelijkende toelatingsproef (artikel 21 van het wetsontwerp-artikel 78). Het voorgestelde artikel 35, § 2, voert een quotum in van het aantal kandidaat-notarissen dat jaarlijks mag worden benoemd, te weten maximum 60 (artikel 18 van het wetsontwerp-artikel 78).
Interveniënt is van oordeel dat men met deze numerus clausus twee toestanden wil regelen. De eerste is die van de 900 à 1 000 kandidaat-notarissen, dat wil zeggen licentiaten in het notariaat die op een notariskantoor werkzaam zijn en die hun stage reeds geruime tijd hebben volbracht, de tweede die van de licentiaten in het notariaat die na het behalen van hun diploma onmiddellijk de in de wet bepaalde vergelijkende toelatingsproef zullen afleggen.
Spreker, die als universiteitsprofessor de relativiteit van examens weet in te schatten, merkt op dat voor de toegang tot de magistratuur terecht twee soorten examens zijn ingesteld, te weten het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage, bedoeld voor licentiaten in de rechten met een jaar ervaring aan de balie, en het examen inzake beroepsbekwaamheid, bedoeld voor kandidaten met een zekere beroepservaring. Deze twee toegangswegen vinden hun verantwoording in de vaststelling dat kandidaten van 40 jaar een examen op een andere wijze afleggen dan die van 23 jaar. De veeleer parate kennis en didactische wijze van antwoorden maken gaandeweg plaats voor een groter probleemoplossend vermogen.
Het lid heeft op zich geen bezwaar tegen een vergelijkende toelatingsproef, maar vraagt zich op grond van het gelijkheidsbeginsel af in welke mate een en dezelfde proef kan functioneren voor twee verschillende categorieën kandidaten, dat wil zeggen enerzijds zij die pas de stage hebben volbracht en anderzijds zij die al geruime tijd, bijvoorbeeld 10 à 15 jaar, op een notariskantoor werkzaam zijn. Zou onder meer ter wille van de parallellie met de magistratuur niet in twee soorten examens moeten worden voorzien ?
Spreker heeft begrip voor de stelling van de minister dat hij al de licentiaten in het notariaat met een zekere beroepservaring, niet tot kandidaat-notaris kan benoemen omdat er dan eensklaps een enorme reserve ontstaat, te weten 900 à 1 000 personen. Zij moeten echter de kans krijgen om een op hun situatie en ervaring afgestemd examen af te leggen.
Interveniënt vreest dat de eenvormigheid van de criteria die volgens het wetsontwerp voor de vergelijkende toelatingsproef gelden, de slaagkansen van de oudere kandidaten aanzienlijk zal doen dalen.
Voorts acht hij de quota van het aantal kandidaat-notarissen dat jaarlijks mag worden benoemd, te weten 115 voor de eerste vergelijkende toelatingsproef, 80 voor de daaropvolgende twee proeven en daarna 60, te laag (artikelen 18 en 51 van het wetsontwerp artikel 78). Door deze quota zal 70 % van het huidig aantal kandidaten geen uitzicht meer hebben op een benoeming tot kandidaat-notaris. Zij zullen derhalve, zo beweert men, niet meer zinvol in het notariaat kunnen werken.
Het lid meent dat een te stringente beperking van het aantal kandidaten wellicht niet wenselijk is. Indien men ervan uitgaat dat er jaarlijks 40 notarissen-titularis zouden worden benoemd, dan valt te vrezen dat, eenmaal de regeling op kruissnelheid is gekomen, het aantal van 60 kandidaat-notarissen te weinig is om een voldoend aantal notarissen-titularis en geassocieerde notarissen voor benoeming voor te stellen.
Een ander lid stelt vast dat de taalrol wordt bepaald door de taal van het diploma van licentiaat in het notariaat. In de praktijk merkt men vaak dat de studies van licentiaat in de rechten gewoonlijk in de moedertaal worden gevolgd, terwijl het diploma van licentiaat in het notarriaat in de andere landstaal wordt behaald, dit om de kennis van die taal te verbeteren. Moet hier geen overgangsmaatregel worden ingebouwd om te vermijden dat jonge mensen die wensen een tweede diploma in een andere taal te behalen, worden ontmoedigd ?
Met betrekking tot de vergelijkende toelatingsproef vestigt een lid er de aandacht op dat de notarissen erop aandringen om bij de evaluatie van de kandidaten rekening te houden met de sociale, psychologische en diplomatieke vaardigheden. Indien de proef enkel academisch is, schiet ze haar doel voorbij. Om een notariskantoor goed te kunnen runnen is het belangrijk over sociale vaardigheden te beschikken. Kan de minister enkele praktische inlichtingen geven over de vergelijkende toegangsproef ? Waaruit bestaat deze juist ?
2.8. Representatieve vereniging van licentiaten in de rechten (artikel 21 van het wetsontwerp artikel 78)
Volgens de Raad van State rijst de vraag onder welke voorwaarden de verenigingen van licentiaten in het notariaat als representatief zullen worden beschouwd en wie over die representativiteit zal oordelen (het voorgestelde artikel 38bis , zesde lid, van de wet op het notarisambt). De ontworpen bepaling behoort te worden aangevuld om die onzekere situatie te verhelpen.
Een lid wenst te weten of het ontwerp voldoende tegemoet komt aan deze opmerking.
2.9. Kandidaatstelling voor een benoeming tot kandidaat-notaris : slechts drie kansen (artikel 21 van het wetsontwerp artikel 78)
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 39, § 7, van de wet op het notarisambt kan niemand zich meer dan drie maal kandidaat stellen voor een benoeming tot kandidaat-notaris. Deze regel, die niet geldt voor de toelatingsexamens tot de magistratuur, houdt verband met de quota bepaald in de artikelen 18 en 51 van het wetsontwerp artikel 78.
Verschillende leden wensen hiervan de ratio legis te kennen en vragen dat de consequenties van deze beperking zouden worden berekend.
Volgens een lid is deze beperking ongerechtvaardigd. Het is immers niet uitgesloten dat er in sommige jaren kandidaten zullen zijn die voor het examen slagen maar wegens het hoge aantal deelnemers niet batig gerangschikt zijn om tot kandidaat-notaris benoemd te worden.
Aangezien deze kandidaten hun bekwaamheid en geschiktheid hebben bewezen, bestaat er geen aanleiding om hen na een derde deelname van het examen uit te sluiten.
2.10. Benoeming tot notaris-titularis (artikel 23 van het wetsontwerp-artikel 78)
Overeenkomstig het voorgestelde artikel 44 van de wet op het notarisambt benoemt de Koning de notaris op voordracht van de minister van Justitie uit een lijst van drie kandidaten die door de benoemingscommissie als het meest geschikt werden beoordeeld.
Verschillende leden wensen te weten in welke mate bij de rangschikking voorrang zal worden verleend aan de kandidaat-notaris die geassocieerd is met een notaris-titularis wiens standplaats bijvoorbeeld wegens pensionering vacant wordt verklaard. Wordt er rekening gehouden met de ervaring die de betrokken kandidaat-notaris inmiddels op dat kantoor heeft opgedaan ? Mag een zoon zich als kandidaat-notaris associëren met zijn vader-notaris-titularis in de hoop diens kantoor later te kunnen overnemen wanneer hij door de benoemingscommissie tot de drie meest geschikte kandidaten wordt gerangschikt ? Zal de minister van Justitie in dat geval bij de voordracht rekening houden met de familieband ?
Er worden argumenten pro en contra aangehaald ter verdediging van de praktijk waarbij het kantoor van vader op zoon wordt overgedragen.
Volgens de voorstanders vormt de familieband een waarborg voor de continuïteit in de vertrouwelijke relatie tussen de burger en zijn notaris. De tegenstanders zijn van oordeel dat het privilegiëren van de familieband strijdig is met het streven naar een grotere toegankelijkheid van het ambt.
2.11. Vennootschappen van notarissen (artikel 26 van het wetsontwerp-artikel 78)
In zijn advies heeft de Raad van State erop gewezen dat er een inconsistentie zou zijn door enerzijds vast te stellen dat een vennootschap geen notaris kan zijn terwijl anderzijds het enig maatschappelijk doel ervan het uitoefenen van het beroep van notaris is.
« Talrijke voorschriften van het ontwerp », zo vervolgt de Raad van State, « kunnen namelijk de indruk wekken dat de geassocieerde notarissen de organen zijn van een vennootschap op naam waarvan het notarisambt staat, terwijl blijkens de memorie van toelichting en de algemene samenhang van het ontwerp een vennootschap geen notaris kan zijn ».
De Raad van State stelt dan ook de vraag of het niet beter zou zijn « een rechtsfiguur sui generis te scheppen die het gezamenlijk uitoefenen van het notarisambt zou regelen zonder te werken met het begrip vennootschap, en zonder een rechtspersoon tot een notaris te maken » (Stuk Senaat, 1997-1998, nr. 1432/1, blz. 127-129).
Een lid wenst dat wordt onderzocht of aan deze opmerking tegemoet is gekomen.
Op vraag van een ander lid bevestigt de minister dat een kandidaat-notaris zich niet met verschillende notarissen-titularis op verschillende standplaatsen kan associëren. Hij kan dat overeenkomstig het voorgestelde artikel 50 wel doen met verschillende notarissen - titularis op dezelfde standplaats.
Een lid merkt op dat er in feite slechts vennootschappen van notarissen te lande worden georganiseerd, met standplaats volgens het Belgisch regime. Werd hier nooit gedacht aan een Europese dimensie, waar vandaag meer dan ooit vraag naar is ? Tevens wordt bepaald dat, bij de uitbouw van een vennootschap, de geassocieerde notaris zijn kantoor eventueel kan overdragen van zijn standplaats naar de zetel van de vennootschap, mits toelating van de minister van Justitie. Betekent dit dat men afstapt van het aloude principe waarbij de continuïteit van het ambt in het direct contact met het publiek vereist dat de notaris zijn kantoor in zijn standplaats heeft ? De oude regels vereistten zelfs dat de notaris er zijn woonplaats had.
Spreker vestigt de aandacht op een discriminatie in het voorgestelde artikel 51, § 7 (wetsontwerp artikel 78) met betrekking tot de vennootschappen. Er wordt een verbod ingebouwd van belangenvermenging in de zijlijn tot en met de graad van oom en neef. Mag men dan veronderstellen dat de tante en de nicht hier worden uitgesloten ? De juiste terminologie is in zulk geval « de derde graad », en niet « de oom en neef ».
2.12. Overnamevergoeding voor een kantoor (artikel 31 van het wetsontwerp artikel 78)
Met betrekking tot artikel 42, § 1, derde lid, van de wet op het notarisambt, zoals opgenomen in het oorspronkelijk wetsontwerp, heeft de Raad van State opgemerkt dat, aangezien voor de toegang tot het notariaat het gelijkheidsbeginsel in acht moet worden genomen, het niet aanvaardbaar is dat de kandidatuur van een kandidaat-notaris voor het ambt van notaris-titularis al dan niet ontvankelijk is naar gelang hij al dan niet dermate vermogend is om de vereiste overnamevergoeding te betalen. Een dergelijk financieel criterium houdt een discriminatie in die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel ( St. Senaat, 1997-1998, nr. 1432/1, blz. 132-135).
Een lid verzoekt de minister mee te delen of deze kwestie een bevredigende oplossing heeft gekregen.
Spreker is van oordeel dat de vergoeding niet aanvaardbaar zou zijn indien zij overeenstemt met het bedrag van de overname van andere bestanddelen dan de invordering van honoraria voor akten die nog verschuldigd zijn en hun aandeel in de uitgifte.
2.13. De genootschappen van notarissen (artikel 38 van het ontwerp artikel 78)
Krachtens het voorgestelde artikel 68 van de wet op het notarisambt worden de genootschappen van notarissen per provincie georganiseerd. Deze organisatievorm is een nieuwigheid want ze wordt in geen enkel ander gerechtelijk beroep toegepast.
In het licht van het voorgaande wenst een lid te weten of de kamers van notarissen eveneens op provinciale basis georganiseerd zullen worden en om welke reden de minister deze vorm van organisatie verkozen heeft boven de arrondissementele organisatie, die over het algemeen in onze rechterlijke orde toegepast wordt.
2.14. Nationale Kamer van notarissen (artikel 40 van het wetsontwerp artikel 78)
Overeenkomstig de voorgestelde artikelen 90 en volgende van de wet op het notarisambt wordt er een Nationale Kamer van notarissen opgericht met zetel te Brussel.
Een lid vraagt zich af of dit geen anachronisme is in het licht van de evolutie binnen de advocatuur waar er bij de meeste Vlaamse balies een sterke tendens bestaat om de Nationale orde van advocaten op te splitsen. Is het nog opportuun een corporatistisch, administratief, log orgaan als de Nationale Kamer van notarissen op te richten?
Ook een andere senator heeft zijn bedenkingen tegen de oprichting van een Nationale Kamer van notarissen. Een Vlaamse en een Franstalige Kamer lijken hem meer in overeenstemming te zijn met de maatschappelijke en staatkundige realiteit.
2.15. Nietigheid van de akte (artikel 43 van het wetsontwerp artikel 78)
Een lid stipt aan dat er zich een probleem voordoet met betrekking tot de nietigheid van de akte (het voorgestelde artikel 114). Deze tekst werd in laatste instantie geamendeerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, maar werd onvolledig geamendeerd zodat er een inconsistentie bestaat. Deze problematiek zal worden verduidelijkt tijdens de artikelsgewijze bespreking. [Zie het voorgestelde artikel 12 (artikel 8 van het ontwerp)].
2.16. Tuchtprocedure
a.
Wat de samenstelling van het provinciaal
tuchtorgaan betreft (de kamer van notarissen), kan er zich, zo verklaart een lid, een probleem voordoen met betrekking tot de vertegenwoordiging van de grote en de kleine arrondissementen. Deze laatste zijn beducht voor de expansiedrift van de grote arrondissementen die, vrezen zij, geen voldoende ruimte zullen laten voor de kleinere.
Spreker verzet zich niet tegen de provinciale indeling, maar stelt de vraag of het in het voorgestelde artikel 79, § 2, voorgestelde criterium (artikel 3 van het wetsontwerp artikel 77) wel volstaat, te weten één lid uit elk gerechtelijk arrondissement van het genootschap. Zou het niet raadzamer zijn de samenstelling te baseren op het aantal notarissen per gerechtelijk arrondissement ? Spreker stelt voor deze oefening eens te maken. Hij acht het niet wenselijk dat er een te uitgesproken geografische tendens zou doorwegen in de samenstelling van de provinciale tuchtkamer.
b. Interveniënt wenst te weten in welke mate de minister onder de indruk is gekomen van de prejudiciële vraag, gesteld naar aanleiding van een incident met een advocaat in Antwerpen, of de afwezigheid van een magistraat in een tuchtcollege een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. Deze zaak is nog hangende voor de beroepsinstantie.
Er dient alleszins te worden nagegaan of er, in navolging van de Orde van de geneesheren, geen magistraat in de kamer van notarissen zitting moet nemen teneinde de objectiviteit bij de toepassing van het tuchtrecht te verzekeren. Men kan hiertegen opwerpen dat de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid verzekerd is doordat de rechtbank van eerste aanleg krachtens het voorgestelde artikel 571 van het Gerechtelijk Wetboek in eerste aanleg de hogere tuchtstraffen uitspreekt en in tweede aanleg kennis neemt van de beslissingen van de kamer van notarissen die een tuchtstraf van eigen rechtsmacht heeft uitgesproken (artikel 44 van het wetsontwerp-artikel 78).
Wat de aanhangigmaking van de tuchtvordering betreft, stelt de kamer van notarissen die de schorsing of de afzetting voorstelt, op dit ogenblik een dossier samen dat ze overzendt aan de procureur des Konings die als vervolgende partij optreedt voor de rechtbank van eerste aanleg. Spreker wenst te weten of de voorgestelde hervorming hieraan iets wijzigt.
Een ander lid vestigt de aandacht op de zeer ongelukkige redactie van de tekst van ht voorgestelde artikel 108, eerste lid. Niet alleen de procureur des Konings, maar ook de kamer van notarissen kan de zaak aanbrengen, tenzij deze reeds een tuchtstraf heeft uitgesproken, omdat men dan de onpartijdigheid van de kamer uitsluit.
De Nederlandse tekst moet anders worden geformuleerd. Ook de lezing van de Franse en Nederlandse versie van artikel 110, § 2, doet vragen rijzen. Over welke beslissingen gaat het? Waarschijnlijk zijn de beslissingen in eerste aanleg niet uitvoerbaar bij voorraad. Het 1º en 2º beogen situaties van uitvoerbaarheid bij voorraad. Quid indien deze uitzonderingen daadwerkelijk uitvoerbaar zijn bij voorraad en hervormd worden in beroep? Wie is dan schade verschuldigd, wat is het eerherstel? De constructie van de gehele procedure is onduidelijk en onsamenhangend.
Deze aangelegenheid wordt verder uitgediept in de artikelsgewijze bespreking.
2.17 Overgangsmaatregelen
De wetsontwerpen bevatten geen overgangsmaatregelen voor de talrijke kandidaat-notarissen met een zeer ruime ervaring.
Verschillende leden wensen te weten of deze kandidaten de ganse benoemingsprocedure volledig moeten doorlopen, te beginnen met het volbrengen van de stage van drie jaar en de deelname aan de vergelijkende toelatingsproef om tot kandidaat-notaris te worden benoemd.
2.18 Inwerkingtreding
Overeenkomstig artikel 57, eerste en tweede lid, van het optioneel bicameraal wetsontwerp treden de bepalingen van deze wet in werking op de datum door de Koning bepaald. Uiterlijk op 1 januari 2000 treedt deze wet volledig in werking. Voor de plaatsen vacant verklaard in het Belgisch Staatsblad vóor 3 mei 1999 kan de benoeming nog gebeuren op grond van de bepalingen die van kracht waren vóór de goedkeuring van de onderhavige wet.
Voor de vacatures die na 3 mei 1999 ontstaan, zal dus de nieuwe wet van toepassing zijn. Aangezien er met het oog op de toepassing van deze wet een aantal instanties moeten worden opgericht en er een eerste vergelijkend examen moet worden georganiseerd, dreigt de overgangsperiode vanaf 3 mei 1999 tot de inwerkingtreding van de wet uit te lopen.
Een lid wenst te weten wat er tijdens deze interimperiode zal gebeuren. Hij is er geen voorstander van dat de minister gebruik maakt van de in het voorgestelde artikel 57, derde lid, van het wetsontwerp bepaalde mogelijkheid om erenotarissen als plaatsvervanger aan te wijzen.
B. Antwoorden van de minister
De minister verduidelijkt dat het advies van de commissie die drie kandidaten ter benoeming voorstelt aan de minister gemotiveerd moet zijn. Ook de beslissing van de minister moet met redenen omkleed zijn. De criteria worden duidelijk in het wetsontwerp omschreven (bekwaamheid en geschiktheid). Het is evident dat de Koning een bepaalde beoordelingsvrijheid heeft, maar uiteraard moet hij tegemoet komen aan het gemotiveerde advies van de commissie over de drie kandidaten. Het benoemingsbesluit zal ook moeten gemotiveerd zijn. De toetsingsbevoegdheid ligt bij de Raad van State. Men kan dus niet zomaar voorbijgaan aan de voorgelegde adviezen. De minister verwijst naar het voorgestelde artikel 44, § 3. Als de adviescommissie eenparig voordraagt, moet dit worden vermeld.
Wat de benoemingsbevoegdheid betreft, werd dezelfde regeling uitgevaardigd als voor de Hoge Raad voor de Justitie. Men kan stellen dat men ten aanzien van de organisatie van het beroep en bij de beoordeling van het blijven bestaan van een Nationale Kamer rekening moet houden met het feit dat notarissen openbare ambtenaren zijn. Inzake de benoeming werd in een opsplitsing voorzien in een Nederlandstalig en een Franstalig college, zoals bij de Hoge Raad voor de Justitie.
De minister wijst erop dat er als het ware een feitelijke overgangsregeling is ontstaan. De notarissen wisten immers dat er een nieuwe wet aankwam en velen hebben hun voorzorgen genomen om hun opvolging te laten gebeuren op basis van de bepalingen van de oude wet. Dit is een feitelijk gegeven naast de in de wet bepaalde overgangsregeling.
In verband met de vraag naar een hoorzitting met de koninklijke Federatie van Belgische notarissen, verwijst de minister naar de uitgebreide hoorzittingen in de Kamercommissie voor de Justitie. Daar is de Federatie van notarissen ruim aan bod gekomen, alsook de licentiaten in het notariaat, via het horen van verschillende professoren en hoogleraren. Ook emeritus procureur-generaal Krings werd gehoord. Het lijkt dus niet opportuun de hoorzittingen over te doen.
De minister is van oordeel dat het ontwerp in grote mate tegemoetkomt aan de vragen vanuit het beroep zelf. Hij refereert aan de opmerking van een lid dat vaststelde dat de aangenomen tekst van het ontwerp uitendelijk zeer verschillend was van het oorspronkelijke ontwerp van de regering. De wijzigingen werden aangenomen ten gevolge van de verzoeken van de betreffende sector. Er werd dus wel degelijk rekening gehouden met de eisen van de Kamercomissie voor de Justitie, met de opmerkingen van de parlementsleden, en van de Federatie van notarissen.
Het is nochtans niet opportuun dat de tekst een zeker corporatisme zou uitstralen. Telkens werd rekening gehouden met de belangen van de burgers. De minister kan niet akkoord gaan met de thesis dat het ontwerp werd opgesteld zonder het aval van de betrokken beroepssector. Het voorgestelde systeem is evenwichtig en houdt rekening met de opmerkingen die werden geuit door de betrokken actoren. Niet enkel de notarissen, maar ook de burgers die gebruik maken van het notariaat, zijn belanghebbende partijen.
Wat het aantal kandidaten betreft, verduidelijkt de minister dat dit gebaseerd is op een behoeftestudie.
Het komt hem tevens voor dat de provinciale basis voor de Kamer van notarissen meer aangewezen is dan de arrondissementele basis. De arrondissementen zijn immers te nauw verbonden met de in de dossiers betrokken personen om een objectief oordeel te kunnen vellen. Een zekere afstand is noodzakelijk.
De minister verklaart dat de uitgewerkte regeling voldoende rechtszekerheid biedt, wat in de reorganisatie van het notarisambt inderdaad moet worden gewaarborgd.
Inzake de toegang tot het ambt, deelt de minister de mening dat de objectivering een belangrijk uitgangspunt is van het wetsontwerp. De minister begrijpt de opmerking met betrekking tot de verschillende situatie, ten aanzien van het vergelijkend examen, van de jonge juristen en degenen die al een bepaalde anciënniteit hebben. Men moet echter voor ogen houden dat de huidige perspectieven voor degenen met een zekere anciënniteit in het ambt, als het ware onbestaand zijn.
Wat de beperking van de deelname aan het examen betreft, acht de minister het evident dat eindeloze deelnames niet kunnen worden toegestaan. Op de universiteiten voorziet men immers ook in bepaalde beperkingen. Tevens kan een meervoudige deelname een bepaalde gewenning meebrengen die kan leiden tot een concurrentievervalsing ten aanzien van degene die voor het eerst deelnemen. Als men streeft naar objectiviteit, zal de kwaliteit blijken binnen de drie kansen die men krijgt; dit is inherent aan elk examensysteem.
In verband met de opmerking over de prejudiciële vraag over de afwezigheid van de magistraat in een tuchtcollege is er een belangrijk onderscheid met de situatie bij de balie. In voorliggend wetsontwerp heeft de rechtbank het laatste woord, hetgeen niet het geval is bij de balie.
Inzake de opmerking over het initiatiefrecht in tuchtzaken bevestigt de minister dat niet alleen de kamer van notarissen, maar ook de procureur des Konings het initiatief kan nemen. De minister stelt voor hier verder op in te gaan bij de artikelsgewijze bespreking.
De minister gaat nog even in op de opmerking dat het wetsontwerp de kandidaat-notarissen ontmoedigt. De minister kan deze stelling niet bijtreden. Uit de contacten met kandidaat-notarissen blijkt juist dat de huidige regeling zeer ontmoedigend is. Het wetsontwerp verruimt de toekomstperspectieven door de mogelijkheid tot associatie. De licentiaten in het notariaat waren hiervoor werkelijk vragende partij. De wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van het oorspronkelijk wetsontwerp zijn trouwens vaak geconditioneerd door de verlangens en de behoeften van de licentiaten in het notariaat.
Men kan terecht een overzicht maken van het te volgen parcours, maar men mag niet uit het oog verliezen dat dit werd ingesteld om de toegang tot het ambt zo objectief mogelijk te laten verlopen. De geregelde evaluatie van de kandidaten valt geenszins te vrezen. Deze moet immers de basis zijn van het advies dat uiteindelijk een element zal zijn bij de voordracht en de benoeming. Bij gebreke van deze evaluatie in het verleden ontstond de neiging met andere criteria rekening te houden dan met objectieve criteria. De licentiaten in het notariaat hebben hierbij geen enkel belang. De evalaties vallen dus niet te vrezen, maar moeten integendeel de garantie bieden dat een maximale objectiviteit in acht wordt genomen en dat de besten ook zullen geselecteerd worden. De kwaliteit van de kandidaten wordt niet enkel nagegaan op juridisch-technisch vlak, maar ook de kwaliteiten in de praktijk zullen worden weerspiegeld in het gegeven advies. Er is niet alleen de technische kennis, maar ook de bekwaamheid en de geschiktheid die blijkt uit de verschillende evaluaties. Het is een van de belangrijke doelstellingen om jonge juristen meer kansen te geven in het notariaat (dubbel zoveel dan op heden).
Dat de taal van het diploma licentiaat in het notariaat bepalend is, werd overgenomen uit de huidige wettelijke regeling is. De minister wijst op de moeilijkheid om de taalwet eventueel op dit punt te wijzigen.
Wat betreft de opmerking van het verlenen van een Europese dimensie aan de associaties, onderstreept de minister dat het notariaat een openbaar ambt is. Aldus moet hier een belangrijke beperking worden gemaakt.
Wat betreft de discriminatie op het vlak van de enkele vermelding van de oom en neef, stelt de minister voor dit probleem voor te leggen bij de artikelsgewijze bespreking. Dit geldt ook voor de redactie van de voorgestelde artikelen 108 en 110 (cf. supra blz. 18-20).
De minister concludeert dat het goed is het ontwerp in deze commissie grondig en degelijk te bespreken. Men moet ervan overtuigd zijn dat hier een noodzaak van evenwicht bestaat tussen de goede invulling van het openbaar ambt en de noodzaak van de vrijwaring van het vrij beroep, wat een toegevoegde waarde kan zijn. Het is ook belangrijk de kans te hebben dit ambt binnen een redelijke termijn behoorlijk te organiseren en nog binnen deze legislatuur tot een goed einde te brengen.
Een lid stipt het probleem aan van de in artikel 49 van het wetsontwerp-artikel 78 vervatte overgangsmaatregel voor notarissen die bij de inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 64 jaar hebben bereikt. Tevens vraagt hij welk lot de thans bestaande praktijk is beschoren dat de stagemeester-notaris een verslag opmaakt over de stage en aan de minister toezendt. Wordt dit stageverslag nu overbodig, aangezien de kandidaat na de stage in ieder geval een examen moet afleggen, dat bepalend is.
Wat de leeftijdsvraag betreft, antwoordt de minister dat iedereen die bij de inwerkingtreding van de wet 64 jaar of ouder is, drie jaar tijd heeft om zich te organiseren. Iemand die 67 is kan notaris blijven tot zijn 70, enz. Daardoor wordt de gelijkheid gerespecteerd.
Wat de problematiek van de stage betreft, verduidelijkt de minister dat het stageverslag en de evaluatie ook in de voorgestelde regeling nuttig blijven. Het is immers belangrijk te weten hoe iemand op het terrein functioneert en welke sociale vaardigheden hij heeft in de omgang met het cliënteel.
De associatie van de kandidaat-notaris die geslaagd is, is een zaak tussen de titularis en de kandidaat voor associatie. Het is geen eigenlijke benoeming, geen beslissing van de Koning. De minister heeft wel enige controle.
Deze gedachtewisseling spitst zich vooral toe op de problematiek van de toegang tot het ambt van notaris. De voornaamste knelpunten in dit verband zijn het vergelijkend examen en de beperking van het aantal te benoemen kandidaat-notarissen tot maximaal 60 per jaar.
Een lid verklaart, na het lezen van alle brieven die de senatoren van verschillende verenigingen in verband met de voorliggende ontwerpen hebben ontvangen, met enige verbazing vast te stellen dat deze verenigingen, die in theorie tegenstrijdige belangen zouden moeten verdedigen, het totaal eens zijn over een aantal keuzen.
Spreker begrijpt niet waarom de minister volhardt in zijn afwijzing.
Een van deze keuzen heeft betrekking op de toestand van de huidige kandidaat-notarissen. Zij werken vaak gedurende vijf tot tien jaar in een kantoor waar ze bijvoorbeeld eerste klerk zijn en waar ze tot de onmisbare medewerkers zijn geworden, gespecialiseerd in de ene of de andere materie (pacht, huwelijksvermogensstelsels, ...).
Tenzij zij een bijscholing volgen, lopen zij bijgevolg een groot gevaar dat ze mislukken voor het examen, dat betrekking heeft op een veel ruimere inhoud.
Overeenkomstig artikel 50, § 1, b) , ingevoerd door artikel 26 van het ontwerp, kunnen zij zich dan ook niet associëren met de notaris voor wie zij werken.
Spreker vraagt zich af waarom deze kandidaat-notarissen nog moeten deelnemen aan het examen, nadat ze vijf jaar rechten en één jaar notariaat hebben gevolgd, en drie jaar stage hebben gedaan, dus een opleiding van negen jaar, gevolgd door een beroepsactiviteit en een specialisatie in een kantoor.
Het gaat in België om een duizendtal personen die hun stage beëindigd hebben en in een notariskantoor werken.
Indien men zich houdt aan de quota die bepaald zijn in het ontwerp, betekent het dat slechts een vierde of een derde onder hen aangenomen zullen worden als kandidaat-notarissen in de zin van het wetsontwerp.
Bijgevolg zullen een groot aantal personen die gewaardeerd worden voor hun bekwaamheden en die gespecialiseerd zijn in een aantal notariële domeinen, niet in aanmerking komen en zullen zij voor de rest van hun loopbaan eerste klerk moeten blijven.
Zowel de huidige kandidaat-notarissen als de notarissen zelf zijn echter gekant tegen dit systeem, dat overigens indruist tegen het belang van de verbruiker.
Op dit ogenblik moeten de ongeveer driehonderd notarissen die kandidaten zoeken met het oog op een associatie, bovendien kiezen onder de drie best gerangschikte laureaten, die ze wellicht niet zullen kennen.
Spreker pleit er dan ook voor dat de kandidaat-notarissen die hun stage van drie jaar vervuld hebben en die in het huidige systeem in aanmerking kunnen komen voor een effectieve benoeming, de titel van kandidaat-notaris krijgen in de zin van het wetsontwerp.
Zo zullen de notarissen en de kandidaat-notarissen die het wensen, de mogelijkheid krijgen om zich te associëren.
Zo niet vraagt spreker dat de quota opgetrokken worden en in elk geval verdubbeld. De thans voorgestelde quota volstaan nauwelijks om de notarissen-titularis te vervangen.
Op jaarbasis blijven er ongeveer 20 tot 30 kandidaat-notarissen die in aanmerking komen voor associatie.
Het lid merkt op dat de quota bij amendement ingevoerd zijn op het einde van de bespreking in de Kamer. Het staat aan de Senaat als reflectiekamer hierover een grondig debat te voeren.
Professor Dewulf van de universiteit van Gent heeft spreker aangeschreven om te melden dat het ontwerp de studenten ontmoedigt. In zijn huidige vorm kan het tot gevolg hebben dat kwalitatief sterke juristen een andere loopbaan zullen kiezen dan het notariaat.
Een ander lid sluit zich aan bij de opmerkingen van de vorige spreker.
Zij is van mening dat het examensysteem het gevaar inhoudt dat voortreffelijke kandidaten uiteindelijk uitgesloten worden en dat zeer middelmatige kandidaten geselecteerd worden. Afhankelijk van het toeval zullen er zich een lager of een hoger aantal kandidaten van een degelijk niveau melden voor een bepaald examen.
Spreekster begrijpt bovendien niet waarom men slechts driemaal aan het examen mag deelnemen.
De overgangsperiode brengt eveneens problemen mee. Het eerste examen zal immers plaatsvinden in 2001. De benoemingen van notarissen zouden echter geblokkeerd zijn vanaf 3 mei 1999.
Bijgevolg zou er zich een tekort aan notarissen voordoen en zou het niet mogelijk zijn dit tekort snel op te vullen in het kader van de nieuwe benoemings- voorwaarden.
Volgens de berekeningen van de vereniging van licentiaten in het notariaat zouden er ongeveer 370 notarissen te kort zijn om tijdens de overgangsperiode de werking van 's lands notariskantoren te waarborgen.
Spreekster vraagt hoe de benoemingen zullen verlopen tussen 3 mei 1999 (artikel 56, tweede lid, van het ontwerp) en de zes maanden volgende op de eerste benoemingen in 2002. Er zouden geen kandidaat-notarissen zijn vóór de herfst van 2001 en geen notarissen vóór de lente van 2002. Zou men dan het huidige systeem van de benoemingsvoorwaarden niet moeten behouden tot de resultaten van het examen concrete werkelijkheid worden ?
Wat de quota betreft, sluit spreekster zich aan bij de opmerkingen van de vorige spreker.
Deze laatste merkt op dat indien de 1 000 huidige kandidaat-notarissen zich inschrijven tijdens het eerste jaar dat de wet wordt toegepast en er 115 gekozen worden, dit betekent dat men meer dan 800 andere impliciet beschouwt als onvoldoende geschoold, terwijl ze jaren praktijkwerk achter de rug hebben en gewaardeerd worden door de notaris met wie ze samenwerken.
Wellicht zullen ze een tweede maal aan het examen deelnemen. Men zal er 80 selecteren. In het derde examen zal een nieuwe reeks van 80 in aanmerking komen. Dat betekent dat 700 van de huidige kandidaat-notarissen definief uitgesloten worden van de mogelijkheid om notaris en geassocieerd notaris te worden.
Men moet zich inbeelden wat een menselijk drama dit voorstelt voor mensen die een lange opleiding gevolgd hebben, die sinds jaren op een benoeming wachten, die voor het merendeel een gezin te onderhouden hebben en die hun perspectieven op een loopbaan definitief afgesloten zien.
Spreker wenst dat voor dit probleem een oplossing wordt gezocht.
De minister merkt op de eerste plaats op dat men om een associatie aan te gaan kandidaat-notaris moet zijn, dat wil zeggen dat men in een van de examens aanvaard moet zijn en door de Koning benoemd moet zijn.
Voor het overige zal alles afhangen van de overeenkomsten die gesloten worden met de notarissen-titularis. Dezen zullen dus niet moeten kiezen onder de drie best gerangschikte laureaten, zoals een spreker opgemerkt heeft.
Wat de overgangsperiode betreft, is bepaald dat de erenotarissen in afwijking van de normale regels als plaatsvervangend notaris zullen kunnen optreden. De procedure om tot plaatsvervangend notaris benoemd te worden is zeer kort zodat de notarisambten die na 3 mei 1999 zouden openvallen, bij wijze van overgangsmaatregel, snel opgevuld kunnen worden, in afwachting dat de benoemingen geschieden op basis van de nieuwe wet.
Deze procedure verhelpt ook de moeilijkheden die zich thans voordoen wegens het feit dat wanneer een notaris overlijdt, de benoemingsprocedure pas vanaf dat ogenblik van start kan gaan, zodat het vaak gebeurt dat de plaats gedurende een jaar vacant blijft, wat schadelijk is voor de kwaliteit van de dienstverlening aan het publiek.
De minister antwoordt dat de cijfers niet zomaar uit de lucht zijn gegrepen, maar wel zijn gebaseerd op een behoeftenstudie, op cijfers zoals zij uit de betrokken sector zijn medegedeeld.
Met betrekking tot de begrenzing tot een driemalige deelname aan het examen, is de minister van oordeel dat een beperking noodzakelijk is. Men zou moeten in staat zijn zijn bekwaamheid te bewijzen bij een driemalige deelname. Indien de kandidaten onbeperkt kunnen deelnemen wordt het examen gedevalueerd. Tevens zou dit degenen die meermaals hebben deelgenomen kunnen bevoordeligen; zij zouden zich immers kunnen beroepen op een zekere ervaring. De redenen van de beperking van de deelnamemogelijkheden lijken gegrond en objectief.
Een voorgaande spreker vestigt de aandacht op het feit dat de verschillende betrokkenen (universiteiten en notarissen) een gemeenschappelijk standpunt innemen op dit vlak. Waarom houdt de regering er dan aan dit tegen te spreken ? Op dit ogenblik blijken er in België 1 000 kandidaat-notarissen te zijn. Daarvan zullen er bij een eerste proef slechts 115 kandidaten worden weerhouden, wat betekent dat 880 mensen uit de boot vallen en niet bekwaam worden geacht. Op termijn zullen 700 mensen (die de volledige opleiding voor notaris alsook de stage hebben doorlopen) niet bekwaam worden geacht om notaris te worden. Dit brengt deze mensen een ware kaakslag toe en zal waarschijnlijk enkele menselijke drama's veroorzaken.
Daarenboven mag men niet uit het oog verliezen dat de kandidaat-notarissen zich meestal gespecialiseerd hebben in een welbepaalde materie, in afspraak met de zittende notaris. Deze persoon zal zich moeten herscholen. De jonge kandidaten die pas zijn afgestudeerd zullen meer kans hebben, aangezien zij zich op een bredere algemene vorming zullen kunnen beroepen. De zittende kandidaat-notarissen hebben dan minder kansen, waardoor er geen 115 op de 1 000, maar misschien slechts 20 of 30 in aanmerking zullen komen om het ambt uit te oefenen.
Hoe staat de minister tegenover deze grote groep van mensen die jarenlang als notaris hebben gewerkt met de achterliggende idee ooit zelf notaris te worden ?
Het lid pleit er dan ook voor deze kandidaat-notarissen alsdusdanig te erkennen, op voorwaarde dat hun stage reeds beëindigd is. De kandidaten die thans in de mogelijkheid zijn te postuleren zouden aldus beantwoorden aan de vereisten en als kandidaat notaris worden beschouwd. Dit betekent dan wel dat er plots een duizendtal notarissen zullen bijkomen. Het nadien toepassen van een quorum lijkt aanvaardbaar.
De cijfers die worden voorgesteld door de minister zijn volgens de betrokken notarissen te laag. Waarom houdt de minister eraan dat slechts een zeer beperkt aantal notarissen zich zouden mogen associeren ? Welk is de ratio legis hiervan ? De notarissen en de kandidaten, en ook de consument zijn immers vragende partij het aantal op te trekken.
Een ander lid is van oordeel dat het probleem zich voornamelijk toespitst op het feit dat een vergelijkend examen wordt ingericht, waarbij geluk een zeer grote rol speelt. Men kan immers het ongeluk hebben deel te nemen aan een vergelijkend examen waarbij een aantal briljante personen deelnemen. Het lijkt haar niet nuttig het aantal deelnames te beperken tot drie keer. Het resultaat van een vergelijkend examen is afhankelijk van het niveau van de andere kandidaten.
Spreekster heeft tevens vragen bij de overgangsmaatregel, waarbij een erenotaris voor de periode vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot een maand na de benoeming van de kandidaat-notarissen als plaatsvervanger kan optreden.
Tenslotte lijkt het aantal waartoe de kandidaten worden beperkt te laag. De universiteiten en de notarissen zelf schuiven andere cijfers naar voor dan de minister.
Wat betreft de beperking van het aantal kandidaten, onderstreept de minister dat deze problematiek in zijn juiste context moet worden geplaatst. Niet duizend, maar maximum 600 kandidaten postuleren geregeld als kandidaat-notaris. Een aantal licentiaten in het notariaat voelen zich niet geroepen om effectief het ambt van notaris uit te oefenen. Op 4 jaar zullen 335 kandidaten (het eerste jaar 115, het tweede en het derde jaar telkens 80, en het vierde jaar 60), of ruim de helft, in aanmerking komen voor het ambt van notaris. Dit is een totaal andere verhouding dan degene die werd voorgesteld. De beperking van het aantal kandidaten is volgens de minister ook noodzakelijk. Anders schept men illusies die men achteraf niet kan invullen. Het uitgangspunt van de discussie in de Kamer was dan ook zoveel mensen toe te laten als degenen waarvan men naar redelijke verwachting kunnen veronderstellen dat zij op een bepaald ogenblik notaris zullen kunnen worden benoemd. De verhouding 600/335 is een verhouding die perfect verdedigbaar is.
De opmerking dat een aantal mensen die reeds lang hebben gepresteerd in het notariaat met de bedoeling er een toekomst op te bouwen door dit ontwerp de pas zouden zijn afgesneden, lijkt bijzonder eigenaardig, aangezien het ontwerp juist de mogelijkheden verruimt.
In de huidige situatie hebben deze mensen nog minder kans om uiteindelijk de beroepsverantwoordelijkheid te dragen en het beroep uit te oefenen; door het wetsontwerp zullen er immers 200 à 300 notarissen bijkomen door de associatiemogelijkheid. Men kan dus niet stellen dat deze mensen worden gefnuikt in hun toekomstkansen. Integendeel, het ontwerp verruimt hun toekomstkansen.
De minister gaat dan ook niet akkoord met de opmerking van professor Dewulf dat er geen studenten in het notariaat meer zullen zijn omdat men de toekomstkansen volledig wegneemt. Men zal juist de weg afsluiten voor de studenten als men alle plaatsen zeer snel opvult, zonder dat men enige controle verricht naar de kwaliteit, maar enkel de opportuniteiten laat spelen.
Wat de juistheid van de cijfers betreft, merkt de minister op dat niemand ten gronde het getal van 60 in vraag stelt. De discussie betreft dus vooral de overgangsmaatregel, waarbij het getal van respectelijk 115,80 en 80 niet voldoende wordt geacht. Men mag niet uit het oog verliezen dat vooral degenen die er rechtstreeks belang bij hebben deze kritiek uiten, zijnde de licenciaten die zich moeten zien te kwalificeren binnen het vergelijkend examen en die uiteraard voorstander zijn van geen enkele controle over de kwaliteit, maar enkel de relatie met de zittende notaris als belangrijk element zouden naar voor schuiven. Anderzijds zijn het vooral de notarissen die een bepaalde kandidaat specifiek op het oog hebben die voorstander zijn van geen enkele controle op de kwaliteit vanwege de overheid en de vrije keuze en uiteindelijke verantwoordelijkheid bij hen zouden willen leggen. Het ontwerp is van oordeel dat eenzelfde controle over de kwaliteit dient te worden uitgeoefend of de kandidaat in een associatie stapt of niet.
De minister oppert dat het evident is dat de licentiaten vragen dat er meer mensen kunnen slagen. Niemand is uiteraard vragende partij om te mogen deelnemen aan een examen. Hier gaat men ervan uit dat degene die in aanmerking komen om benoemd te worden als notaris degenen zijn die aan de hoogst mogelijke kwalitatieve vereisten voldoen. Het is beter van in den beginne duidelijk te maken hoeveel mensen in aanmerking kunnen komen.
In de huidige situatie zijn er meer kandidaten en is het dus voor meerdere mensen een zuivere illusie. Nu zijn er soms 20 à 30 kandidaten die postuleren voor een plaats.
Het is beter vooraf te stellen dat er slechts een bepaald aantal kandidaten zullen worden weerhouden en dat de selectie gebeurt op basis van een objectief gegeven, met name de vergelijkende proef. Dit is veel correcter en objectiever dan de illusie te geven kunnen benoemd te worden. De mogelijkheiden om benoemd te worden zullen worden verruimd via de mogelijkheid van associatie.
Wat de aanwijzing van de plaatsvervangende notarissen betreft, preciseert de minister dat deze idee voortspruit uit een oude wet waarbij de plaatsvervanging enkel in oorlogstijd was voorzien. Dit systeem werd terug ingeroepen om een oplossing te bieden bij overlijden van een notaris. In de Kamer werd het ontwerp geamendeerd om te stellen dat de erenotarissen misschien niet de meest aangewezen personen zijn om als plaatsvervanger te fungeren omdat zij zelf de beslissing hebben genomen ontslag te nemen. Daarom is hun mogelijk optreden enkel voorzien bij overgangsmaatregel, omdat er nog geen kandidaat notarissen zijn. De aanwijzing gebeurt door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, na advies te hebben ingewonnen bij de kamer van notarissen.
Een ander lid is van oordeel dat het voorgestelde systeem een verregaande discreditering vormt van het bestaande benoemingssysteem. Men gaat er blijkbaar van uit dat de vereiste universitaire diploma's niets bewijzen. Tevens heeft spreker kritiek op de wijze waarop de wet in werking treedt. Normaal wordt een nieuwe wet van toepassing wanneer ze operationeel kan zijn, namelijk wanneer de examens zijn afgenomen en men de kandidaten kan benoemen. Hier stelt men dat het bestaande systeem in ieder geval moet beëindigd worden op 3 mei 1999. De bestaande wet wordt geschorst op 3 mei 1999, zonder dat de nieuwe wet operationeel is. Intussen lost men dit op met erenotarissen. Uiteraard wordt het kantoor intussen geschaad. De erenotaris zal niet dezelfde activiteit en impact hebben, hetgeen een rechtstreekse invloed zal hebben op de kwaliteit van het notariaat. Deze overgangsmaatregel stond trouwens niet in het oorspronkelijk ontwerp.
De minister aanvaardt het argument niet dat het de bedoeling zou zijn geweest van de regering om het notarisambt te criminaliseren.
Ten tweede heeft deze overgangsmaatregel betrekking op de notarissen die overleden zijn en niet op degenen die op een bepaald ogenblik ontslag nemen.
Bovendien bestaat het risico dat het ganse systeem wordt uitgehold wanneer men gedurende lange tijd in het systeem van de oude wet zou kunnen functioneren. Vele notarissen hebben trouwens hun voorzorgen genomen en hebben ontslag genomen om te kunnen vallen onder de toepassing van de oude wet. De overgangsmaatregel is beperkt tot het geval van overlijden van een notaris en ten tweede is dergelijke reglementering noodzakelijk om te voorkomen dat de nieuwe wetgeving uitgehold wordt door een al te lange overgangsregeling waardoor men gedurende jaren het oude systeem kan blijven toepassen.
Een lid behoudt zijn standpunt betreffende het aantal kandidaten. De minister schuift een getal van 600 kandidaten naar voor die regelmatig postuleren. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat niet alle kandidaat-notarissen postuleren. Nochtans lijkt het getal 600 hem te gering. De notarissen zelf hebben het over 1 000 kandidaten. Zelfs al is dit getal misschien wat overdreven, het moet in ieder geval gaan om 900 kandidaten.
Tevens moet men er rekening mee houden dat binnen de termijn van 4 jaar ook nieuwe kandidaten zullen afstuderen. Als men de berekening correct maakt, komt men minstens tot een verhouding van twee derde of drie vierden van de huidige kandidaten die geen kans hebben om benoemd te worden. Als men daar de limiet van het aantal deelnames aan koppelt, zogenaamd in het belang van de kwaliteit, is dit overdreven. Tot op heden moesten de notarissen geen examen afleggen. Betekent dit dat men nu over zeer slechte notarissen beschikt ? Is een universitaire scholing en drie jaar stage niet voldoende ? Het aantal moet in elk geval aanzienlijk worden verhoogd. De notaris die zich wil assocïeren moet iemand uit de 60 nemen, en de kandidaat-notaris die niet geslaagd is maar bij hem op kantoor werkt, zal uit het kantoor verdwijnen ten voordele van een nieuwe vreemde kandidaat-notaris.
De minister antwoordt dat het cijfer 600 gebaseerd is op de werkelijke kandidaturen van de laatste jaren. Dit zijn de ruwe cijfers van degenen die zich kandidaat hebben gesteld. De notaris die zich wil associëren heeft er geen enkel belang bij te assocïeren met iemand die niet geslaagd is in de proef en dus niet bekwaam is.
Tevens verwerpt de minister de redenering dat iemand die op een kantoor werkt dermate gespecialiseerd is dat hij niet zal slagen. Integendeel kent zulke persoon het reilen en zeilen van het notariaat en is hij goed geplaatst om wel te slagen in de proef. Als men niet in staat is zich te klasseren in een vergelijkende proef, hetzij in de eerste 115, hetzij bij de 80 of 60, is er een probleem. Het is beter dat alleen degenen die een werkelijk perspectief hebben kandidaat-notaris zijn.
Volgens een lid gaat het om de vraag welk verband er bestaat tussen het examen en de kennisdomeinen. In welke mate is het examen een echte bekrachtiging van de kennisdomeinen of van andere kwaliteiten dan die men verworven heeft door het opdoen van ervaring in een notariskantoor ? Dat vereist dat men de aard van het examen onderzoekt.
Een andere spreekster heeft vooral vragen bij het systeem van het vergelijkend examen. Een examen voor beroepsbekwaamheid lijkt haar rechtvaardiger. Het feit dat men bij de eersten gerangschikt is, vormt geen objectief gegeven wat de kwaliteit betreft.
De minister verwijst naar de examens voor de magistratuur. Het vergelijkend examen biedt meer mogelijkheden dan een examen voor beroepsbekwaamheid.
Een vorige spreekster is van oordeel dat de situatie van de magistraten niet vergelijkbaar is. Inderdaad hebben de notarissen reeds een specifieke universitaire opleiding.
Een ander lid sluit hierbij aan. Er is immers een andere proef (met een ander examenprogramma) voor de kandidaten magistraten met anciënniteit dan voor de jonge, pas afgestudeerde kandidaten magistraten. Mensen met beroepservaring slagen immers niet voor een examen met dezelfde vragen als voor studenten van 20 jaar. Dezelfde normen en criteria worden hier toegepast voor de ganse groep, hoewel deze zeer divers is samengesteld.
Spreker heeft geen bezwaar tegen het invoeren van de proef, maar men mag de universitaire diploma's niet onderschatten. Daarom moet men zich afvragen of er niet best verschillende proeven worden ingesteld. Een tweede vraag betreft de cijfers. De minister stelt dat de cijfers worden bepaald door degenen die kunnen worden benoemd. Betekent dit dat men slechts kandidaat kan zijn als men kan benoemd worden ? Meestal biedt men wat meer ruimte om zich kandidaat te stellen. De getallen lijken hem echter bijkomstig.
Het grote probleem is dat een aantal mensen die jarenlang een professionele activiteit hebben aan hetzelfde regime worden onderworpen dan de pas afgestudeerden. De proef zou voor die mensen anders moeten worden samengesteld. Zoniet wordt een bepaalde vorm van kennis bevoordeeld. De omschrijving van het examen is zeer vaag en het risico bestaat dat een bepaalde vorm van kennis wordt bevoordeeld en dat ervaring, inzicht en probleemoplossend vermogen minder aan bod zouden komen.
3.1. Artikel 2 pensioenleeftijd artikel 2 van de wet op het notarisambt
Zie ook supra algemene bespreking 2.2.
Met betrekking tot het voorgestelde artikel 2, eerste lid, wenst een lid te weten of er geen vacuüm dreigt te ontstaan wanneer de ontslagnemende notaris op de leeftijd van zevenenzestig jaar nog niet is vervangen.
De minister antwoordt dat er voor de notarissen die de leeftijdgrens bereiken, dezelfde regeling is uitgewerkt als voor de ambtenaren. Een jaar voor het bereiken van die grens worden zij als ontslagnemend beschouwd zodat met de procedure om te voorzien in zijn vervanging een aanvang kan worden genomen. De ontslagnemende notaris mag instrumenteren tot de leeftijd van zevenenzestig jaar.
Om problemen bij de opvolging te voorkomen, wordt de procedure voor de benoeming van een vervanger een jaar voor de zevenenzestigste verjaardag van de ontslagnemende notaris ingeleid, te beginnen met de publicatie van de vacature in het Belgisch Staatsblad . Zij eindigt met de bekendmaking van het benoemingsbesluit van de opvolger op de dag dat de ontslagnemende notaris de leeftijd van zevenenzestig jaar bereikt.
Een lid wenst te weten of deze periode van een jaar voldoende is om een vacuüm te vermijden. Aangezien er zich bij de opvolging allerlei betwistingen kunnen voordoen, acht hij het raadzaam om, in navolging van artikel 2, tweede lid, te bepalen dat de ontslagnemende notaris kan blijven instrumenteren totdat zijn opvolger is benoemd.
De minister antwoordt dat in de Kamercommissie voor de Justitie over de problematiek van de leeftijdsgrens werd gediscussieerd. Aangezien men vreesde dat de leeftijdsgrens zou worden omzeild, werd beslist dat de aanstelling van de notaris een einde neemt op de leeftijd van zevenenzestig jaar.
Indien de opvolging uitzonderlijk toch niet binnen het jaar kan worden afgerond, kan de continuïteit van het kantoor worden verzekerd door de aanstelling van een plaatsvervanger die een kandidaat-notaris kan zijn (de door artikel 37 voorgestelde artikelen 63 en volgende van de wet op het notarisambt).
Spreker wijst erop dat de benoemingsprocedure in de nieuwe regeling sneller dan vandaag en dus op minder dan een jaar kan worden beëindigd. Dat komt omdat de termijnen binnen welke de adviezen moeten worden verleend bij wet zijn vastgelegd en er een rangschikking wordt opgemaakt van de drie meest geschikte kandidaten.
Het lid verklaart dat hij zich niet tegen het principe van de leeftijdsgrens van zevenenzestig jaar verzet, maar dat hij in het belang van de rechtzoekende wenst te voorkomen dat een cliënt die bijvoorbeeld wegens een vervaltermijn of contractuele verplichtingen op korte termijn een belangrijke akte wenst te laten verlijden, node moet vaststellen dat zijn notaris wiens aanstelling een einde heeft genomen, nog niet is vervangen. Met het systeem van de plaatsvervanging zullen eventuele overbruggingsproblemen evenwel vlot kunnen worden opgelost.
3.2. Artikel 3 ambtsuitoefening artikel 5 van de wet op het notarisambt
Zie ook supra algemene bespreking 2.3.
De minister verklaart dat de afwijkende regeling vervat in het voorgestelde artikel 5, § 1, voor de notarissen met standplaats in de gerechtelijke arrondissementen Verviers of Eupen een historische oorsprong heeft. Gelet op de geringe omvang van deze arrondissementen mogen de notarissen die er hun standplaats hebben, hun ambt uitoefenen in deze twee arrondissementen.
Een lid merkt op dat de in artikel 5, § 2, bepaalde uitzondering op de regel dat notarissen enkel binnen hun ambtsgebied akten mogen verlijden, zal inslaan als een bom. Hij voorziet dat heel wat notarissen uit het binnenland zich naar de kust zullen begeven omdat hun cliënten zich fysiek niet in staat achten zich te verplaatsen naar het kantoor van de instrumenterende notaris.
De minister antwoordt dat een strikte interpretatie moet worden aangehouden.
Deze uitzondering geldt niet voor alle akten, maar uitsluitend voor de gevallen waarin de partijen enkel door persoonlijke verschijning kunnen optreden in de akte. Het gaat inzonderheid om testamenten, schenkingen en volmachten. Huwelijkscontracten horen daar niet bij omdat ze zakenrechtelijke overeenkomsten zijn. Akten van bekendheid evenmin. Zij komen in de praktijk trouwens zelden voor omdat de notaris thans een erfrechtverklaring opstelt.
Op de vraag wat het nut is van deze uitzondering als het toepassingsgebied zo beperkt is, antwoordt de minister dat bepaalde specifieke situaties toch moeten kunnen worden opgevangen. Bijvoorbeeld wanneer een patiënt die in een ziekenhuis is opgenomen buiten het arrondissement waar zijn vertrouwennotaris zijn standplaats heeft, op deze laatste een beroep wenst te doen om zijn testament op te maken of wanneer een persoon die in een instelling verblijft, een volmacht wenst te geven. Het gaat dus om een sociale maatregel.
3.3. Artikel 10 toevoeging van een kopie van een vroegere akte artikel 25 van de wet op het notarisambt artikel 11 van de aangenomen tekst
Zie ook supra algemene bespreking 2.5.
Een lid stelt zich vragen over het toevoegen van een kopie van de vroegere akten. Hij haalt het voorbeeld aan van een onroerende verrichting waarbij alle erfdienstbaarheden uit het verleden worden opgesomd. Moeten al de vroegere verleden akten bij de uitgifte worden gevoegd ? Of kan men hier rekening houden met een termijn van dertig jaar die normaal volstaat voor de opzoeking ?
De minister onderstreept dat de tekst een toevoeging vormt van artikel 25, dat handelt over de uitvoerbare kracht van akten. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie kan worden afgeleid dat er een probleem rijst met betrekking tot de uitvoerbare kracht van akten waarnaar wordt verwezen. Alle teksten die in de akte zelf zijn opgenomen krijgen automatisch uitvoerbare kracht. Wanneer er dus in een bepaalde akte wordt verwezen naar een vroegere akte, wordt vaak tegengeworpen bij de uitvoering van de akte dat de tekst waarnaar verwezen wordt, maar die niet in de akte zelf is opgenomen, zelf geen uitvoerbare kracht bezit omdat deze niet in het instrumentum zelf is opgenomen. Artikel 10 wenst aan deze problematiek tegemoet te komen door te stellen dat wanneer er naar een akte verwezen wordt, ook die akte uitvoerbaar is, op voorwaarde dat aan dezelfde formaliteit is voldaan als voor de uitvoerbare kracht van de akte zelf.
Als er naar een akte wordt verwezen, zonder dat ze letterlijk wordt aangehaald, moet ze bij de hoofdakte worden gevoegd, indien men wil dat zij uitvoerbare kracht heeft. Het artikel betreft dus een vroeger verleden akte die niet letterlijk wordt aangehaald.
Een lid verwijst naar artikel 1 van de hypotheekwet dat stelt dat alle erfdienstbaarheden het voorwerp moeten uitmaken van publiciteit bij de hypotheekbewaarder. Als men een vervreemding doet moet de notaris vermelden dat er een efdienstbaarheid op het onroerend goed rust. Hij moet immers de burgerlijke stand van het onroerend goed vermelden in de akte. Indien zij niet worden vermeld kan worden geacht dat de koper afstand doet van de erfdienstbaarheid.
Men mag niet uit het oog verliezen dat de bedoeling is de burger die een onroerend goed verwerft beter voor te lichten.
De minister is van oordeel dat in de praktijk alle gekende erfdienstbaarheden letterlijk worden aangehaald in de akte. Het artikel beoogt de uitvoerbare kracht van akten. De erfdienstbaarheden vormen geen goed voorbeeld, aangezien dit zakelijke rechten zijn die tegenstelbaar zijn aan derden van zodra ze zijn overschreven volgens artikel 1 van de hypotheekwet. Het artikel beoogt meer het verwijzen naar algemene voorwaarden bij verkavelingen of concessieovereenkomsten gevestigd in vroegere titels. Een letterlijke aanhaling is niet noodzakelijk, maar om uitvoerbare kracht te hebben, moeten die vroegere akten dan worden toegevoegd.
3.4. Artikel 16 bewaargeving artikel 33 van de wet op het notarisambt (artikel 17 van de aangenomen tekst)
Zie ook supra algemene bespreking 2.6.
Een lid wijst erop dat 100 000 frank op zichzelf niet zo'n hoog bedrag is. Men krijgt echter een verschillende situatie als de notaris 100 000 frank ontvangt van 100 cliënten. Het risico van het kantoor wordt niet beperkt tot 100 000 frank per cliënt.
De minister antwoordt dat de wet thans 20 000 frank bepaalt, maar dat deze dateert van 1936. Een aanpassing was dus noodzakelijk. Bovendien moet rekening worden gehouden met de boekhoudkundige regels van het notariaat, die bepalen dat een notaris daarenboven niet meer dan 100 000 frank aan kassaldo in zijn bezit mag hebben en dat hij verplicht is dit bij een financiële instelling te deponeren. De problematiek die hier wordt aangesneden is de vraag vanaf wanneer een geïndividualiseerde rekening moet worden geopend voor een bepaalde cliënt of een bepaald dossier.
Thans bepaalt de wet dat de notaris een geldsom niet langer dan drie maanden mag bewaren voor hij ze op een rekening moet zetten. Deze termijn wordt verminderd tot een maand. Een snellere opvolging is mogelijk door het huidige boekhoudkundig systeem. Dit geld moet worden gestort in een afzonderlijke rubriek.
Overeenkomstig artikel 60.3 van het Reglement van de Senaat wordt de artikelsgewijze bespreking slechts geopend over artikelen waarop amendementen worden ingediend, alsook over artikelen waarvan de toevoeging bij amendement wordt voorgesteld.
Artikel 1
Aangezien de voorgestelde hervorming wordt doorgevoerd met een gesplitst wetsontwerp, waarvan het eerste onder de optioneel bicamerale procedure valt (artikel 78 van de Grondwet; Stuk Kamer, nr. 1432/26, 97/98) en het tweede onder de verplicht bicamerale (artikel 77 van de Grondwet; Stuk Kamer, nrs. 1433/27 en 28, 97/98), dient volgens een lid te worden onderzocht of de kwalificatie die aan de in het optioneel bicameraal ontwerp vervatte bepalingen is gegeven, wel correct is.
Drie artikelen roepen in dat verband vragen op.
a. Er doet zich alleszins een probleem voor met betrekking tot het voorgestelde artikel 38, § 5, derde lid (artikel 21 van het ontwerp), luidens hetwelk de overige werkende leden en hun plaatsvervangers (van de benoemingscommissie, die geen notaris zijn) afwisselend door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat worden aangewezen met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
Op deze wijze wordt volgens de optioneel bicamerale procedure bepaald hoe de stemming in de Senaat dient te verlopen. Dit voorschrift gaat regelrecht in tegen de artikelen 53 en 60 van de Grondwet.
Artikel 53 bepaalt met betrekking tot de federale Kamers dat elk besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen wordt genomen, behoudens hetgeen door de reglementen der Kamers zal worden bepaald met betrekking tot verkiezingen en voordrachten. Bij staking van stemmen is het behandelde voorstel verworpen. Geen van beide Kamers kan een besluit nemen indien niet de meerderheid van haar leden aanwezig is.
Overeenkomstig artikel 60 bepaalt elke Kamer, in haar reglement, de wijze waarop zij haar bevoegdheden uitoefent.
Het voorgestelde artikel 38, § 5, derde lid, houdt dus een verregaande innovatie in. De Kamer zou immers de bevoegdheid krijgen om de werking van de Senaat te bepalen volgens de optioneel bicamerale procedure. Dit is een stap zonder voorgaande omdat de grondwettelijke waarborgen voor de Senaat aldus terzijde worden geschoven. Dat zal de rechtzoekende ertoe verplichten zich tot het Arbitragehof te wenden wegens kennelijke schending van het gelijkheidsbeginsel. De door de Grondwet aan de Senaat toegekende bevoegdheden zouden via de optioneel bicamerale procedure aan deze assemblee kunnen worden ontnomen, hetgeen bij terugkaatsing een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel, aangezien artikel 53 handelt over de federale Kamers en niet uitsluitend over de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De Raad van State heeft in zijn advies trouwens uitdrukkelijk gesteld dat de voorgestelde bepaling niet verenigbaar is met artikel 60 van de Grondwet (Stuk Kamer, nrs. 1432-1 en 1433-1, 97/98, blz. 139, artikel 15, § 3, punt 4).
In dit verband moet worden aangestipt dat, toen er zich een zelfde probleem voordeed met betrekking tot de benoemingscommissies voor de magistratuur, de integraal bicamerale procedure werd toegepast.
Indien het zou gaan om een interpretatie van de artikelen 53 en 60 van de Grondwet, met name of voor een bepaalde aangelegenheid de in de Grondwet bepaalde meerderheid geldt dan wel of de Kamers dit in hun onderscheiden reglementen mogen bepalen, dient het integrale bicamerisme te worden toegepast wanneer beide Kamers van oordeel zijn dat er voor de goedkeuring van wetgeving waarvoor Kamer en Senaat gelijkelijk bevoegd zijn, een sterkere meerderheid vereist is. Het is uitgesloten dat de voormelde grondwetsbepalingen met een optioneel bicamerale wet zouden worden geïnterpreteerd.
Indien het voorgestelde artikel 38, § 5, derde lid, volgens de optioneel bicamerale procedure zou worden goedgekeurd, ligt de weg breed open voor de kandidaten die zich door een beslissing van de benoemingscommissie benadeeld achten, om een beroep tot vernietiging in te stellen bij het Arbitragehof. Aldus zou er vanaf haar inwerkingtreding op deze wet een hypotheek rusten.
b. Een tweede probleem waarover spreker minder uitgesproken is, betreft het schriftelijk en gemotiveerd advies dat de procureur des Konings krachtens het voorgestelde artikel 39, § 3, 1º (artikel 21 van het ontwerp), dient te verlenen over de kandidaten die tot kandidaat-notaris wensen te worden benoemd.
De Raad van State merkte in zijn advies dienaangaande het volgende op :
« Zo is het feit alleen dat een magistraat van de rechterlijke macht zitting dient te hebben in een adviesorgaan dat de administratieve overheid moet inlichten en benoemingsvoordrachten moet doen, geen voldoende reden om ervan uit te gaan dat op de bepaling houdende oprichting van dat adviesorgaan de regeling van het integraal bicamerisme moet worden toegepast. De zaak is echter anders gesteld wanneer het ontwerp ertoe strekt nieuwe bevoegdheden op te dragen aan organen van de rechterlijke macht die in die hoedanigheid handelen (bijvoorbeeld de adviesbevoegdheid van de procureur des Konings). » (Stuk Kamer, nrs. 1432/1 en 1433/1, 97/98, blz. 131).
Het voorgestelde artikel 39, § 3, 1º, beperkt de adviesbevoegdheid echter tot de vraag of de kandidaat veroordelingen heeft opgelopen en of er een strafonderzoek hangende is. Er zal nader moeten worden onderzocht of deze bepaling een aangelegenheid betreft als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
c. Een derde artikel dat volgens de Raad van State onder artikel 77 van de Grondwet kan ressorteren, is het voorgestelde artikel 571 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 44 van het ontwerp) krachtens hetwelk aan de rechtbank van eerste aanleg, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, een bevoegdheid wordt toegekend inzake tuchtrecht.
Een lid verklaart het daarmee eens te zijn. Hij stelt vast dat een aantal van de bepalingen over de samenstelling en de werkwijze van de Kamer van notarissen in tuchtzaken voorkomen in het gewoon bicameraal ontwerp en andere dan weer in het optioneel bicameraal ontwerp.
Zo bepaalt het gewoon bicameraal ontwerp dat de Kamer van notarissen ten minste één lid moet tellen afkomstig uit elk gerechtelijk arrondissement van het genootschap van notarissen, terwijl het optioneel bicameraal ontwerp een verschillende geografische afbakening van de Kamer van notarissen hanteert.
Spreker vraagt zich af volgens welke criteria deze bepalingen over de twee ontwerpen werden verdeeld.
De minister antwoordt dat artikel 39 van het optioneel bicameraal ontwerp wel degelijk de artikelen 76 en 77 bevat, die handelen over alle bevoegdheden van de kamers van notarissen doch niet over tuchtzaken.
Artikel 40 van hetzelfde ontwerp handelt over de adviesprocedure, die ook werd geacht geen onderdeel te vormen van de tuchtprocedure stricto sensu .
Als volkomen bicameraal daarentegen werden beschouwd de artikelen die handelen over de bevoegdheid in tuchtzaken en over de samenstelling van het orgaan dat dit bevoegdheid uitoefent.
Deze ontwerpen bieden het voordeel dat zij alle bepalingen van de vernieuwde wet van 25 ventôse groeperen zodat de rechtspracticus vlotter een overzicht krijgt van de wetgeving.
Voorlopig heeft men niet geraakt aan het kader van de wet van 25 ventôse om de hervorming niet nodeloos moeilijk te maken en de herkenbaarheid van de wet te bevorderen.
Wat de taak betreft die het optioneel bicameraal ontwerp aan de procureur geeft, verklaart de minister dat het niet om een nieuwe taak gaat. De procureur deelt mee of de betrokkene veroordelingen heeft opgelopen en of er tegen hem een strafonderzoek loopt.
Bijgevolg lijken de ontworpen bepalingen over die bevoegdheid wel degelijk te vallen onder artikel 78 van de Grondwet.
Over de reglementaire bevoegdheid die de Kamer van notarissen krijgt, zij erop gewezen dat de Koning de voorstellen van die kamer moet bekrachtigen.
Bijgevolg zou de betrokken bepaling eveneens kunnen blijven staan in het optioneel bicameraal deel van het ontwerp.
Daar staat dan weer tegenover dat artikel 21 van het ontwerp en meer bepaald artikel 38, § 5, derde lid, onder artikel 77 van de Grondwet valt en aan de parlementaire commissie van overleg zou moeten worden voorgelegd voor een nieuwe kwalificatie.
De commissie verklaart het eens te zijn met dit voorstel met 8 stemmen bij 1 onthouding.
De overlegcommissie besliste op 24 maart 1999 de voorgestelde artikelen 38, § 5, derde lid (artikel 21 van het ontwerp-artikel 22 van de aangenomen tekst) en artikel 53, tweede lid (artikel 54 van de aangenomen tekst) van het optioneel bicameraal ontwerp (Stuk Senaat, nr. 1-1276, 1998-1999) over te hevelen naar het volledig bicameraal ontwerp (Stuk Senaat, nr. 1-1277, 1998-1999). Daartoe werden de amendementen nrs. 2 en 3 ingediend op het volledig bicameraal ontwerp en de amendementen nrs. 28 en 31 op het optioneel bicameraal ontwerp (cf. infra ).
Artikel 4bis (artikel 5 van de aangenomen tekst)
De heer Erdman dient een amendement in tot invoeging van een artikel 4bis (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 20), luidende :
« Een artikel 4bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 4bis. In artikel 8 van dezelfde wet, vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 213 van 13 december 1935, bekrachtigd door het enig artikel van de wet van 4 mei 1936, en achteraf gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 1 maart 1950, worden de woorden « in de zijlijn tot een met de graad van oom en neef » vervangen door de woorden : « in de zijlijn tot en met de derde graad. »
Verantwoording
De verwijzing naar oom en neef in artikel 8 dateert nog van de periode van vóór 1958 toen vrouwen nog niet tot het notarisambt werden toegelaten.
De onbevoegdheid « ratione personae » die beoogd wordt, gaat in de zijlijn tot en met de derde graad. Dit amendement past de tekst van artikel 8 in deze zin aan.
De minister heeft hiertegen geen bezwaar.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Artikel 5 (artikel 6 van de aangenomen tekst)
Zie ook supra algemene bespreking 2.4.
Een lid stipt aan dat het tweede lid van artikel 5 handelt over tegenstrijdige belangen en manifest onevenwichtige bedingen. Voor vele akten zijn de tegenstrijdige belangen echter de regel. Van zodra er twee partijen optreden kunnen er immers tegenstrijdige belangen zijn. Zo kan men stellen dat de koper en de verkoper tegenstrijdige belangen hebben. Ook bij de verdeling van de nalatenschap staat men voor potentieel strijdige belangen. Het artikel kan aldus aanleiding geven tot een zeer ruime interpretatie, die met zich brengt dat de mogelijkheid voor een tweede notaris openstaat voor een ganse reeks akten. Is dit niet strijdig met de opinie over de notaris, die wordt beschouwd als een openbaar ambtenaar die objectief moet optreden en niet de belangen van een bepaalde partij dient te bevorderen. Ook het criterium van de manifest onevenwichtige bedingen doet vragen rijzen. Beoogt men hier per hypothese een notaris die de partijen wijst op de manifest onevenwichtige bedingen die hij in de akte heeft neergeschreven ?
De minister verduidelijkt dat het uitgangspunt wordt gevormd door het feit dat de notaris in bepaalde omstandigheden wordt geconfronteerd met overeenkomsten van partijen, zoals een verkoopcompromis, waarbij de notaris wordt verzocht hun overeenkomst te bevestigen. Hier wordt voor de notaris de verplichting ingebouwd om de partijen op eventueel onevenwichtige bedingen te wijzen. Het betreft dus een versterking van de adviesplicht van de notaris. Tijdens de discussie in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd voornamelijk verwezen naar het afhandelen van een scheiding, waar de notarissen er de beide partijen zouden moeten op wijzen dat zij er in sommige omstandigheden belang bij zouden kunnen hebben zich tot een raadsman te wenden. Het advies van de notaris verplicht de partijen tot niets.
Een lid vraagt wat de sanctie zal zijn en hoe het bewijs eventueel zal worden geleverd in het kader van de notariële aansprakelijkheid, indien de notaris tekortschiet aan deze verplichting.
Een ander lid antwoordt dat de notaris zich zal indekken door een uitdrukkelijke vermelding in de akte. Thans wordt ook formeel vermeld dat de notaris aan de partijen lezing heeft gegeven van de bepalingen van de akte.
De heren Vandenberghe en Bourgeois dienen een amendement en een subsidiair amendement in, luidende :
Hoofdamendement (St. Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 25) :
In het tweede lid van § 1 van het voorgestelde artikel 9 de woorden « tegenstrijdige belangen of » schrap
pen.
Verantwoording
De formulering « tegenstrijdige belangen » is te ruim. Bij de meeste akten zijn er steeds partijen met tegenstrijdige belangen betrokken (koop-verkoop, schenker-begiftigde, EOT, ...).
Subsidiair amendement (St. Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 33) :
In § 1, tweede lid, van het voorgestelde artikel 9, de woorden « Wanneer een notaris tegenstrijdige belangen of de aanwezigheid van manifest onevenwichtige bedingen vaststelt » vervangen door de woorden « Wanneer een notaris manifest tegenstrijdige belangen of de aanwezigheid van duidelijk onevenwichtige bedingen vaststelt ».
Verantwoording
De formulering « tegenstrijdige belangen » is te ruim. Bij de meeste akten zijn er steeds partijen met tegenstrijdige belangen betrokken (koop-verkoop, schenker-begiftigde, EOT, ...).
De minister verklaart het eens te zijn met het subsidiair amendement, dat de tekst wel degelijk verduidelijkt.
Het hoofdamendement wordt ingetrokken.
Het subsidiair amendement wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
In het voorgestelde artikel 9, § 1, tweede lid, van de Nederlandse tekst wordt het woord « bijzondere » geschrapt. Op dezelfde plaats in de Franse tekst worden de woorden « la toute particulière attention » vervangen door de woorden « l'attention ».
Artikel 8 (artikel 9 van de aangenomen tekst)
De minister stipt aan dat hier een wijziging dient te worden aangebracht. De tweede zin van het eerste lid van het voorgestelde artikel 12 dient een tweede lid te vormen, zodat de verwijzing van artikel 114 enkel slaat op dit nieuwe lid.
In het derde lid van artikel 12 wordt vermeld dat de akte wordt toegelicht. Een lid vraagt of dit betekent dat de voorlezing vervalt?
De minister bevestigt dat men inderdaad is overgestapt van het systeem waarbij alles integraal wordt voorgelezen naar een systeem waar enkel de essentiële zaken integraal worden voorgelezen, alsook de zaken die gewijzigd zijn ten aanzien van het voorontwerp dat aan de partijen is overgezonden.
Een lid verwijst naar het laatste lid van het artikel waar sprake is van de gedeeltelijke of integrale voorlezing. Wat is het verband met het derde lid?
De minister verduidelijkt dat het principe de toelichting is. Het laatste lid stelt dat de akte zelf vermeldt op welke wijze zij werd voorgelezen of toegelicht, zodat controle mogelijk is of de voorwaarden voor beperkte voorlezing wel aanwezig waren.
Een lid vraagt of de verschillende mogelijkheden niet best in een artikel worden samengebracht.
De heren Vandenberghe en Bourgeois dienen een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 26), luidende :
« a) De laatste zin van het eerste lid van het voorgestelde artikel 12 uit dit lid schrappen en opnieuw invoegen als een nieuw tweede lid.
b) In het derde lid, dat het vierde lid wordt, de woorden « het eerste lid » vervangen door de woorden « het eerste en het tweede lid. »
Verantwoording
In de Kamer van volksvertegenwoordigers werd een amendement aangenomen waardoor in het voorgestelde artikel 114 (artikel 43 van het ontwerp) de oorspronkelijke verwijzing naar artikel 12, eerste lid, werd gewijzigd in een verwijzing naar artikel 12, tweede lid (zie Stuk Kamer, 1432/22, 97/98, nr. 75).
Deze wijziging kan enkel worden verklaard in functie van het doorvoeren van een splitsing van het eerste lid van het voorgestelde artikel 12. Dit laatste is evenwel door de Kamer klaarblijkelijk vergeten.
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Een lid stipt aan dat de verwijzing naar artikel 12, tweede lid in artikel 43 in de tekst van de Kamer van volksvertegenwoordigers niet klopt. Tevens is hij van oordeel dat de tekst van artikel 43 beter herschreven wordt. Het is van belang de draagwijdte van de nietigheid te kennen.
Spreker stipt aan dat in het thans bestaande systeem de vermeldingen in de authentieke akte waar zijn, tenzij inschrijving wegens valsheid. De oorspronkelijke tekst in de Kamer van volksvertegenwoordigers koppelde de nietigheid aan de schending van het belang. Is dit geschrapt in de aangenomen tekst?
De minister antwoordt bevestigend. Indien een vordering tot nietigheid wordt ingediend, moet men in ieder geval een belang kunnen aantonen.
Artikel 18 artikel 35 van de wet op het notarisambt benoeming tot kandidaat-notaris (artikel 19 van de aangenomen tekst)
De heren Foret en Desmedt dienen amendement nr. 1 in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« Paragraaf 2 van het voorgestelde artikel 35 vervangen als volgt :
« § 2. Na het advies van elke benoemingscommissie voor het notariaat ingewonnen te hebben, stelt de Koning ieder jaar het aantal te benoemen kandidaat-notarissen, per taalrol, vast. Dit aantal wordt vastgesteld door de Koning op basis van het aantal te benoemen notarissen-titularis, op basis van het aantal aangewezen plaatsvervangende notarissen en op basis van de behoefte aan geassocieerden. De taalrol wordt bepaald door de taal van het diploma.
Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid wordt jaarlijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt samen met een oproep tot kandidaatstelling. »
Verantwoording
Het ontwerp handhaaft het beperkte aantal open plaatsen maar voorziet in de mogelijkheid voor de notarissen-titularis om zich te associëren met kandidaat-notarissen. Dat betekent dat een groter aantal kandidaat-notarissen nodig zal zijn.
In het voorgestelde systeem wordt het maximumaantal kandidaat-notarissen die de Koning jaarlijks kan benoemen, echter beperkt tot 60 : dit zou net genoeg zijn om de bestaande notarissen-titularis te vervangen.
Het is dus niet mogelijk deze beperking te handhaven.
Het probleem van de quota (cf. de overgangsbepaling in artikel 51) werd reeds uitvoerig behandeld tijdens de algemene bespreking.
Een van de indieners van het amendement vraagt zich af waarom voor de kandidaat-notarissen niet dezelfde regeling wordt toegepast als voor de gerechtelijke stagiairs. Overeenkomstig artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor elk gerechtelijk jaar, het aantal vacante plaatsen van gerechtelijk stagiair, zonder dat hij daarbij aan bepaalde quota gebonden is. Rekening houdend met de 1 200 notariaten in België, is het voorgestelde quotum van 60 in ieder geval veel te laag om het aantal ontslagnemende notarissen te vervangen en te voorzien in een voldoende aantal kandidaat-notarissen die zich met een notaris-titularis kunnen associëren.
De heren Foret en Desmedt dienen tevens een subsidiair amendement op amendement nr. 1 in, luidende (amendement nr. 3, Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
De minister verklaart dat er steeds over cijfers kan worden gediscussieerd. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de regering met het quotum van 60 in een keurslijf gedwongen om te vermijden dat zij de bepalingen van deze wet zou uithollen door een te groot aantal kandidaat-notarissen te benoemen.
In het verleden heeft de wetgever een gelijkaardige keuze gemaakt met betrekking tot het aantal gerechtelijke stagiairs.
In de vorige legislatuur heeft de wetgever eerst beslist dat hun aantal diende te worden beperkt om te vermijden dat de regering er te veel zou benoemen. Daardoor konden de kandidaten die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid waren geslaagd, ook in voldoende mate doorstromen naar de magistratuur. Na evaluatie van deze beperking tijdens de huidige legislatuur heeft de wetgever geoordeeld dat het systeem zijn deugdelijkheid voldoende bewezen had zodat aan de regering het vertrouwen kon worden geschonken om dit aantal jaarlijks vast te stellen.
De minister is van oordeel dat er zich met de voorgestelde regeling eenzelfde scenario zal voordoen. De Kamer heeft gevraagd om in de aanvangsfase een voorzichtige houding aan te nemen om te voorkomen dat er te veel kandidaat-notarissen zouden worden toegelaten. Anders komt er een te grote reserve op de markt waardoor het effect van de wet inzake objectivering van de benoemingen teloor dreigt te gaan.
De quota die in de artikelen 18 en 51 zijn opgenomen, zijn niet willekeurig bepaald. Er is namelijk een analyse van de behoeften gemaakt die aan de Kamer werd meegedeeld. De krachtlijnen hiervan zijn de volgende.
Ten eerste werd rekening gehouden met de jaarlijkse vervangingsbehoefte aan notarissen-titularis. Op grond van het aantal actieve notarissen, te weten 1 200, en een gemiddelde loopbaan van 30 jaar werd dit aantal vastgesteld op 40. Dit cijfer stemt overeen met het gemiddelde van het aantal ontslagen in het verleden.
Ten tweede werd rekening gehouden met de nieuwe notariaten die ingevolge deze wet zullen worden opgericht. Op grond van het inwonertal zouden er dat tussen de 20 à 25 kunnen zijn, naar gelang van de wijze waarop de cijfers worden afgerond.
Ten derde werd het eenmalig effect van de invoering van de vervroegde pensionering op zevenenzestig jaar in aanmerking genomen. Dit effect zal over de eerstkomende drie jaar voelbaar zijn omdat de notarissen die bij de inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van vierenzestig jaar zullen hebben bereikt, op grond van artikel 49 van het wetsontwerp de gelegenheid zullen krijgen hun ambt nog gedurende drie jaar uit te oefenen.
Ten vierde werd de behoefte aan plaatsvervangende notarissen ingebracht. De minister gaat ervan uit dat er 25 permanente plaatsvervangers nodig zullen zijn aan een ritme van vijf per jaar. Dit systeem zal zich geleidelijk aan ontwikkelen.
Ten vijfde is er de behoefte aan kandidaat-notarissen voor de associaties. Dit aantal valt uiterst moeilijk in te schatten. De minister is uitgegaan van een recurrente behoefte aan 20 kandidaat-notarissen per jaar.
Hij kan echter onmogelijk met zekerheid voorspellen dat dit aantal voldoende zal zijn. Tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Kamer werden er door de parlementsleden lagere cijfers naar voren geschoven. Indien er in 10 % van de kantoren na vijf jaar een geassocieerd notaris actief zal zijn, dan zal dit een behoorlijk succes zijn.
Indien al deze parameters in een vergelijking worden ingebracht, dan blijkt er in het jaar 2000 behoefte te zullen zijn aan 115 notarissen, in 2001 en 2002 telkens aan 80 en nadien aan 60.
Naast het aantal kandidaat-notarissen dat zich zal associëren, is de tweede grote onbekende het aantal notarissen-titularis dat in de komende jaren ontslag zal nemen. De minister verheelt niet dat dit aantal door deze wet zal stilvallen. Tal van notarissen hebben recent hun ontslag ingediend en zijn reeds vervangen door een jonge notaris. Daartegenover staat dat veel notarissen die de leeftijdgrens van zevenenzestig jaar naderen, zich zullen associëren met een kandidaat-notaris. Daardoor wordt hun werklast lichter en voelen ze zich niet langer genoodzaakt vervroegd met pensioen te gaan.
De minister besluit dat de analyse van de behoeften op solide gegevens rust, hoewel er toch twee onzekerheden zijn. Het eerste heeft een negatief resultaat : het aantal notarissen dat in de eerstkomende jaren ontslag zal nemen, zal volgens de minister merkelijk lager liggen dan 40. De andere onzekere factor, maar dan in de positieve zin, is het aantal kandidaat-notarissen dat zich wenst te associëren. De regering hoopt dat dit er meer zullen zijn dan voorzien.
De regering verbindt zich ertoe na twee of drie jaar te evalueren of de voorgestelde quota evenwichtig zijn. Indien het systeem voldoening schenkt, zal het gemakkelijker zijn om op grond van accurater cijfermateriaal het Parlement te vragen het quotum te verhogen of meer soepelheid bij de vaststelling van het aantal te benoemen kandidaat-notarissen toe te staan.
Het voorgaande vormt alleszins een stimulans voor de notarissen-titularis om zich te associëren. Thans wordt rekening gehouden met 20 kandidaat-notarissen die zich zullen associëren. Indien dit cijfer hoger blijkt te liggen, dan zal hiermee rekening worden gehouden.
Een van de indieners van het amendement verklaart niet overtuigd te zijn door de uitleg van de minister. Zo heeft hij zijn twijfels over de door de minister gehanteerde premisse dat de gemiddelde duur van de carrière van een notaris ongeveer dertig jaar bedraagt. Spreker is van oordeel dat de carrière als notaris-titularis ingevolge de nieuwe procedure veel korter zal zijn zodat er een grotere nood aan opvolgers zal zijn
Met betrekking tot de belofte van de minister om het in de wet bepaalde quotum te evalueren, merkt hij op dat het stilaan een modeverschijnsel wordt wetten te stemmen die na twee à drie jaar zullen worden geëvalueerd.
Spreker ziet niet in waarom het zogezegde wantrouwen van de wetgevende macht tegen de regering zo ver moet worden gedreven dat er een strikt quotum moet worden gerespecteerd, als men bedenkt dat de berekeningsformule van de minister twee onzekere factoren bevat. Dit kan ertoe leiden dat het quotum reeds over drie jaar zal moeten worden gewijzigd
Bovendien is het cijfer van 60 veel te laag. De voorzitter van de federatie van notarissen heeft de behoeften voor de jaren 2000 tot 2003 op 650 kandidaat-notarissen geraamd (zie de verantwoording bij amendement nr. 4 van de heren Foret en Desmedt, St. Senaat, nr. 1-1276/2).
Spreker pleit dan ook voor de goedkeuring van zijn amendement.
Mevrouw Willame-Boonen c.s. dient een amendement in dat gelijkenis vertoont met het subsidiair amendement nr. 3 van de heren Foret en Desmedt, luidende (amendement nr. 9, St. Senaat, nr. 1-1276/2) :
« In het eerste lid van het voorgestelde artikel 35, § 2, de volzin « Het totale aantal mag niet hoger zijn dan 60. » vervangen door de volzin « Het totale aantal mag niet hoger zijn dan 150. »
Verantwoording
Er bestaat geen enkele reden om vooraf en zonder enige becijferde motivering een jaarlijks maximum aantal van 60 notarissen vast te stellen. Vermeldenswaard is daarentegen dat de cijfers die een aantal universiteiten op objectieve gronden voorgesteld hebben, veel hoger liggen.
Bijgevolg hebben de indieners van dit amendement het jaarlijks maximumaantal willen optrekken tot 150. Bovendien staat het nog altijd aan de Koning om elk jaar, naar gelang van de behoeften, het aantal te benoemen kandidaat-notarissen per taalrol vast te stellen.
De indienster van dit amendement sluit zich aan bij de zienswijze van de vorige spreker.
Indien de federatie van notarissen op grond van een analyse van de behoeften tot de conclusie komt dat het quotum van 60 veel te laag is en een veel hoger cijfer voorstelt, dan bestaat er haars inziens geen reden toe daar niet op in te gaan.
Zij betoont zich dan ook in eerste instantie voorstander van amendement nr. 1 van de heren Foret en Desmedt. Indien dit wordt verworpen, acht zij haar eigen amendement een goede oplossing
De heer Goris dient amendement nr. 18 in, luidende (St. Senaat, nr. 1-1276/2) :
« In het voorgestelde artikel 35, § 2, de volgende zin doen vervallen « Het totale aantal mag niet hoger zijn dan 60. »
Verantwoording
Deze bepaling is te restrictief en druist in tegen de geest van de nieuwe wet, nl. het notarisambt op een objectieve manier voor valabele kandidaten openstellen. Het reële behoeftecijfer kan bovendien mogelijk sterk variëren in tijd en ruimte; er kan niet worden uitgesloten dat er op een zeker moment 100 à 120 kandidaat-notarissen nodig zijn i.p.v. de in de wet voorziene 60.
Daarnaast voorzien de overige bepalingen van deze paragraaf in voldoende mogelijkheden om op de behoeften in te spelen, nl. via de volgende criteria om het aantal kandidaat-notarissen jaarlijks vast te stellen :
in functie van het aantal te benoemen notarissen-titularis;
in functie van het aantal laureaten van vroegere sessies die nog niet geassocieerd of niet benoemd zijn;
in functie van de behoefte aan geassocieerden.
De indiener van het amendement verklaart evenmin overtuigd te zijn door de uitleg van de minister. Gelet op de toekomst van de talrijke licentiaten in het notariaat, lijkt het hem niet gepast het quotum van 60 over een drietal jaar te moeten herzien omdat de door de minister van Justitie opgestelde raming van de behoeften op onzekere premissen is gebaseerd.
Hij meent dat het de overtuiging is van alle politieke families om het aantal te benoemen kandidaat-notarissen jaarlijks te bepalen op grond van de werkelijke behoeften. Het mag niet de bedoeling zijn er te veel te benoemen, maar de regeling mag er evenmin toe leiden dat er te weining kandidaat-notarissen kunnen worden benoemd. Vandaar zijn voorstel om deze grens af te schaffen, onverminderd de voorstellen deze grens op te trekken tot 120 of 150.
De regering kan dan nog altijd beslissen dat er het ene jaar 40 kandidaat-notarissen kunnen worden benoemd en het volgende jaar 120.
Spreker voegt hieraan toe dat er rekening moet worden gehouden met de wilsovereenkomst tussen de kandidaat-notaris en de notaris-titularis die zich met elkaar willen associëren. Wanneer er te weinig kandidaat-notarissen zijn, zal de notaris-titularis die zich wenst te associëren, zich tot de benoemingscommissie moeten wenden om te weten of er nog kandidaat-notarissen in de reserve zitten. De keuze kan dus beperkt zijn, bijvoorbeeld tot iemand woonachtig in de andere kant van het land.
Voor de goede werking van de kantoren lijkt het hem derhalve wenselijk dat er een voldoende grote reserve aan kandidaat-notarissen beschikbaar is, die zich dus niet allemaal zullen kunnen associëren.
Een tweede sluis, na die voor de benoeming tot kandidaat-notaris, is dat de notaris-titularis door de Koning wordt benoemd uit een lijst met de drie door de benoemingscommissie als meest geschikt bevonden kandidaten.
Een lid sluit zich aan bij de zienswijze dat het geen zin heeft een wet goed te keuren waarvan elk artikel het wantrouwen tegen het notariaat uitademt.
In de Kamer werd met allerlei middelen gepoogd het belang van het notariaat te reduceren.
Het komt hem echter weinig redelijk voor een maximum in de wet in te schrijven. De nood aan notarissen moet zijns inziens jaarlijks op grond van de omstandigheden worden geëvalueerd. De in artikel 259 quater , § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure voor de gerechtelijke stagiairs kan daarbij als voorbeeld worden genomen. De Koning zou het aantal te benoemen kandidaat-notarissen dus jaarlijks vaststellen bij een in de Ministerraad overlegd besluit. Aldus wordt deze beslissing een collectieve verantwoordelijkheid van de regering, wat het eventueel wantrouwen tegen de minister van Justitie wegneemt.
De heer Bourgeois dient daartoe amendement nr. 22 in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« In § 2 van het voorgestelde artikel 35 de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) De woorden, « bij in de Ministerraad overlegd besluit, » invoegen tussen de woorden « stelt de Koning » en de woorden « ieder jaar. »
B) De zin « Het totale aantal mag niet hoger zijn dan 60 » doen vervallen. »
Verantwoording
Enerzijds moet het aantal kandidaat-notarissen op een soepele wijze kunnen worden vastgesteld. Het is daarom beter niet in een maximum te voorzien.
Anderzijds moeten er zekere waarborgen zijn ten aanzien van de wijze waarop het aantal vastgesteld wordt. Daarom wordt er voorgesteld dit te laten gebeuren door middel van een in Ministerraad overlegd besluit (cf. de bepaling van het aantal gerechtelijke stagiairs, artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek).
Deze formule garandeert dat de wet jaarlijks wordt geëvalueerd, zonder dat ze hoeft te worden gewijzigd.
Een lid vestigt er de aandacht op dat het lot van artikel 18 verbonden is met dat van artikel 51 en amendement nr. 30 dat de heren Vandenberghe en Bourgeois hierop hebben ingediend.
Andere leden achten het echter wenselijk om eerst over het lot van artikel 18 te beslissen omdat dit de hoofdbepaling is ten opzichte van de overgangsbepaling vervat in artikel 51.
Stemmingen
Het amendement nr. 1 van de heren Foret en Desmedt en het amendement nr. 18 van de heer Goris worden verworpen met 6 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.
Het amendement nr. 9 van mevrouw Willame-Boonen c.s. wordt verworpen met 6 tegen 5 stemmen.
Het subamendement nr. 3 van de heren Foret en Desmedt wordt verworpen met 6 tegen 5 stemmen.
Het amendement nr. 22 van de heer Bourgeois wordt ingetrokken.
Artikel 20 artikel 36 van de wet op het notarisambt de stage (artikel 21 van de aangenomen tekst)
De heer Raes dient amendement nr. 13 in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« In de §§ 2, 3 en 4 van het voorgestelde artikel 36, de woorden « nationale Kamer » vervangen door de woorden « Vlaamse of Waalse Kamer. »
Verantwoording
Al wat verband houdt met de opleiding en de benoeming van de stagiairs zou moeten toevertrouwd worden aan een op te richten Vlaamse, respectievelijk Waalse, Kamer.
Zie tevens zijn amendementen nrs. 14, 15 en 16 op de artikelen 21 en 40.
De minister verklaart dat deze amendementen reeds in de Kamer werden ingediend waar ze werden verworpen. De regering stelt zich op het standpunt dat, zoals bepaald in het voorgestelde artikel 91 van de notariswet, de Nationale Kamer van notarissen de algemene regels inzake deontologie zal vaststellen. Men kan zich moeilijk voorstellen dat de plichtenleer in het noorden van het land zou verschillen van die in het zuiden.
Het wetsontwerp bevat een goed evenwicht tussen nationaal gehouden bevoegdheden en bevoegdheden die aansluiten bij het federale karakter van de staat. Zo voorziet het voorgestelde artikel 38 van de notariswet in de oprichting van een Nederlandstalige en een Franstalige benoemingscommissie. Ook de vergelijkende toelatingsproef wordt afzonderlijk voor de twee Gemeenschappen georganiseerd.
De minister kan zich voorstellen dat sommigen een stap verder wensen te gaan, maar zolang het notariaat federaal wordt georganiseerd, blijft een federale overkoepeling noodzakelijk.
Derhalve vraagt hij de verwerping van deze amendementen.
Het amendement is verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 21 artikel 39 van de wet op het notarisambt beperking van de kandidaatstelling voor de benoeming tot kandidaat-notaris : slechts drie kansen (artikel 22 van de aangenomen tekst)
De heren Foret en Desmedt dienen een amendement nr. 5 in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« Paragraaf 7, laatste zin, van het voorgestelde artikel 39 doen vervallen. »
Verantwoording
Het wetsontwerp verbiedt dat iemand meer dan drie keer deelneemt aan het jaarlijks examen waarin de personen geselecteerd worden die tot « kandidaat-notaris » benoemd zullen worden.
Het feit dat men in de beschreven omstandigheden niet in aanmerking komt, wijst echter helemaal niet op een of andere onbekwaamheid om het ambt uit te oefenen. Deze regeling maakt evenwel een definitief einde aan de loopbaan van deze ongelukkige kandidaten.
Bovendien zullen bijna alle licentiaten in het notariaat die aan de eerste zittingen van dit examen deelnemen, de dertig gepasseerd zijn wanneer zij tot kandidaatstelling opgeroepen worden. Deze kandidaten fungeren vaak echter al sinds jaren als medewerker van een notaris-titularis en hebben zich gespecialiseerd in welbepaalde taken. Als hun deelnemingskansen op die manier beperkt worden, dreigt heel deze generatie van licentiaten in het notariaat uit de boot te vallen want ze krijgen geen gelegenheid om zich te herscholen en zo met gelijke wapens de concurrentie aan te gaan met jonge academici die aan dit examen deelnemen.
Daarom moet men deze beperking afschaffen en deze mensen de mogelijkheid bieden zoveel keren aan het examen deel te nemen als ze zelf wensen.
Een van de indieners van het amendement merkt op dat een tussenoplossing erin kan bestaan dat er geen beperking geldt voor de kandidaten die ten minste één keer op het schriftelijk en het mondeling gedeelte het vereiste percentage hebben behaald, respectievelijk 60 % en 50 %.
Mevrouw Willame-Boonen dient een gelijkaardig amendement in, luidende (amendement nr. 11, Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« In § 7 van het voorgestelde artikel 39 de volzin « Niemand kan zich meer dan driemaal kandidaat stellen. » schrappen. »
Verantwoording
We zien niet goed in welke reden aangehaald kan worden om iemand slechts driemaal aan het examen te laten deelnemen.
De indienster van het amendement wijst erop dat het vergelijkend karakter van de toelatingsproef tot gevolg kan hebben dat kandidaten die slagen voor het examen, toch niet in aanmerking worden genomen, omdat de vorige geslaagde kandidaten zo briljant zijn dat het quotum voor dat jaar kan worden opgevuld. Indien een dergelijk fenomeen zich bijvoorbeeld drie jaar achter elkaar voordoet, bestaat de kans dat valabele kandidaten die telkens voor het examen geslaagd zijn, maar niet in nuttige orde worden gerangschikt, na drie deelnames alle hoop op een benoeming tot notaris-titularis moeten opgeven.
Het zou onrechtvaardig zijn dat kandidaten worden uitgesloten omdat ze tijdens hun examensessies moesten concurreren met briljante elementen, terwijl kandidaten bij een andere sessie ondanks een lager percentage toch tot kandidaat-notaris zouden kunnen worden benoemd omdat het niveau van de geslaagden lager lag.
Zij voelt daarom veel voor de suggestie van de vorige spreker waarbij de uitsluiting van verdere deelname zou worden gebaseerd op het behaalde examenresultaat.
De minister antwoordt dat met betrekking tot de beperking van het aantal malen dat de houder van het stagecertificaat zich kandidaat mag stellen voor de benoeming tot kandidaat-notaris, de vergelijking werd gemaakt met het universitair onderwijs waar het zogenaamde trissen verboden is.
De voorgestelde beperking is ingegeven door de overweging dat er zich op de duur bij de kandidaten een gewenning voordoet. Dat geldt niet alleen voor de gewone examens, maar ook voor de vergelijkende examens, zoals die door het Vast Wervingssecretariaat worden georganiseerd. Kandidaten die blijven deelnemen aan het examen, zullen er uiteindelijk voor slagen, ook al hebben ze niet de intrinsieke kwaliteiten die vereist zijn voor de uiteofening van de functie. Met de beperking van het aantal deelnames wenst de regering er voornamelijk voor te zorgen dat de meest valabele kandidaten worden geselecteerd.
Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat de kandidaten zelf bepalen wanneer ze aan de vergelijkende toelatingsproef wensen deel te nemen. Aldus kunnen ze zelf hun voorbereiding plannen en zich inschrijven wanneer ze de tijd rijp achten. De licentiaten in het notariaat die het stagecertificaat hebben behaald, kunnen derhalve besluiten hun deelname uit te stellen totdat zij de volgens hen gewenste beroepservaring hebben opgedaan.
Het argument dat valabele kandidaten de kans lopen na drie deelnames te worden uitgeschakeld omdat zij de pech hadden telkens deel te nemen aan een examen met een zeer sterk deelnemersveld, snijdt volgens de minister weinig hout. Na het eerste vergelijkend examen zullen de eerste (en de beste) 115 kandidaten doorschuiven en dus niet langer concurrent zijn; het jaar nadien zullen er geen 115 licenciaten in het notariaat die de stage beëindigd hebben, bijkomen. Deze groep zal kleiner zijn dan de groep van de 80 kandidaten die op grond van de tweede vergelijkende toelatingsproef tot kandidaat-notaris kunnen worden benoemd.
Het feit dat de Koning jaarlijks het aantal te benoemen kandidaat-notarissen bepaalt, zal voorts tot gevolg hebben dat de examenjury's zich daarnaar zullen richten.
De minister vreest dat, wanneer dit aantal niet vooraf wordt bepaald, het aantal laureaten wel eens lager zou kunnen liggen dan de in het wetsontwerp opgenomen quota.
De ervaring bij de toegangsexamens in de magistratuur heeft geleerd dat de examenjury's in de aanvangsfase de neiging hadden de lat hoog te leggen voor de kandidaten die tot de rechterlijke macht wensten toe te treden.
Als conclusie verklaart de minister dat veel zal afhangen van de beslissing waarbij de Koning jaarlijks de behoeften bepaalt. Indien de Senaat beslist dat een groter aantal kandidaten tot kandidaat-notaris moet kunnen worden benoemd dan het cijfer dat in het wetsontwerp is bepaald, dan wordt het zeer delicaat om daarbovenop nog het aantal malen dat men zich kandidaat mag stellen voor de vergelijkende toelatingsproef, te verhogen.
Indien het aantal kandidaten dat jaarlijks tot kandidaat-notaris kan worden benoemd, beperkt wordt gehouden, stemt de minister ermee in het probleem van de beperking van het aantal kandidaatstellingen opnieuw te onderzoeken.
Een lid plaatst grote vraagtekens bij de voorgestelde beperking. Spreker kan aanvaarden dat men een numerus clausus instelt door de beperking van het aantal malen dat iemand aan een examen mag deelnemen. In dezen heeft dat evenwel geen zin omdat de numerus clausus reeds bestaat. Het is immers de Koning die jaarlijks op grond van de behoeften het aantal te benoemen kandidaat-notarissen bepaalt.
Het enige argument dat spreker kan bekoren, is dat de kwaliteit van de kandidaat-notarissen zal worden verhoogd door de beperking van het aantal deelnames.
Spreker kan zich niet van de indruk ontdoen dat de voorgestelde procedure een devaluatie inhoudt van de universitaire diploma's van licentiaat in de rechten en licentiaat in het notariaat, alsook van de stages die de kandidaten doorlopen, meestal een jaar aan de balie en daarna drie jaar in een notariskantoor.
Het lid beschouwt het dan ook als een vorm van betutteling wanneer deze hooggekwalificeerde juristen met hun grote beroepservaring zich slechts drie maal kandidaat mogen stellen voor een benoeming tot kandidaat-notaris.
De voorgestelde beperking komt hem derhalve als zinloos over.
Bovendien is de tekst niet adequaat geformuleerd. Het voorgestelde artikel 39, § 7, van de notariswet bepaalt dat niemand zich meer dan drie maal kandidaat kan stellen. De ervaring leert evenwel dat niet alle kandidaten die zich inschrijven, aan het examen deelnemen. Dikwijls moeten ze afhaken, bijvoorbeeld wegens ziekte of omdat ze zich niet grondig hebben kunnen voorbereiden. Spreker stelt daarom voor te bepalen dat « niemand meer dan drie maal kan deelnemen aan de vergelijkende toelatingsproef ».
Hij dient daartoe het volgende amendement in, luidende (amendement nr. 23, Stuk Senaat, nr. 1-1276/2), luidende :
« De laatste zin van § 7 van het voorgestelde artikel 39 vervangen als volgt :
Niemand kan meer dan driemaal aan de vergelijkende toelatingsproef voorzien in § 2 deelnemen. »
Een lid sluit zich aan bij de opmerking over de tekst. Ten gronde is hij van oordeel dat de vergelijking met de universitaire examens mank loopt omdat het daar niet om vergelijkende examens gaat. De studenten worden op het examen objectief op hun kennis en kunde beoordeeld zonder dat rekening wordt gehouden met de resultaten van de andere studenten. Bij een vergelijkend examen daarentegen wordt de relativiteit van de kennis en kunde van de kandidaten tegen elkaar afgewogen.
Spreker heeft dan ook zijn reserves tegen de voorgestelde beperking.
Een ander lid is van oordeel dat de handhaving van de beperking de gelijkheid van kansen tussen de verschillende kandidaten verstoort. De zoon of dochter van een notaris-titularis, die aan het vergelijkend examen wil deelnemen, zal van de vader betaald verlof krijgen om zich terdege op het examen voor te bereiden, terwijl de andere kandidaat zijn beroepswerkzaamheid op het notariskantoor zal moeten combineren met zijn voorbereiding op het examen. Daardoor worden zijn slaagkansen gehypothekeerd.
Bovendien moet men ermee rekening houden dat, wanneer zowel het in artikel 35 bepaalde quotum, als de beperking van het aantal deelnames worden behouden, 700 van de 1 000 personen die zich op dit ogenblik kandidaat-notaris mogen noemen, over drie jaar niet langer deze titel zullen mogen dragen omdat zij niet meer aan het examen zullen mogen deelnemen. Spreker beschouwt het examen veeleer als een loterij. Hij acht het niet normaal dat, wanneer er op 1 000 kandidaten slechts 115 voor de benoeming tot kandidaat-notaris in aanmerking komen, de rest als onbekwaam wordt beschouwd.
De minister gaat niet akkoord met deze voorstelling van zaken. Zo liggen de slaagcijfers voor de toegangsexamens tot de magistratuur en de examens voor niveau 1 bij het Vast Wervingsssecretariaat lager dan die welke vooropgezet zijn voor de vergelijkende toelatingsproef. Van de 700 kandidaten die zullen deelnemen, zullen er tijdens de eerste drie jaar maximaal 275 in aanmerking kunnen worden genomen voor de benoeming tot kandidaat-notaris. De vorige spreker doet de waarheid dan ook geweld aan door dit examen als een loterij te bestempelen.
De minister heeft geen bezwaar tegen amendement nr. 23 op voorwaarde dat gepreciseerd wordt dat onder deelnemen wordt verstaan, de aanmelding om deel te nemen aan het schriftelijk gedeelte. Het kan in elk geval niet de bedoeling zijn dat met deelname wordt bedoeld, de deelname aan de drie onderdelen van de selectieprocedure.
De heer Raes dient amendement nr. 14 in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« In de §§ 5 en 6, 1º, van het voorgestelde artikel 38, de woorden « nationale Kamer » telkens vervangen door de woorden « Vlaamse Kamer of Waalse Kamer ».
Er wordt verwezen naar de bespreking van amendement nr. 13 op artikel 20.
Een lid verwijst hier naar de opmerkingen van de Raad van State betreffende artikel 37, § 4, over het evaluatieverslag. De Raad van State stelt dat het evaluatieverslag een fundamenteel gegeven is waarmee rekening zal worden gehouden bij benoemingen. Bijgevolg is het onaanvaardbaar dat de geëvalueerde geen beroep kan instellen tegen deze evaluatie.
De minister antwoordt dat in de tekst, als goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de evaluatie op zich geen element meer is dat formeel deel uitmaakt van het benoemingsdossier, dat aan de minister wordt gezonden. Het behoort enkel tot de voorbereidende stukken die de adviescommissie in staat stellen op een objectieve manier een advies te geven over de kandidaten. Niemand is trouwens verplicht zich te laten evalueren.
Bovendien krijgt de adviescommissie kennis van de reactie van de betrokkene en zal zij in eer en geweten op basis daarvan haar beslissing nemen. Een formeel beroep lijkt niet noodzakelijk.
Wat betreft het zesde lid van artikel 38bis , wijst een lid op de opmerkingen van de Raad van State, die bepalen « de vraag rijst onder welke voorwaarden die verenigingen als representatieve verenigingen zullen worden beschouwd en wie over de representativiteit zal beslissen. De ontworpen bepaling dient te worden aangevuld om deze onzekere situatie te verhelpen. » (Stuk Kamer, 1998-1999, nr. 1433/21, blz. 8).
De minister antwoordt dat het de minister is die oordeelt welke organisatie representatief is op basis van de stukken die hij van die vereniging(en) krijgt. Het voor de hand liggende criterium is het ledenaantal in de mate dat men deze verenigingen kan verplichten hun ledenlijst voor te leggen.
Het lid is van oordeel dat dit best in de wet wordt ingeschreven.
De minister heeft hiertegen geen bezwaar, indien de minister een appreciatiemogelijkheid blijft behouden.
Op het voorgestelde artikel 38bis dienen de heren Vandenberghe en Bourgeois een amendement in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 29) :
« Aan het voorgestelde artikel 38bis de volgende wijzigingen aanbrengen :
a) de laatste zin van het zesde lid vervangen als volgt :
« Over de representativiteit van deze vereniging wordt door de Koning beslist onder meer op basis van het aantal leden ervan. »;
b) na het zesde lid het volgende lid invoegen :
« Het lid kandidaat-notaris van het adviescomité voor Brussel-Hoofdstad behoort afwisselend tot de Nederlandse en tot de Franse taalrol. »
Verantwoording
a) Zie advies Raad van State : « De vraag rijst onder welke voorwaarden die verenigingen als representatieve verenigingen zullen worden beschouwd en wie over die representativiteit zal beslissen. De ontworpen bepaling behoort te worden aangevuld om die onzekere situatie te verhelpen. » (Stuk Kamer, nr. 1433-21, 98/99, blz. 8).
b) De voorwaarde dat de leden kandidaat-notarissen van het adviescomité afwisselend dienen te behoren tot de Nederlandse en tot de Franse taalrol kan uiteraard enkel maar gelden voor het adviescomité voor Brussel-Hoofdstad.
Naar aanleiding van de beslissing van de overlegcommissie over de kwalificatie van het artikel 38, § 5, derde lid, dienen de heren Bourgeois en Vandenberghe volgend amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 28), luidende :
« Het derde lid van § 5 van het voorgestelde artikel 38 schrappen. »
Verantwoording
Deze bepaling regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en dient derhalve te worden opgenomen in het bicamerale ontwerp.
Op het voorgestelde artikel 39, § 2, dienen de heren Vandenberghe en Bourgeois een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 27), luidende :
« Na de eerste zin van het laatste lid van § 2 van het voorgestelde artikel 39 de volgende zin toevoegen :
« Dit programma kan ten dele worden aangepast in functie van de beroepservaring en de leeftijd van de kandidaat. »
Verantwoording
Het is van belang te onderlijnen dat het examen dat wordt georganiseerd voor juist afgestudeerde licentiaten in het notariaat een examen van een andere aard is dan het examen van degene die reeds met 20 jaar ervaring tewerkgesteld is in het notariaat. Het gelijkheidsbeginsel, zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vergt dat de gelijke norm wordt toegepast ten aanzien van personen die zich in de gelijke situatie bevinden.
Echter het is duidelijk dat, in een overgangsfase, de personen die deelnemen aan de vergelijkende toelatingsproef zich niet in een objectief gelijke situatie bevinden. Derhalve dient de mogelijkheid geopend te worden om het programma van de toelatingsproef te moduleren in functie van de beroepservaring en de leeftijd van de kandidaten. Ter zake kan trouwens verwezen worden naar de toegang tot het ambt van magistraat : daar wordt een onderscheid gemaakt tussen het vergelijkend toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage (bedoeld voor de jongere kandidaten) en het examen inzake beroepsbekwaamheid (bedoeld voor de oudere kandidaten).
Uiteraard zal het zo zijn dat een zekere basiskennis voor eenieder is vereist. Vandaar dat gesteld wordt dat slechts een gedeelte van het programma zou kunnen worden gemoduleerd in functie van de beroepservaring en de leeftijd van de betrokkenen.
Het feit dat het programma zal moeten worden goedgekeurd bij ministerieel besluit door de minister van Justitie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, vormt een waarborg opdat bij het uitwerken van deze modulering de verenigde benoemingscommissie met de nodige omzichtigheid en objectiviteit zal te werk gaan.
Een lid verklaart het eens te zijn met de zienswijze waardoor het amendement is ingegeven doch meent dat het moeilijkheden kan meebrengen inzake het gelijkheidsbeginsel. Het maakt immers elke volwaardige vergelijking onmogelijk wegens het bestaan van twee verschillende programma's.
Daarom grijpt hij terug naar zijn voorstel om een afzonderlijke groep te vormen met de huidige kandidaat-notarissen, voor wie de Koning een examen zou kunnen organiseren.
Zo zou men er bijvoorbeeld 80 in aanmerking kunnen nemen van de 115 thans voorgesteld in de overgangsbepalingen.
Een ander lid herinnert eraan dat men bij de behandeling van het wetsontwerp op de referendarissen een zelfde redenering heeft geformuleerd als die waarvan het ontwerp thans uitgaat.
De vraag was toen gerezen voor de referendarissen, die kandidaat-substituten zijn en die een opleiding volgen tijdens hun stageperiode. Men heeft toen geantwoord dat zij hoe dan ook het examen moesten afleggen om substituut te worden alsof zij geen stageperiode achter de rug hadden.
Spreekster verklaart te begrijpen welke redenering in het amendement wordt gehanteerd doch spreekt de vrees uit dat dit naar een duale regeling leidt.
Een ander lid merkt op dat het amendement de kern zelf van de regeling in haar geheel raakt. De regeling gaat ervan uit dat voor iedereen hetzelfde examen geldt ongeacht de ervaring en de leeftijd van de kandidaten, precies om ze onderling objectief te kunnen vergelijken.
Daar komt nog bij dat het amendement doelt op de beroepservaring en de leeftijd van de gegadigden. Enerzijds mag men ervan uitgaan dat hoe ouder de kandidaat is, hoe meer ervaring hij bezit.
Anderzijds is het zo dat een dergelijke ervaring uiteraard een pluspunt is bij het examen.
In het licht van die opmerkingen wordt het amendement teruggenomen.
Stemmingen
Amendement nr. 5 van de heren Foret en Desmedt wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.
Bijgevolg wordt amendement nr. 11 van mevrouw Willame-Boonen c.s. overbodig.
Amendement nr. 23 van de heer Bourgeois wordt teruggenomen.
Amendement nr. 28 van de heren Vandenberghe en Bourgeois wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.
Amendement nr. 14 van de heer Raes wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem, bij 2 onthoudingen.
Amendement nr. 29 van de heren Vandenberghe en Bourgeois wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.
Artikel 26 artikel 50 van de notariswet vennootschappen van notarissen (artikel 27 van de aangenomen tekst)
De heren Foret en Desmedt dienen amendement nr. 6 in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2) :
« Paragraaf 2 van het voorgestelde artikel 50 vervangen als volgt :
« § 2. Alle andere vormen van associatie of vennootschap voor de uitoefening van het beroep van notaris zijn verboden. Toegestaan zijn evenwel de associaties of vennootschappen van een notaris en licentiaten in het notariaat die aan het examen hebben deelgenomen en ten minste het minimum aantal punten hebben behaald zoals voorgeschreven in artikel 39, § 2, van deze wet. »
Verantwoording
Het wetsontwerp voorziet in de mogelijkheid voor een notaris om zijn beroep alleen of in een vennootschap uit te oefenen, om zich te associëren met andere notarissen-titularis of zelfs met kandidaat-notarissen die opgenomen zijn op het tableau dat bijgehouden wordt door een kamer van notarissen.
Tal van licentiaten in het notariaat fungeren sinds lange jaren als medewerker van een notaris-titularis. Het zou onaanvaardbaar zijn dat deze notarissen niet langer een beroep kunnen doen op deze bekwame medewerkers omdat deze samenwerking niet meer is toegestaan. Men moet notarissen-titularis en ervaren licentiaten in het notariaat dus de mogelijkheid laten een associatie of een middelenvennootschap te vormen.
Een van de indieners van het amendement merkt op dat hij met dit voorstel een oplossing aanreikt voor het probleem van het in artikel 35, § 2, bepaalde quotum. Een notaris-titularis zal zich niet alleen met een kandidaat-notaris kunnen associëren, maar ook met een licentiaat in het notariaat die geslaagd is voor de vergelijkende toelatingsproef, maar niet in nuttige orde is gerangschikt om tot kandidaat-notaris te worden benoemd.
Spreker is van oordeel dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gevolgen die aan de benoeming tot kandidaat-notaris verbonden zijn. In de eerste plaats kan zij leiden tot de benoeming tot notaris-titularis. In dat geval moet het criterium van de rangschikking zijn volle gelding hebben. Ten tweede biedt zij de mogelijkheid zich te associëren met een notaris-titularis. In dat geval speelt het feit dat men niet in nuttige orde is gerangschikt om tot kandidaat-notaris te worden benoemd, een minder belangrijke rol. Het amendement heeft tot doel de bekwaamheden van de kandidaten te valoriseren die de in artikel 39, § 2, bepaalde minimumpercentages hebben behaald voor de vergelijkende toelatingsproef, doordat zij zich ook met een notaris-titularis kunnen associëren. De betrokkenen zullen dan de titel van geassocieerd notaris dragen.
De minister heeft bezwaren tegen dit amendement omdat het een nieuwe categorie in het notarisambt creëert, die niet in aanmerking komt voor de benoeming tot kandidaat-notaris of notaris-titularis. De minister van Justitie beschikt bovendien volgens het wetsontwerp niet over een lijst van de kandidaten die geslaagd zijn voor de vergelijkende toelatingsproef, maar gelet op het beperkt aantal beschikbare plaatsen niet tot kandidaat-notaris kunnen worden benoemd.
Het amendement gaat tevens voorbij aan het feit dat de Koning jaarlijks het aantal te benoemen kandidaat-notarissen vaststelt onder meer in functie van het aantal laureaten van vroegere sessies die nog niet geassocieerd of niet benoemd zijn en in functie van de behoefte aan geassocieerden (cf. het voorgestelde artikel 35, § 2, van de notariswet).
Een van de indieners van het amendement wijst erop dat niet alle geassocieerde notarissen tot notaris-titularis kunnen worden benoemd. Zij zullen derhalve een eigen carrière als geassocieerd notaris uitbouwen. Het is de bedoeling die ook open te stellen voor de kandidaten die geslaagd zijn voor de vergelijkende toelatingsproef, maar niet in aanmerking komen voor een benoeming tot kandidaat-notaris.
De minister merkt op dat dit ingaat tegen de doelstelling van het ontwerp om het aantal kandidaten voor het ambt van notaris-titularis te beperken op grond van de behoeften van de markt.
De minister herhaalt dat het amendement niet past in het door het ontwerp voorgestelde systeem, aangezien iemand die niet tot kandidaat-notaris benoemd is, dit ambt ook niet kan uitoefenen. Het amendement dient bijgevolg nergens toe.
Een van de indieners van het amendement aanvaardt dit antwoord niet. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen een notaris en een geassocieerd notaris. Het is duidelijk dat de toegang tot het ambt van geassocieerd notaris voor de in het amendement bedoelde personen al een stap vooruit is.
De minister antwoordt dat de geassocieerd notaris krachtens het ontwerp alle handelingen van een notaris kan stellen. Dat betekent dat iemand die niet tot geassocieerd notaris is benoemd, en dus eerste klerk blijft, al is hij geslaagd voor het eerste examen, het ambt niet kan uitoefenen. Deze situatie geldt nu ook al.
Het amendement wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij 2 onthoudingen.
Artikel 38 (artikel 39 van de aangenomen tekst)
Mevrouw Willame-Boonen c.s. dient een amendement in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 12) :
« In het voorgestelde artikel 68 na de eerste volzin, die het eerste lid wordt, een tweede lid invoegen, luidende :
« In afwijking van het eerste lid wordt voor het gerechtelijk arrondissement Brussel een genootschap opgericht dat zijn zetel te Brussel heeft, en voor het arrondissement Leuven een genootschap dat zijn zetel te Leuven heeft. »
Verantwoording
Enerzijds zou de fusie van genootschappen op provinciaal vlak voor het arrondissement Brussel leiden tot een splitsing van het genootschap, wat strijdig is met de doelstelling van de fusies.
Anderzijds is het gerechtelijk arrondissement Brussel niet gesplitst.
Daaruit vloeit het volgende voort :
1. De notarissen van Halle-Vilvoorde zouden deel uitmaken van het gerechtelijk arrondissement Brussel (onder meer voor de berekening van het aantal plaatsen) maar zouden voor het overige onder de bevoegdheid van het genootschap en de Kamer van de provincie Vlaams-Brabant ressorteren (die zo bevoegd zou zijn om een advies te geven over het afschaffen of het oprichten van notariskantoren in een gerechtelijk arrondissement waarvan de grenzen niet samenvallen met zijn ambtsgebied).
2. De taak van het parket van Brussel zou hierdoor bijzonder ingewikkeld worden; het zou immers controle moeten uitoefenen over notarissen die aan verschillende regels onderworpen zijn (de regels die opgesteld zijn door het genootschap van Brussel voor de notarissen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en die welke opgesteld zijn door het genootschap van Vlaams-Brabant voor de notarissen van Halle-Vilvoorde, en over twee verschillende tuchtkamers (die van Brussel-Hoofdstad en die van Vlaams-Brabant) wat de uitoefening van het ambt betreft.
N.B. Er zij opgemerkt dat de genootschappen bevoegd zijn om in hun ambtsgebied de regels vast te stellen die betrekking hebben op de notariële praktijk (het nieuwe artikel 69) en dat de overtreding van deze regels tuchtrechtelijk gestraft kan worden.
3. Door deze splitsing zouden de notarissen van Halle-Vilvoorde collectief onteigend worden voor hun aandeel in het vermogen van de Kamer van Brussel, waar ze jarenlang toe bijgedragen hebben.
Daarom wordt voorgesteld om, zolang er geen wijziging komt in de gerechtelijke arrondissementen, voor Brussel en de provincie Vlaams-Brabant één genootschap per gerechtelijk arrondissement op te richten, namelijk één voor Leuven en één voor Brussel-Halle-Vilvoorde.
De hoofdindiener van het amendement geeft de volgende verduidelijking :
In het wetsontwerp wordt voorgesteld in de hoofdplaats van elke provincie een genootschap van notarissen, dat een openbare instelling is, op te richten. Het genootschap bestaat uit de volgende leden :
1. de notarissen die hun standplaats in de provincie hebben, of geassocieerd zijn met een notaris van de provincie, of tot plaatsvervangend notaris van een notaris van de provincie aangewezen zijn;
2. de kandidaten-notarissen die op het tableau van het genootschap ingeschreven zijn, die dus werken in een kantoor dat op het grondgebied van de provincie gevestigd is.
Deze wet heeft echter tot gevolg dat het arrondissement Brussel uiteenvalt in enerzijds de 19 gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die ten behoeve van de wet voortaan als « elfde provincie » beschouwd worden, en anderzijds de randgemeenten van Brussel die tot het onderdeel « Halle-Vilvoorde » behoren.
De ongeveer negenenveertig notarissen van de gemeenten die tot het onderdeel « Halle-Vilvoorde » behoren, zouden automatisch gevoegd worden bij het genootschap van notarissen van de hoofdplaats van de provincie Vlaams-Brabant, dus het genootschap van Leuven. Er zij in dit verband opgemerkt dat slechts twee van deze negenenveertig notarissen voorstander zijn van aansluiting bij de kamer van Leuven.
De kamer van Brussel zou dus automatisch krimpen van ongeveer honderd zeventig (170) tot honderd twintig (120) leden, wat onvermijdelijk gepaard gaat met zeer zware problemen.
Eerste probleem : gerechtelijke en tuchtrechtelijke aspecten.
Het aldus geredigeerde wetsontwerp zal een aantal gevolgen hebben in die zin, dat de notarissen die tot het gerechtelijk arrondissement Brussel behoren, onder de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de Kamer van Leuven zullen vallen terwijl ze tot de gerechtelijke bevoegdheid van de rechtbanken van Brussel blijven behoren omdat « Halle-Vilvoorde » deel zou blijven uitmaken van het gerechtelijk arrondissement Brussel.
Dat wil zeggen dat de notarissen van « Halle-Vilvoorde » voor de « tucht » onder de bevoegdheid van de Kamer van notarissen van Leuven, hoofdplaats van Vlaams-Brabant, zullen vallen, en dat in geval van beroep tegen deze tuchtmaatregelen de beslissing bij de rechtbank van Brussel zal liggen.
Er zij aan herinnerd dat de kamers van notarissen bevoegd zijn om tuchtstraffen van eigen rechtsmacht uit te spreken, waartegen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het kantoor is gelegen van de notaris die bij de zaak betrokken is.
De hogere tuchtstraffen, zoals de hoogste boeten, de afzetting en de schorsing, kunnen daarentegen slechts uitgesproken worden door de rechtbank van eerste aanleg op voorstel van de « grote kamer », dat is een uitgebreide kamer.
In dit laatste geval zal het dossier in eerste aanleg dan ook behandeld worden door de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, wat betreft de notarissen van « Halle-Vilvoorde » op voorstel van de « grote kamer » van de notarissen van de kamer van Leuven. Indien vervolgens beroep wordt ingesteld tegen deze tuchtstraf, zal de zaak behandeld worden door het hof van beroep van Brussel.
Deze toestand zal uiteindelijk niet zo veel verschillen van wat in de andere provincies gebeurt, waar de provinciale Kamer van notarissen afhankelijk zal zijn van evenveel rechtbanken van eerste aanleg als er arrondissementen in de provincie zijn.
Bijvoorbeeld : de Kamer van notarissen van de provincie Henegouwen, waarvan de zetel gevestigd zal zijn te Bergen, zal in de uitoefening van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid tegenover drie rechtbanken van eerste aanleg staan, namelijk te Charleroi, Bergen en Doornik.
Men moet wel toegeven dat dit de zaken niet zal vereenvoudigen.
Omgekeerd is er het uitzonderlijk geval waarin de rechtbank van eerste aanleg van Brussel en de procureur des Konings van Brussel zelf rechtstreeks betrokken zijn op twee Kamers die onder hun bevoegdheid vallen :
de eerste, de Kamer van Brussel, bestaande uit de ongeveer honderdtwintig (120) notarissen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en
de tweede, de Kamer van Leuven, maar dan alleen voor de notarissen die tot het onderdeel « Halle-Vilvoorde » behoren,
terwijl de rechtbanken van eerste aanleg in alle andere provincies tegenover slechts één kamer van notarissen staan.
Tweede probleem : het vermogen van de kamers
Er valt te vrezen dat er met de nieuwe bepaling zeer problematische toestanden zullen ontstaan.
Er geldt immers een bepaling die luidt als volgt : « Alle goederen, rechten en verbintenissen van de Kamers van notarissen worden van rechtswege, zonder kosten noch rechten, overgedragen aan de genootschappen van notarissen van hun rechtsgebied. »
Volgens onze inlichtingen zou de toestand sterk verschillen van arrondissement tot arrondissement.
Er zijn arrondissementen waar de kamer van notarissen rechtstreeks eigenaar is van de gebouwen die zij gebruikt voor haar activiteiten en voor de diensten die ze aan de notarissen verstrekt; er zijn andere arrondissementen waar de notarissen over geen enkel vermogen beschikken, waar het vermogen in handen is van een VZW, een coöperatieve vennootschap of een andere vennootschap waarvan de betrokken notarissen lid zijn.
Men mag dus verwachten dat er zich zeer ingewikkelde toestanden zullen voordoen, want in een aantal provincies zal de kamer bezit nemen van het vermogen van sommige kamers en het vermogen van andere kamers niet ontvangen.
Het zal niet alleen gaan om het onroerend goed; het zou eveneens om het passief van een aantal kamers kunnen gaan.
Sommige kamers hebben geldsommen geleend om panden aan te kopen en deze leningen zullen ten laste vallen van de andere notarissen van de provincie.
Men kan dus af te rekenen krijgen met bijzonder onrechtvaardige toestanden. Wat het arrondissement Brussel betreft, is de oplossing echter niet zo duidelijk, juist omdat de Kamer van Brussel de Kamer van Brussel blijft. Wat gebeurt er met haar vermogen ? Moet het verdeeld worden ? En waartoe hebben de notarissen van « Halle-Vilvoorde » die het arrondissement zullen verlaten, jarenlang hun bijdragen betaald, om de Kamer in staat te stellen een aantal panden te verkrijgen ?
Omgekeerd is het niet duidelijk om welke reden men de overblijvende notarissen van het arrondissement Brussel zou moeten dwingen van de uittredende notarissen onverdeelde aandelen af te kopen van een pand dat toebehoort aan een publiekrechtelijke instelling die per definitie onafhankelijk staat van haar leden.
Anderzijds zal de kamer van Brussel (dat mag men niet vergeten) eveneens beroofd worden van een aanzienlijk deel van de financiële middelen waarover ze beschikt om haar activiteiten voort te zetten; ze verliest in werkelijkheid immers bijna een derde van haar bijdrageplichtige leden.
Een derde punt, dat men niet uit het oog mag verliezen, is dat deze splitsing van het arrondissement Brussel een politiek precedent vormt. Er valt dan ook te vrezen dat dit precedent vaak aangehaald zal worden in latere politieke besprekingen met het oog op de splitsing van Brussel « Halle-Vilvoorde » in het kader van de reorganisatie van het gerecht.
De minister onderstreept dat dit amendement reeds werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers en werd verworpen, omdat men van oordeel was dat de benoeming van alle notarissen binnen het grondgebied van de Vlaamse provincies diende te gebeuren door bemiddeling van de benoemingscommissie voor de Nederlandstaligen. Dit impliceert dat de scheiding op de voorgestelde wijze wordt georganiseerd. Indien men ingaat op het amendement, zou de commissie voor Brussel ook bevoegd worden voor de adviezen over de notarissen die kandideren voor een betrekking in Halle en Vilvoorde. Dit doet vragen rijzen op het vlak van de taalwetgeving.
Een lid vraagt of er geen deontologisch probleem rijst. De notarissen van Halle-Vilvoorde en de notarissen van Brussel treden op in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Thans vallen zij onder één kamer, door het ontwerp vallen zij onder twee kamers. Moeten zij niet onder dezelfde kamer ressorteren, aangezien zij actief zijn op hetzelfde territorium en in principe onder dezelfde deontologische normen moeten kunnen vallen ?
De minister is van oordeel dat een oplossing is aangebracht in het ontwerp, aangezien een nationale kamer opgericht wordt met een overkoepelende rol. Bovendien zijn de deontologische regels slechts afdwingbaar in de mate dat zij door de Koning worden bekrachtigd. De Koning zal dus een unificerende rol spelen op het vlak van de deontologie.
Een lid vraagt naar het nut van de verdeling in genootschappen, als de deontologie toch overal dezelfde is.
De minister verklaart dat de genootschappen een belangrijke rol spelen op tuchtrechtelijk vlak. Zij spelen als het ware een rol in eerste aanleg. Het is dan ook belangrijk de kamers te behouden op provinciaal niveau. Hogere tuchtstraffen worden voor de rechtbank gebracht.
Een lid vraagt wat gebeurt met het patrimonium van de Kamer van Brussel.
De minister antwoordt dat deze vraag ook voor de andere provincies kan worden gesteld. Het patrimonium van de kamers zal aan de notarissen van de betrokken genootschappen toekomen. Indien het patrimonium toebehoort aan alle notarissen van een bepaald arrondissement zal dit overgaan naar het patrimonium van de nieuwe kamer. Een aantal genootschappen op arrondissementeel niveau streven vandaag sociale doeleinden na. Niets belet hen om dit te blijven doen met het daartoe bestemde patrimonium.
Een lid benadrukt dat een verdeling van het patrimonium altijd moeilijk is (zie kunstpatrimonium bij de splitsing van de provincie Brabant). Dat kan altijd voor problemen zorgen.
Een lid wijst erop dat in Brussel de samengevoegde benoemingscommissies zullen optreden. Kunnen alle procedureregels, die gelden voor de behandeling van een dossier door één benoemingscommissie, naar analogie worden toegepast ?
De minister antwoordt bevestigend. Hier geldt hetzelfde systeem als voor de Hoge raad voor de Justitie.
Een lid verwijst naar de cijfers. 172 notarissen zijn momenteel werkzaam in het arrondissement Halle-Vilvoorde. Hoeveel notarissen zijn er gevestigd in Brussel en hoeveel in Halle-Vilvoorde ? Welk is de taalrol van de notarissen in Brussel ?
De minister geeft de volgende cijfers over de huidige verdeling van de notarissen in het gerechtelijk arrondissement Brussel :
eentalige Nederlandstaligen (Halle-Vilvoorde) : 49;
tweetalige Nederlandstaligen : 49;
tweetalige Franstaligen : 74.
Deze cijfers zijn gebaseerd op de diploma's van licentiaat in het notariaat.
Een lid heeft bij deze cijfers de volgende bedenkingen over de benoemingscommissie voor Brussel-Hoofdstad. Die zal bestaan uit 5 leden, dat wil zeggen beurtelings uit 3 Franstaligen en 2 Nederlandstaligen en omgekeerd. Dat laatste lijkt paradoxaal gezien het overwicht van de Franstalige notarissen.
Spreker vraagt zich daarom af of het niet beter is een paritair systeem in te voeren alleen voor Brussel.
Het amendement nr. 12 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 5.
Artikel 40 (artikel 41 van de aangenomen tekst)
De heer Raes dient op dit artikel de drie volgende amendementen in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendementen nrs. 15 tot 17) :
Amendement nr. 15
« Het opschrift van de voorgestelde afdeling III vervangen door de woorden « Vlaamse Kamer, respectievelijk Waalse Kamer, voor notarissen ».
Amendement nr. 16
« Het voorgestelde artikel 90 vervangen als volgt :
« Art. 90. Er worden een Vlaamse en een Waalse Kamer voor notarissen opgericht. Beide Kamers zijn openbare instellingen en hebben hun zetel in Brussel.
De Vlaamse Kamer van notarissen bestaat uit de genootschappen van notarissen van de gerechtelijke arrondissementen Antwerpen, Brugge, Dendermonde, Gent, Hasselt, Ieper, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oudenaarde, Tongeren, Turnhout en Veurne.
De Waalse Kamer van notarissen bestaat uit de genootschappen van notarissen van de gerechtelijke arrondissementen Aarlen, Bergen, Charleroi, Dinant, Doornik, Eupen, Hoei, Luik, Marche-en-Famenne, Namen, Neufchâteau, Nijvel en Verviers.
De notarissen met standplaats in het gerechtelijk arrondissement Brussel kiezen vrij tot welke Kamer zij behoren. »
Verantwoording
In België leven twee volksgemeenschappen met eigen culturen en eigen visie. Zij moeten in de mogelijkheid verkeren eigen bevoegdheden uit te oefenen.
Dit amendement sluit aan bij een niet te stuiten evolutie, die zich ook aandient bij diverse vrije beroepen zoals blijkt uit de Nationale Orde van Advocaten en uit de Nationale Orde van Geneesheren.
Amendement nr. 17
In het 9º van het voorgestelde artikel 91 het zinsdeel « van het Rijk » doen vervallen.
Deze drie amendementen worden verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 49 (artikel 50 van de aangenomen tekst)
De heer Lallemand c.s. dienen een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 21), luidende :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Notarissen die de leeftijdsgrens van zevenenzestig jaar bereiken maar vóór de inwerkingtreding van deze wet benoemd zijn, kunnen hun ambt blijven uitoefenen om de totale duur van dat ambt op dertig jaar te brengen. Eén jaar voor het verstrijken van deze maximumtermijn worden zij geacht ontslagnemend te zijn. Zij kunnen hun ambt blijven uitoefenen tot de eedaflegging van hun opvolger of tot de kennisgeving van het koninklijk besluit waarbij hun plaats wordt opgeheven. »
Verantwoording
Het wetsontwerp stelt de leeftijdsgrens voor de uitoefening van het notarisambt vast op 67 jaar. Een overgangsbepaling stelt degenen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet de leeftijd van 64 jaar bereikt hebben, in staat hun ambt verder uit te oefenen gedurende drie jaar.
Deze twee bepalingen zijn discriminerend :
ten aanzien van degenen die benoemd zijn zonder dat er een leeftijdsgrens bepaald is en die de verwachting hadden hun ambt na de leeftijd van 67 jaar verder te kunnen uitoefenen; tal van notarissen zijn benoemd in een later stadium van hun loopbaan, rond 45 of 50 jaar, met de zekerheid dat zij hun ambt tot 70 of 75 jaar kunnen voortzetten, al was het maar om de vaak hoge leningen te kunnen aflossen die nodig zijn voor de overname van het ambt en voor de modernisering van hun kantoor;
ten aanzien van degenen die de leeftijd van 64 jaar niet bereikt hebben op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet en die zich niet kunnen beroepen op de overgangsbepaling, terwijl ze zich mogelijk in dezelfde situatie bevinden als degenen die zich er wel op kunnen beroepen. Men kan het voorbeeld aanhalen van de notaris die op 50 jaar benoemd is en die op het ogenblik van de inwerkingtreding 72 jaar is : hij zal zijn loopbaan kunnen voortzetten tot 75 jaar en zal zijn ambt dus gedurende 25 jaar uitgeoefend hebben. De notaris die daarentegen benoemd is op dezelfde leeftijd van 50 jaar en die 63 jaar is op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, zal zijn ambt slechts tot 67 jaar kunnen uitoefenen, dus een loopbaan van 17 jaar.
Om deze problemen op te vangen wordt in het amendement voorgesteld dat de notarissen die vóór de inwerkingtreding van de wet benoemd zijn en die de leeftijd van 67 jaar bereiken, hun ambt kunnen voortzetten totdat de duur van dit ambt 30 jaar bereikt. Op die manier kunnen degenen die financiële verbintenissen aangegaan hebben, deze nakomen en zal iedereen zich op gelijke wijze kunnen beroepen op de overgangsbepaling.
Dit amendement wil de momenteel werkzame notarissen beschermen.
De minister verwijst naar de algemene bespreking. De overgangsperiode werd ingebouwd om de notarissen die vandaag de bepaalde leeftijdsgrens nog niet hebben bereikt, de gelegenheid te geven hun ontslag te plannen over een periode van drie jaar. De bedoeling was de overgangsperiode te verzachten.
Een lid is het principeel eens met het amendement, maar vreest dat het tot buitenissige situaties zal leiden. Hij geeft er de voorkeur aan de leeftijdgrens op 75 jaar vast te stellen.
De heer Desmedt dient daartoe een subamendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 24), luidende :
« De voorgestelde tekst aanvullen als volgt :
« Zij worden evenwel geacht ontslagnemend te zijn zodra zij de leeftijd van vijfenzeventig jaar hebben bereikt. »
Verantwoording
Amendement nr. 21 heeft een lovenswaardig doel, namelijk de notarissen in staat stellen de leningen af te lossen die zij eventueel aangegaan hebben om hun ambt te verkrijgen, en zodoende elke discriminerende maatregel uit de weg ruimen.
Het is echter moeilijk te aanvaarden dat een notaris na het bereiken van een redelijke maximumleeftijd zijn activiteit kan voortzetten.
Het amendement heeft dan ook tot doel een absolute leeftijdsgrens vast te stellen op 75 jaar.
Een lid kan zich hierbij aansluiten. De leeftijdsgrens van 75 jaar werd vroeger ook aangehouden voor de raadsheren in het Hof van Cassatie.
De minister wijst erop dat om het doel van het hoofdamendement te verwezenlijken, de tekst anders moet worden opgesteld.
Daarom dient de heer Lallemand c.s. een nieuw amendement in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 32) :
« Dit artikel aanvullen als volgt :
« Bovendien kunnen de notarissen die benoemd zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet en die op de leeftijd van 67 jaar het ambt nog niet gedurende 30 jaar vervullen, hun activiteit blijven uitoefenen totdat ze het ambt 30 jaar bekleden. Zij zijn in elk geval gehouden hun activiteit stop te zetten zodra ze de volle leeftijd van 75 jaar bereiken ».
Dit amendement strekt ertoe de belangen van de momenteel werkzame notarissen te beschermen, die bijvoorbeeld al uitgaven of investeringen hebben gedaan of leningen zijn aangegaan.
Amendement nr. 32 van de heer Lallemand c.s. wordt aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.
Amendement nr. 21 van de heer Lallemand c.s. en subamendement nr. 24 van de heer Desmedt worden daarom ingetrokken.
De heren Foret en Desmedt hadden ook een amendement ingediend, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 7) :
« De eerste volzin van dit artikel vervangen als volgt :
« Notarissen die bij de inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 67 jaar hebben bereikt, kunnen hun ambt blijven uitoefenen tot de leeftijd van 70 jaar. »
Verantwoording
De leeftijdslimiet die het wetsontwerp invoert, mag niet op de helling geplaatst worden want dit maakt een betere doorstroming en een stuk verjonging van het beroep mogelijk. Veel notarissen zijn echter op late leeftijd benoemd en hebben de vaak erg hoge investeringen voor de aankoop van een notariskantoor nog niet kunnen aflossen.
Dit amendement beoogt de notarissen die zevenenzestig jaar oud zijn, in staat te stellen hun ambt te blijven uitoefenen tot de leeftijd van zeventig jaar.
Ook dit amendement wordt ingetrokken.
Artikel 51 (artikel 52 van de aangenomen tekst)
Op dit artikel dienen de heren Foret en Desmedt een amendement en een subamendement in, luidende :
Hoofdamendement (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 2) :
« Dit artikel doen vervallen. »
Verantwoording
Dit amendement vloeit rechtstreeks voort uit de afschaffing van het maximumaantal kandidaat-notarissen die jaarlijks benoemd kunnen worden.
Subamendement op amendement nr. 2 (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 4) :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 51. In afwijking van artikel 35, § 2, eerste lid, van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt mag het totale aantal voor het eerste vergelijkend toelatingsexamen maximaal 250 bedragen en voor de daaropvolgende twee examens maximaal 120.
Een vierde van het totale aantal kandidaat-notarissen die tijdens de eerste drie jaar worden benoemd, moet tot de Franse taalrol behoren en een ander vierde moet tot de Nederlandse taalrol behoren. »
Verantwoording
Men schat dat er thans 50 kandidaat-notarissen per jaar nodig zijn om de plaatsen van ontslagnemende notarissen in te vullen. Dit aantal zal tijdelijk hoger liggen door het gedwongen ontslag van de notarissen die de in dit ontwerp ingestelde leeftijdslimiet van 67 jaar bereiken. Bovendien zullen er jaarlijks een twintigtal kandidaat-notarissen benoemd worden als « plaatsvervangende notaris ». Ten slotte moet men kunnen voorzien in de behoeften op het vlak van de geassocieerde notarissen : op dit ogenblik zou het om 200 tot 300 notariskantoren gaan.
De behoeften kunnen dus voor de jaren 2000 tot 2003 redelijkerwijs geraamd worden op 650 kandidaat-notarissen. Dit amendement beoogt dit doel dus te bereiken door voor de examens van de eerste drie jaren een afwijking in te voeren ten opzichte van het in artikel 35, § 2, bepaalde maximumaantal kandidaten.
Dankzij deze overgangsbepalingen zullen ook een aanzienlijk deel van de huidige licentiaten in het notariaat aan de slag kunnen. Daarom moet bepaald worden dat de helft van de benoemingen ten gevolge van de eerste drie examens die volgens de nieuwe wet georganiseerd worden, paritair verdeeld zullen worden tussen de Franstalige taalrol en de Nederlandstalige taalrol.
Mevrouw Williame-Boonen c.s. dient eveneens een amendement in dat ertoe strekt artikel 51 op te heffen. Het luidt als volgt (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 10) :
« Dit artikel doen vervallen. »
Verantwoording
Dit vloeit logisch voort uit het optrekken van het in artikel 35 bepaalde maximumaantal kandidaat-notarissen.
Ten slotte dienen de heren Vandenberghe en Bourgeois het volgende amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 30) :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« In afwijking van artikel 35, § 2, eerste lid van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, mag het totale aantal voor de eerste drie vergelijkende toelatingsproeven telkens maximaal 115 bedragen ».
Verantwoording
Na de inwerkingtreding van de nieuwe wet zullen er naar schatting 200 tot 300 associaties worden opgericht. Om er voor te zorgen dat er daartoe kandidaten beschikbaar zullen zijn, dienen de cijfers die worden voorzien in de overgangsbepaling te worden opgetrokken. Men moet er immers rekening mee houden dat er reeds jaarlijks naar schatting 40 kandidaat-notarissen nodig zullen zijn voor de vervanging van ontslagnemende notarissen.
Een lid verklaart dat hij zich kan aansluiten bij dit laatste amendement dat een compromis is, aangezien gedurende de overgangsperiode het maximum aantal bepaald is op drie keer 115 en dat vervolgens de oorspronkelijke voorgestelde regeling van toepassing zal zijn mits wordt overgegaan tot de geplande evaluatie.
Amendement nr. 30 van de heren Vandenberghe en Bourgeois wordt aangenomen met 8 stemmen bij 3 onthoudingen.
Amendement nr. 2 van de heren Foret en Desmedt wordt derhalve overbodig.
De amendementen nrs. 4 van de heren Foret en Desmedt en nr. 10 van mevrouw Williame-Boonen c.s. worden ingetrokken.
Artikel 53 (artikel 54 van de aangenomen tekst)
De heren Vandenberghe en Bourgeois dienen een amendement in luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 31)
« Het tweede lid schrappen. »
Verantwoording
Deze bepaling regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en dient derhalve te worden opgenomen in het bicamerale ontwerp.
Dit amendement wordt door de 13 aanwezige leden eenparig goedgekeurd.
Ten slotte wordt in een interpretatieve overgangsbepaling verduidelijkt dat tijdens de periode waarin de wet van kracht wordt, een erenotaris kan optreden als plaatsvervangende notaris. In afwachting van de eerste resultaten van het vergelijkend examen beschikt men immers niet over andere kandidaten die kunnen optreden als plaatsvervanger in geval van overlijden of indien een kantoor vrijkomt bij gebrek aan titularis.
Het is de bedoeling sneller in een plaatsvervanger te kunnen voorzien aangezien het ambt van plaatsvervanger thans slechts bestaat in het geval van concurrerende notarissen wat niet gezond is voor het betrokken kantoor.
De heer Goris dient een amendement in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 19) :
« Na het tweede lid een nieuw lid invoegen, luidende :
« Ten behoeve van de licentiaten in het notariaat die de stage voorzien in het kader van het notarisambt hebben volbracht, wordt door de Koning, uiterlijk tegen 31 december 1999, een eenmalige toelatingsproef georganiseerd. De Koning benoemt vervolgens de geslaagden tot kandidaat-notaris. Deze benoemingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. »
Verantwoording
Een verregaande hervorming vraagt veelal een gepaste overgangsregeling om voor alle betrokkenen aanvaardbaar te zijn. Momenteel werken binnen het notariaat talrijke licentiaten in het notariaat die hun stage sinds lang hebben beëindigd en die de functie van (eerste) klerk uitoefenen. Deze mensen kunnen bogen op een uitgebreide praktijkervaring en het zou onredelijk zijn hen ingevolge de nieuwe wet de ganse procedure van schriftelijk en mondeling examen via het benoemingscollege te laten doorlopen.
Vandaar dat deze overgangsregel in een eemalige operatie voorziet. Op grond van een korte examenprocedure kan een uitdovende groep bekwame licentiaten in het notariaat die sinds lang afgestudeerd zijn en de stage hebben doorlopen, de mogelijkheid worden geboden zich b.v. te laten associëren en aldus volledig in het hervormde notarisambt te participeren.
Het amendement strekt ertoe een eenmalige toelatingsproef te organiseren voor alle kandidaat-notarissen die op het einde van dit jaar reeds in de mogelijkheid zijn om te postuleren of reeds gepostuleerd hebben.
De minister wijst erop dat de indiener van het amendement hier een groep van kandidaten viseert die noodzakelijkerwijze ouder zijn dan 27 jaar. Zulke bepaling, gecombineerd met een eventuele verhoging van het aantal kandidaten, zal het effect van de wet op het vlak van de kwaliteit en de objectivering van de selectie volledig teniet doen. Inderdaad komt dan een zeer grote groep kandidaat-notarissen in aanmerking om benoemd te worden en zal hun verwachtingspatroon snel te kunnen associëren of benoemd te worden als notaris-titularis, niet ingevuld kunnen worden.
Indiener van het amendement onderstreept dat de groep inderdaad ouder is dan 27 jaar, maar men moet ook voor ogen houden dat hier ook personen bij zijn van 50 jaar. Het ontwerp leidt tot een onmenselijke situatie op sociaal vlak. Personen die reeds een aantal keren hebben gepostuleerd, vallen nu uit de boot en moeten een examen afleggen. Tevens stelt spreker zich vragen over de legaliteit van zulke maatregel.
De minister wijst erop dat de legaliteit moeilijk in vraag kan worden gesteld. Men kan geen recht laten gelden ten opzichte van een titel die niet bestaat. Het aantal keren dat men postuleert is niet relevant. De bedoeling van het ontwerp is dat er een preselectie gebeurt op basis van de kwaliteit.
De minister onderstreept dat het amendement het mogelijk maakt de quotaregeling te omzeilen.
In dit verband wordt verwezen naar de bespreking van amendement nr. 27 van de heren Vandenberghe en Bourgeois, op artikel 39, § 2 artikel 21 van het ontwerp (zie supra ).
Het amendement wordt verworpen met 9 tegen 3 stemmen.
Artikel 57 (artikel 58 van de aangenomen tekst)
De heren Foret en Desmedt dienen een amendement in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1276/2, amendement nr. 8) :
« Het tweede en het derde lid van dit artikel vervangen als volgt :
« Voor de plaatsen die in het Belgisch Staatsblad vacant zijn verklaard vóór de eerste installatie van de benoemingscommissies bedoeld in artikel 38 van deze wet, kan de benoeming nog geschieden op grond van de bepalingen die van kracht waren vóór de goedkeuring van deze wet. »
Verantwoording
Men kan vrezen dat de invoering van de nieuwe benoemingsprocedure van de kandidaat-notarissen die in het wetsontwerp voorgesteld wordt, pas binnen een goed jaar zal ingaan. Als men ervan uitgaat dat het eerste deel van het examen in de loop van het eerste semester van 2001 zal plaatsvinden, moet men besluiten dat er geen benoeming in de hoedanigheid van « kandidaat-notaris » zal geschieden vóór de herfst van hetzelfde jaar. Volgens de in het wetsontwerp voorgestelde procedure zal de benoeming immers niet onmiddellijk na het verbeteren van dat examengedeelte en de uitgevoerde selectie plaatsvinden.
De benoemingscommissies moeten na verschillende adviezen en verhoren hun rangschikking mededelen aan de minister. Pas dan kan de Koning zich uitspreken.
Bijgevolg zullen de eerste benoemingen volgens deze nieuwe procedure niet plaatsvinden vóór de lente van 2002. Er bestaat geen enkele reden om de benoemingen van kandidaat-notarissen voor vacante plaatsen gedurende twee en een half jaar te blokkeren.
Dit amendement beoogt dus de afschaffing van de bepaling volgens welke alle benoemingen voor plaatsen die vanaf 3 mei 1999 vacant worden, dienen te geschieden volgens de nieuwe procedure. Het amendement bepaalt dat de nieuwe benoemingsprocedure eerst toegepast zal worden op de benoemingen voor plaatsen die openvallen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het eerste koninklijk besluit ter uitvoering van deze procedure.
Een van de indieners van het amendement preciseert dat de regering voorziet dat tussen 3 mei 1999 en de inwerkingtreding van de wet die wellicht nog een jaar tot anderhalf jaar zal uitblijven voor vacant geworden posten van notaris, erenotarissen zullen worden benoemd die als interimarissen zullen fungeren.
Die oplossing lijkt niet geschikt. Daarom acht spreker het veel rationeler te bepalen dat tot de inwerkingtreding van de nieuwe wet de huidige wet van toepassing blijft.
De minister antwoordt dat het doel van het ontwerpartikel is te voorkomen dat notarissen niet te snel ontslag nemen om hun opvolger nog te laten benoemen op grond van de huidige wet.
Dit argument is nauwelijks overtuigend.
Een overgangsbepaling heeft in voorkomend geval geen bestaansreden.
Spreker vraagt zich overigens af op welke grond men erenotarissen zal aanwijzen.
De minister antwoordt dat in het ontwerp duidelijk bepaald wordt dat een notaris die ontslag neemt zijn functie kan blijven uitoefenen tot zijn opvolger benoemd is.
Het ontwerp bepaalt ook dat notarissen-plaatsvervangers kunnen worden aangewezen doch dat erenotarissen niet kunnen worden aangewezen als plaatsvervangers.
Amendement nr. 8 van de heren Foret en Desmedt wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Eindstemming
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 4 onthoudingen.
Eenparig wordt vertrouwen geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van het verslag.
Tekstverbeteringen
De commissie besloot eveneens een aantal tekstverbeteringen aan te nemen. Deze verbeteringen zijn onderstreept in de aangenomen tekst (Stuk Senaat, nr. 1-1276/4).
Opschrift
Zie infra , de bespreking van artikel 1bis .
Artikel 1
Zie onder A, artikel 1, van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt.
Dit artikel wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Artikel 1bis (nieuw) (art. 2 van de aangenomen tekst)
De heren Vandenberghe en Bourgeois dienen een amendement in, luidende (Stuk Senaat, nr. 1-1277/2, amendement nr. 2) :
« Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 1bis. In artikel 38 van de wet van 25 ventôse jaar XI, opnieuw ingevoegd door de wet van ..., wordt in § 5 een nieuw derde lid ingevoegd, luidend als volgt :
§ 5. « De overige werkende leden en hun plaatsvervangers worden, afwisselend door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat aangewezen met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. »
Verantwoording
Zie het amendement nr. 29 op artikel 21 van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt.
Dit amendement wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Ten gevolge van dit amendement dient het opschrift te worden gewijzigd. Het opschrift luidt : « Wetsontwerp tot aanvulling van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, met de artikelen 38/5, 76, 1º, 78 tot 85 en 95 tot 112.
Artikel 2 (artikel 3 van de aangenomen tekst)
Een lid wijst op het verouderde woordgebruik, zoals « genootschap ».
De minister herinnert er aan dat de mogelijkheid om een nieuwe terminologie in te voeren in de Kamer is besproken.
Uiteindelijk heeft men gekozen voor het behoud van de bestaande termen omdat ze beter bekend zijn en minder aanleiding geven tot verwarring.
In een modernere terminologie zou « het genootschap » vervangen zijn door « de kamer » en « de kamer » door « het bureau ».
Het artikel wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Artikel 3 (artikel 4 van de aangenomen tekst)
Artikel 78
Een lid vraagt waarom men tenminste tien jaar het ambt van notaris moet hebben uitgeoefend om verkozen te kunnen worden als voorzitter van het genootschap.
De minister antwoordt dat men het nodig heeft gevonden dat de voorzitter enige ervaring heeft en de zeden en gewoonten van het genootschap kent.
Bovendien zijn de kandidaat-notarissen in het genootschap vertegenwoordigd op voet van gelijkheid met de notarissen-titularis. Het lijkt dus nodig ervoor te zorgen dat de voorzitter goed vertrouwd is met het notarisambt.
Spreker herinnert eraan dat men bovendien de andere bepalingen van de huidige wet niet heeft laten vallen die ertoe strekten enige voorrang te geven aan de leden die het notarisambt al het langst uitoefenen.
Een lid vraagt of de minister, in verband met het voorgestelde artikel 78, tweede lid, een overzicht kan geven van de samenstelling van de kamers, met het aantal notarissen per kamer.
De minister overhandigt de commissie de hierna volgende tabel met de gevraagde gegevens :
| Arrondissement judicaire Gerechtelijk arrondissement |
Nombre d'habitants Aantal inwoners |
Nombre de notaires (conf. art. 31 Code judiciaire Aantal notarissen (overeenk. art. 31 Gerechtelijk Wetboek) |
Nombre de notaires actuels Huidig aantal notarissen |
| Anvers. Anwerpen | 928 386 | 103,2 | 110 |
| Malines. Mechelen | 307 188 | 34,1 | 33 |
| Turnhout | 402 283 | 44,7 | 40 |
| Hasselt | 423 896 | 47,1 | 39 |
| Tongres. Tongeren | 360 031 | 40,0 | 32 |
| Bruxelles. Brussel | 1 507 285 | 167,5 | 172 |
| Louvain. Leuven | 453 772 | 50,4 | 49 |
| Nivelles. Nijvel | 345 184 | 38,4 | 32 |
| Termonde. Dendermonde | 583 494 | 64,8 | 68 |
| Gand. Gent | 572 913 | 63,7 | 80 |
| Audenaerde. Oudenaarde | 201 169 | 28,7 | 30 |
| Bruges. Brugge | 480 388 | 53,4 | 53 |
| Ypres. Ieper | 120 290 | 20,05 | 23 |
| Furnes. Veurne | 89 895 | 14,98 | 13 |
| Courtrai. Kortrijk | 434 567 | 48,3 | 50 |
| Huy. Hoei | 144 361 | 24,1 | 23 |
| Liège. Luik | 615 333 | 68,4 | 78 |
| Verviers. Eupen | 263 317 | 29,3 | 35 |
| Arlon. Aarlen | 99 339 | 16,6 | 15 |
| Neufchâteau | 78 348 | 13,1 | 15 |
| Dinant | 161 627 | 23,1 | 26 |
| Marche | 65 530 | 13,1 | 16 |
| Namur. Namen | 270 286 | 30,0 | 32 |
| Charleroi | 571 207 | 63,5 | 67 |
| Mons. Bergen | 415 376 | 46,2 | 48 |
| Tournai. Doornik | 296 799 | 33,0 | 45 |
| Total. Totaal | 10 192 264 | 1 171 | 1 224 |
Een lid merkt op dat die samenstelling afhankelijk is van het feit of men het genootschap al dan niet op provinciaal niveau organiseert, zoals bepaald in het optioneel bicameraal wetsontwerp.
Een ander lid verwijst naar brieven van een erenotaris, die de aandacht vestigt op het bijzondere probleem van Halle-Vilvoorde.
Daarop verwijst een ander lid naar artikel 38bis voorgesteld in artikel 21 van het optioneel bicameraal wetsontwerp en dat bepaalt dat bij het instellen van de adviescomités het grondgebied van de kantons van de tweetalige vredegerechten van het gerechtelijk arrondissement Brussel beschouwd wordt als een elfde provincie.
Spreker vraagt zich af of die bepaling ook van toepassing is in tuchtzaken. Welke procureur des Konings is inzake tuchtrecht bevoegd, bijvoorbeeld voor een notaris te Halle ?
De minister antwoordt dat de procureur van Brussel bevoegd is. Voor tuchtzaken wordt immers de regel van artikel 38bis toegepast. In het geval van een notaris te Halle zal het echter wel het Vlaams-Brabantse genootschap van notarissen zijn, met zetel te Leuven, dat uitspraak doet.
Artikel 79
Een lid vraagt of de termijn van een jaar voor het voorzitterschap niet te kort is.
De minister zegt dat dit tegenwoordig de normale gang van zaken is, die gewoonlijk geen problemen oplevert. Het mandaat kan bovendien verlengd worden, zonder echter een totaal van drie opeenvolgende jaren te mogen overschrijden.
De huidige voorzitter is afkomstig uit de kamer, wat door de samenstelling van die kamer een zekere continuïteit waarborgt.
Het basisprincipe is de voorzitter niet a priori een te lang mandaat te geven. Het gaat niet om een korpschef maar om iemand die voor een bepaalde periode het « gezicht » is van de kamer en die een belangrijke opdracht heeft op het gebied van het tuchtrecht. Het zou gevaarlijk zijn hem voor een te lange periode te kiezen.
Naar aanleiding van § 2 van het voorgestelde artikel 79 herhaalt de voriger spreker zijn opmerking betreffende artikel 78 en de organisatie van het genootschap op provinciaal niveau.
De minister antwoordt dat de bepaling haar relevantie slechts verliest indien men terugkeert naar het systeem met een kamer per arrondissement, wat gezien het beperkte aantal notarissen in bepaalde arrondissementen niet haalbaar is.
Een lid merkt op dat enerzijds te kleine genootschappen of kamers niet wenselijk zijn, aangezien de onvermijdelijk nauwe banden tussen de leden problemen kunnen opleveren bij de behandeling van tuchtzaken.
In tuchtzaken kan ook een provinciale structuur tot moeilijkheden leiden, vooral te Antwerpen. Er zijn namelijk 110 notarissen in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, 33 in dat van Mechelen en 40 in dat van Turnhout.
De 110 notarissen van Antwerpen beschikken over evenveel stemmen als er vacante plaatsen zijn. Indien zij bijgevolg samen dezelfde stem uitbrengen, bepamen zij in hun eentje de samenstelling van de provinciale kamer van Antwerpen, Mechelen en Turnhout, die elk één vertegenwoordiger krijgen.
De minister antwoordt dat men ervan mag uitgaan dat notarissen uit meer landelijke streken in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen zich waarschijnlijk meer verwant voelen met hun collega's uit Turnhout dan met hun collega's uit de stad Antwerpen.
Artikelen 80 en 81
Een lid stelt vast dat volgens het slot van dit artikel herverkiezing mogelijk is. Hij vraagt of dat meer dan één keer kan.
De minister antwoordt dat er voor de leden van de kamer geen beperking geldt in tegenstelling tot wat voor de voorzitter is bepaald.
De vorige spreker antwoordt dat iemand zich dus gedurende jaren in de functie van ondervoorzitter zou kunnen nestelen en in feite over aanzienlijke macht beschikken.
De minister merkt op dat overeenkomstig artikel 80, tweede lid, een lid in geen geval gedurende meer dan drie opeenvolgende jaren mag aanblijven.
Artikel 82
Een lid verwijst naar de reeds voordien gestelde algemene vraag over de samenstelling van de kamer in tuchtzaken. Wat moet er gebeuren met het argument over de werking van de Orde van advocaten, waarover in een zaak die bij het hof van beroep van Antwerpen aanhang is gemaakt de verdediging met de steun van het parket-generaal een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Arbitragehof.
Het argument is dat de raad van de Orde van advocaten niet wordt voorgezeten door een magistraat. Dat is een vorm van discriminatie ten opzichte van de regeling die voor andere beroepen geldt, en waarbij een magistraat de tuchtcolleges in eerste aanleg voorzit.
De minister antwoordt dat een belangrijk verschilpunt hierin zit dat beroep openstaat bij de rechtbank van eerste aanleg zodat een college van beroepsrechters in laatste instantie uitspraak doet.
Een lid wijst erop dat de redenering in Antwerpen niet gebaseerd was op artikel 6 van het EVRM maar op het bestaan van een discriminatie, te weten dat een uitsluitend uit collega's samengestelde instantie minder waarborgen biedt. Bij andere beroepsverenigingen, zoals de Orde van geneesheren, is de voorzitter van het tuchtcollege in eerste aanleg een magistraat en kan beroep worden ingesteld bij een instantie die uit verscheidene magistraten bestaat.
De minister herhaalt dat met dit ontwerp het verschil hierin bestaat dat de beroepsinstantie uitsluitend magistraten telt zodat de procedure van beroep volledig wordt onttrokken aan de invloed van de vertegenwoordigers van het beroep.
De tuchtraad in beroep van de advocaten daarentegen telt een meerderheid van advocaten en daar is alleen de voorzitter een magistraat.
Voor de notarissen komt daar nog een bijkomende garantie bij omdat de kamer uitsluitend tuchtstraffen van eigen rechtsmacht mag opleggen die lichter zijn.
Een lid voegt eraan toe dat men notarissen, die openbare ambtenaren zijn, niet mag vergelijken met de vertegenwoordigers van zelfstandige beroepen, zoals de advocaten.
Artikel 84
Een lid wijst erop dat dit artikel een aanzienlijk aanwezigheidsquorum vereist zodat een derde van de kamer de werkzaamheden volledig kan lamleggen. Vergeleken met andere beroepsverenigingen gaat het hier om een novum. Wat staat er te gebeuren als dat quorum niet wordt bereikt ?
Bij een vennootschap kan men met een eenvoudige meerderheid een tweede algemene vergadering beleggen met dezelfde agenda.
De minister herinnert eraan dat het quorum voor de kamer geldt en niet voor het genootschap. Thans moeten de leden gewoon aanwezig zijn. De notarissen hebben dan ook gevraagd dat te wijzigen.
De ontwerptekst wil waarborgen bieden voor een correcte werking van de kamer doch minder vereisten opleggen dan voordien.
Bovendien mag men ervan uitgaan dat wie actief heeft meegewerkt aan de werkzaamheden van een kamer van notarissen, ook aanwezig wil zijn op de vergaderingen. De vergelijking met de regeling bij de vennootschappen snijdt geen hout.
Het lid merkt op dat wanneer er een tuchtprocedure aanhangig is, bijvoorbeeld tegen drie van de zeven leden van de kamer, die drie leden onderling kunnen afspreken de vergadering niet bij te wonen. Zo raakt alles in het slop.
De minister herinnert eraan dat de procureur des Konings bevoegd is om zelf, als hij vaststelt dat de kamer niet als tuchtinstantie optreedt, een tuchtprocedure te starten voor de rechtbank, die overeenkomstig het in artikel 4 van het ontwerp voorgestelde artikel 110 zowel tuchtstraffen van eigen rechtsmacht kan opleggen als hogere tuchtstraffen.
De minister verwijst ook naar artikel 101 over de wraking, waarvan het derde lid bepaalt dat de gewraakte leden niet deelnemen aan het debat noch aan de stemming, en dat zij worden vervangen door verkiesbare leden die door loting worden aangeduid.
De minister verduidelijkt ook nog dat artikel 108, opgenomen in artikel 4, het probleem regelt van de samenloop van een procedure voor de kamer van notarissen en voor de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg.
De dagvaarding om voor die rechtbank te verschijnen heeft tot gevolg dat de zaak aan de kamer van notarissen wordt onttrokken. Als het probleem zo ernstig is dat binnen de kamer van notarissen een blokkering ontstaat, zal de procureur de zaak zeker voor de rechtbank aanhangig maken.
Een lid acht het wenselijk om te voorzien in een procedure binnen de kamer van notarissen zodat niet te snel een beroep wordt gedaan op een instantie van buitenaf.
Waarom regelt men in artikel 84 niet de mogelijkheid dat het quorum niet wordt bereikt, eventueel zelfs meerdere keren na elkaar ?
Een ander lid wijst erop dat wanneer men voor de rechtbank gedagvaard is, de rechter voor de strafmaat niet gebonden is door het requisitoir, zodat men het risico loopt op een veel zwaardere straf, wat niet het geval is wanneer men voor de kamer van notarissen moet verschijnen. De oplossing die aan het probleem wordt gegeven, is dus niet neutraal.
De minister meent dat het in elk geval wenselijk is dat de zaak voor de rechtbank wordt gebracht wanneer tuchtstraffen worden uitgesproken tegen leden van de kamer van notarissen, want die kunnen moeilijk door hun collega's worden beoordeeld.
Een lid benadrukt dat de procureur des Konings altijd op de hoogte wordt gebracht van een dagvaarding door de kamer van notarissen. Elke dagvaarding wordt hem dus meegedeeld, zodat hij de zaak altijd aan de kamer van notarissen kan onttrekken, zelfs voor minder belangrijke feiten. Er zijn dus manipulaties mogelijk.
De minister antwoordt dat het probleem niet opgelost is door in artikel 84 het quorum van 2/3 te vervangen door een quorum van de helft van de leden plus een. Een oplossing zou zijn om het quorum gewoon af te schaffen, wat bij tuchtzaken ook gevaarlijk kan zijn.
Een commissielied zou het correcter vinden als de vervolgde persoon de zaak zelf voor de rechtbank zou kunnen brengen.
De minister antwoordt dat het voldoende is om beroep in te stellen.
Artikel 85
Geen opmerkingen
Het artikel wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Artikel 4 (artikel 5 van de aangenomen tekst)
Artikel 96
Een lid vraagt of de tuchtrechtelijke geldboete van 5 000 tot 200 000 frank waarin artikel 96 voorziet, berekend wordt zoals een strafrechtelijke boete.
De minister antwoordt ontkennend. Er wordt geen coëfficiënt op die boete toegepast.
Artikel 97
Een commissielid vraagt waarom er geen maximumtermijn is vastgesteld voor de schorsing bepaald in het 2º. Een langdurige schorsing komt immers neer op een stopzetting van de activiteit.
De minister antwoordt dat de ventôsewet geen maximumtermijn bepaalt. Het is de rechtbank die hierover een uitspraak doet.
Hij onderstreept dat het ontwerp bepaalt dat het, bij schorsing, mogelijk is een plaatsvervanger aan te wijzen zodat het kantoor kan blijven functioneren.
De vorige spreker antwoordt dat in de wet ten minste een aanwijzing moet zijn opgenomen betreffende de maximumtermijn van de schorsing. Dat is overigens ook zo in de tuchtregelingen die van toepassing zijn op andere beroepen.
Hetzelfde lid wijst op het geval van iemand die voor de kamer van notarissen gedagvaard wordt en een tuchtstraf van eigen rechtsmacht dreigt op te lopen. Die wordt uitgesproken en de betrokkene stelt beroep in. In beroep wordt de straf verzwaard. Is daarvoor eenparigheid vereist?
Vanaf een bepaald niveau kunnen tuchtsancties overeenkomstig artikel 6 van het EVRM immers straffen worden, naar gelang van de aard van het misdrijf of de aard van de sanctie, enz.
In strafzaken is eenparigheid vereist wanneer een strafverzwaring wordt uitgesproken. Het begrip straf wordt in artikel 6 van het EVRM niet beoordeeld op grond van het feit of men zich al dan niet in het kader van het strafrecht bevindt maar op grond van de autonome interpretatie van de aard van de sanctie.
Spreker is eveneens van mening dat de zaak moet worden voorgelegd aan een kamer met drie rechters. In de rechtbank van eerste aanleg worden de tuchtzaken thans behandeld door kamers met drie rechters.
Een lid verwijst in dit verband naar artikel 92, 6º, van het Gerechtelijk Wetboek dat daarin uitdrukkelijk voorziet. In het kader van dit ontwerp is dus ook de kamer met drie rechters noodzakelijk, ongeacht of de rechtbank in eerste aanleg of in beroep zitting houdt.
Een ander lid wijst op de volgende toestand.
De kamer van notarissen legt in eerste aanleg een geldboete op van 100 000 frank. De procureur des Konings gaat in beroep. In beroep spreekt de rechtbank van eerste aanleg een schorsing van drie jaar uit. Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen meer open.
Voor eenzelfde rechtsgebied, bijvoorbeeld dat van de provincie Antwerpen, zijn evenwel drie verschillende rechtbanken van eerste aanleg bevoegd (Antwerpen, Turnhout en Mechelen) voor de beroepen ingesteld tegen beslissingen van de kamers van notarissen die tuchtstraffen van eigen rechtsmacht opleggen.
Dit doet een probleem rijzen met betrekking tot de eenheid van de rechtspraak. Een soortgelijke moeilijkheid doet zich overigens voor in Brussel en Halle-Vilvoorde.
De minister verklaart dat onderzocht moet worden of het voor hogere tuchtstraffen niet wenselijk is te voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen bij het hof van beroep.
Een commissielid herinnert eraan dat indien de kamer van mening is dat de feiten bestraft moeten worden met een hogere tuchtstraf, thans onmiddellijk gedagvaard wordt voor de rechtbank van eerste aanleg.
De in het ontwerp opgenomen regeling stelt de procureur des Konings in staat te voorkomen dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij het hof van beroep.
Er zijn twee oplossingen mogelijk : ofwel schrapt men in artikel 107, derde lid, de uitzondering die gemaakt wordt wanneer het beroep wordt ingesteld door de procureur des Konings, ofwel bepaalt men dat wanneer de procureur kennis heeft van een dagvaarding voor de kamer en van mening is dat een hogere tuchtstraf moet worden uitgesproken, hij de betrokkene moet dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg.
In antwoord op een vorige spreker verduidelijkt de minister dat zodra er strafrechtelijke feiten zijn, de kamer van notarisen niet langer bevoegd is. Het komt de procureur des Konings toe de zaak aanhangig te maken bij de strafrechter.
Artikel 108 Tuchtprocedure voor de burgerlijke rechtbank
Een lid is van oordeel dat de voorgestelde procedure ter wille van de rechtszekerheid moet worden geamendeerd.
1. Overeenkomstig het voorgestelde artikel 98 neemt de kamer van notarissen kennis van de tuchtzaken, hetzij ambtshalve, hetzij op klacht, hetzij op schriftelijke aangifte van de procureur des Konings. Overeenkomstig het voorgestelde artikel 103 kan de kamer van notarissen de in artikel 96 bepaalde lagere tuchtstraffen opleggen. Hiertegen staat beroep open bij de burgerlijke rechtbank die krachtens het voorgestelde artikel 107, laatste lid, behalve het geval waarin het beroep wordt ingesteld door de procureur des Konings, alleen de in artikel 96 bepaalde straffen kan opleggen of de betrokkene kan vrijspreken.
De burgerlijke rechtbank kan dus, volgens de spreker, lagere of zwaardere straffen uitspreken binnen het kader van artikel 96, maar kan niet de hogere in artikel 97 bepaalde tuchtstraffen opleggen.
2. Indien de procureur des Konings of de kamer van notarissen de zaak bij de burgerlijke rechtbank aanhangig maken, kan deze krachtens het voorgestelde artikel 110, § 1, zowel de in artikel 96 als de in artikel 97 bepaalde tuchtstraffen opleggen, behalve in het geval bedoeld in artikel 107, laatste lid. Tegen de beslissing van de burgerlijke rechtbank staat hoger beroep open bij het hof van beroep.
3. Voorts rijst de vraag op welk tijdstip de procureur des Konings een zaak nog aan de kamer van notarissen kan onttrekken. Bijvoorbeeld, de kamer van notarissen trekt een zaak ambtshalve aan zich omdat zij slechts een lagere tuchtstraf wenst op te leggen, terwijl de procureur des Konings de betrokkene voor de burgerlijke rechtbank wil dagvaarden omdt hij een hogere in artikel 97 bedoelde tuchtstraf verantwoord acht.
Overeenkomstig artikel 108, eerste lid, kan dit voor zover de kamer van notarissen voor dezelfde feiten nog geen tuchtstraf heeft uitgesproken.
Volgens het lid zou dit op een andere wijze moeten worden geformuleerd, bijvoorbeeld door te bepalen dat de ontrekking mogelijk is tenzij de zaak reeds aanhangig is bij de kamer van notarissen. Anders kunnen er voor dezelfde feiten twee procedures tegen dezelfde persoon worden ingeleid bij de kamer van notarissen en bij de rechtbank van eerste aanleg. Aangezien het echter de bedoeling is prioriteit te geven aan de procedure voor de burgerlijke rechtbank, moet de onttrekking mogelijk zijn, onverminderd het feit dat de zaak aanhangig is bij de kamer van notarissen.
4. Met betrekking tot het voorgestelde artikel 110, § 2, wenst het lid de samenhang te kennen tussen het eerste lid, luidens hetwelk de beslissingen van de burgerlijke rechtbank niet uitvoerbaar zijn bij voorraad, en het tweede lid, krachtens hetwelk de notaris, in geval van schorsing of ontzetting uit zijn ambt, de uitoefening van zijn beroep moet stopzetten.
Indien men bepaalt dat de beslissingen slechts uitvoerbaar zijn na hoger beroep en eventueel cassatie, maar daarvan afwijkt door te bepalen dat bij schorsing en afzetting de uitoefening van het beroep onmiddellijk moet worden stopgezet, dan moet die maatregel afzonderlijk worden opgelegd op grond van een rechterlijke beslissing. De wettekst zou dat onderscheid duidelijk moeten weergeven.
De huidige formulering geeft de indruk dat de beslissingen langs de ene kant niet uitvoerbaar zijn, maar het langs de andere kant wel zijn. Dit schept verwarring. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de betrokken notaris wanneer de beslissing houdende schorsing of afzetting in hoger beroep wordt gewijzigd ?
Spreker maakt een vergelijking met de advocatuur waar de stafhouder bepaalde bewarende maatregelen kan nemen, ongeacht of er al dan niet reeds een uitspraak is gedaan.
De minister verklaart dat het voorgestelde artikel 108, tweede lid, alle twijfel wegneemt omtrent het gevaar van twee parallelle procedures voor de kamer van notarissen en de burgerlijke rechtbank.
Dit artikel bepaalt immers expliciet dat de dagvaarding om voor de rechtbank te verschijnen tot gevolg heeft dat de zaak aan de kamer van notarisen wordt onttrokken.
Wat de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad betreft, wijst hij erop dat het wetsontwerp verder gaat dan de bestaande wetgeving. Bovendien voorziet het wetsontwerp en dat is een nieuwigheid in de preventieve schorsing van een notaris die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke vervolging of tuchtrechtelijke procedure wegens feiten die aanleiding kunnen geven tot een hogere tuchtstraf (het voorgestelde artikel 112). De ratio legis is dat hij door de voortzetting van zijn beroepsactiveit derden ernstig nadeel kan berokkenen zodat het niet verantwoord is dat hij zijn ambt verder uitoefent.
Wanneer een notaris dus wordt geschorst, heeft het geen zin de tuchtstraf pas te laten ingaan nadat de zaak jaren later in hoger beroep of cassatie is afgehandeld. Als de rechtbank van eerste aanleg van oordeel is dat de feiten een schorsing verantwoorden, dan volgt uit de aard van die straf dat ze uitvoerbaar bij voorraad moet zijn. Anders is deze tuchtstraf niet werkbaar en mist ze haar effect.
Spreker geeft toe dat een andere regeling mogelijk is, bijvoorbeeld dat de rechter die de preventieve schorsing kan uitspreken, die schorsing effectief oplegt. Er moet evenwel voor worden gewaakt dat die schorsing voldoende lang kan worden gehandhaafd.
Eerder werd gevraagd de duur van de schorsing als tuchtstraf te beperken.
De minister is evenwel van oordeel dat deze beperking niet van toepassing kan zijn op een preventieve schorsing tijdens een beroepsprocedure voor een hof van beroep of de behandeling van een voorziening in cassatie, die verschillende jaren kunnen aanslepen (cf. artikel 112, § 1, derde lid).
Artikel 112 betreffende de preventieve schorsing bevat voldoende waarborgen opdat deze schorsing kan worden opgeheven (zie artikel 112, § 3).
Het probleem is echter dat, wanneer de preventieve schorsing langer dan twee jaar duurt, zij het karakter krijgt van een straf. Is het maatschappelijk aanvaardbaar dat de notaris die in eerste aanleg wordt geschorst, door de aanwending van allerlei proceduremiddelen zijn ambt effectief tijdens de beroepsprocedure kan blijven uitoefenen ?
Een lid kan in deze redenering meegaan. Maar kan het probleem dan niet op de volgende wijze worden opgelost ?
1. De beslissingen zijn als dusdanig niet uitvoerbaar.
2. De procureur des Konings kan op grond van de beslissing tot schorsing of afzetting de procedure van de preventieve schorsing opstarten, hangende het beroep of het cassatieberoep.
3. Eventueel kan de betrokkene na zes maanden of de helft van de opgelegde termijn de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in kort geding om de opheffing van de preventieve schorsing verzoeken.
4. De twee in artikel 110, § 2, tweede lid, bepaalde uitzonderingen op de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissingen van de burgerlijke rechtbank moeten worden opgenomen in de procedure betreffende de preventieve schorsing. Het voordeel hiervan is dat er op deze maatregelen controle wordt uitgeoefend door een andere rechter dan de burgerlijke rechtbank in eerste aanleg.
Een tweede mogelijkheid, die evenwel een inbreuk uitmaakt op de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad, houdt in dat de burgerlijke rechtbank de in artikel 110, § 2, tweede lid, bepaalde maatregel in haar beslissing tot schorsing of afzetting opneemt, indien zij dat verantwoord acht. Deze beslissing kan dan in hoger beroep worden aangevochten. De betrokken notaris zal het hof van beroep dan bij de inleiding van de zaak om de spoedbehandeling van de opheffing van de bewarende maatregel moeten verzoeken.
Spreker verklaart dat vooral deze laatste piste hem evenwichtig lijkt.
De minister verklaart deze kwestie nader te zullen onderzoeken. Vooral de tweede mogelijkheid waarbij de burgerlijke rechtbank het verbod tot uitoefening van het beroep facultatief in het kader van de door haar uitgesproken tuchtstraf kan opleggen, lijkt hem het overwegen waard omdat het recht op hoger beroep tegen deze beslissing wordt gewaarborgd.
Een lid verklaart dat het voordeel van deze oplossing is dat de rechter die kennis neemt van de tuchtvordering, de in artikel 110, § 2, tweede lid, bepaalde maatregelen als onderdeel van de tuchtstraf kan opleggen, onverminderd de niet-uitvoerbaarheid van de hoofdbeslissing.
De minister merkt op dat deze procedure dan eveneens moet gelden in geval van ontzetting uit het ambt. De burgerlijke rechtbank die een notaris uit zijn ambt ontzet, zou derhalve over de mogelijkheid beschikken hem onmiddellijk bij wijze van tuchtstraf te schorsen. Deze straf zou dan voor de loop van een procedure gelden.
De heer Bourgeois dient een amendement in luidend als volgt (Stuk Senaat, nr. 1-1277/2, amendement nr. 1) :
« In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 100, na de eerste zin, de volgende zin invoegen :
« Van deze oproeping wordt gelijktijdig een kopij overgezonden aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waar de betrokken notaris zijn standplaats heeft. »
B. Het derde lid van het voorgestelde artikel 107 vervangen als volgt :
« Zij kan alleen de in artikel 96 bedoelde straffen opleggen of het lid van het genootschap aan wie het feit ten laste is gelegd, vrijspreken. »
Verantwoording
De procureur heeft de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen tegen een tuchtstraf uitgesproken door een Kamer van notaris, en daarbij zelfs een hogere tuchtstraf te vorderen, bij de rechtbank van eerste aanleg. Deze rechtbank zou dan in laatste aanleg een hogere tuchtstraf kunnen opleggen. Dit zou een inbreuk kunnen zijn op de rechten van verdediging.
Het Internationaal verdrag inzake de burgelijke en politieke rechten (New York, 19 december 1966, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, Belgisch Staatsblad van 6 juli 1983) voorziet in artikel 14.5 in het principe van de dubbele aanleg voor strafzaken. De interpretatie van wat voor de toepassing van dit verdrag onder de noties « strafvervolging » en « strafbare feiten » valt, gebeurt autonoom en is zeer ruim. Tuchtstraffen zeker de boetes kunnen hieronder gerekend worden.
Daarom stelt voorliggend amendement voor om de procureur in kennis te laten stellen van de oproeping van een notaris met de tenlastelegging door de syndicus in limine litis van de procedure voor de Kamer van notarissen. Op dat ogenblik kan hij de zaak aan zich trekken, zodat de uitzondering waarbij de procureur na een uitspraak van de Kamer van notarissen een hogere tuchtstraf mag vorderen, geschrapt mag worden, en de dubbele aanleg gegarandeerd blijft.
De dagvaarding door de procureur voor de rechtbank van eerste aanleg heeft tot gevolg dat de zaak aan de Kamer van notarissen wordt onttrokken (zie artikel 108 in fine).
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
De heren Erdman en Vandenberghe dienen een amendement in, luidend als volgt (Stuk Senaat, nr. 1-1277, amendement nr. 4) :
« In het voorgestelde artikel 110 de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) Het tweede lid van § 2 vervangen als volgt :
« De rechtbank kan, voor de duur die zij bepaalt, aan de notaris tegen wie zij schorsing of afzetting heeft uitgesproken, een verbod om zijn beroep uit te oefenen opleggen, niettegenstaande hoger beroep. De bepalingen van artikel 112, § 4, zijn van overeenkomstige toepassing.
De rechtbank van eerste aanleg of het hof van beroep kan, op verzoek van de procureur des Konings respectievelijk de procureur-generaal, van de kamer van notarissen of van betrokkene het verbod op elk ogenblik opheffen. »
B) Het artikel aanvullen met een § 3, luidende :
« § 3. De geschorste notaris moet, voor de duur van de schorsing, de uitoefening van zijn beroep stopzetten. Bij overtreding van deze bepaling zijn de straffen bedoeld onder het tweede lid van deze paragraaf op hem toepasbaar. Tijdens de duur van de schorsing mag hij de algemene vergadering van het genootschap van notarissen niet bijwonen en is hij niet verkiesbaar tot lid van de kamer van notarissen, noch tot vertegenwoordiger van het genootschap of tot plaatsvervangend vertegenwoordiger bij de Nationale Kamer van notarissen. Indien betrokkene reeds tot een van de voormelde functies is verkozen, mag hij gedurende de duur van schorsing deze functie niet uitoefenen en moet er in zijn vervanging worden voorzien.
De notaris die uit zijn ambt is ontzet, moet de uitoefening van zijn beroep stopzetten, zulks op straffe van schadevergoeding en, in voorkomend geval, andere veroordelingen waarin de wet voorziet ten aanzien van openbare ambtenaren die ondanks afzetting hun ambt blijven uitoefenen.
De voorgaande bepalingen zijn van toepassing vanaf het ogenblik dat de beslissing houdende uitspraak van de tuchtstraf definitief is geworden. »
Verantwoording
Dit amendement heeft tot doel aan de rechtbank de mogelijkheid te laten om bij voorraad en niettegenstaande hoger beroep de onmiddellijke stopzetting van de beroepsactiviteiten door de betrokken notaris te bevelen. Paragraaf 3 regelt de gevolgen van schorsing en afzetting.
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 4 wordt met eenzelfde eenparigheid aangenomen.
Artikel 4bis (nieuw) (artikel 6 van de aangenomen tekst)
De heren Vandenberghe en Bourgeois dienen een amendement in, luidend als volgt (Stuk Senaat, nr. 1-1277/2, amendement nr. 3) :
« Een titel IIbis, houdende een artikel 4bis (nieuw), en luidend als volgt, invoegen :
« Titel IIbis
Overgangsbepaling
Artikel 4bis
De leden die, overeenkomstig artikel 38, § 5, derde lid van de wet van 25 ventôse jaar XI, opnieuw ingevoegd door de wet van ..., afwisselend door de Senaat en de Kamer van volksvertegenwoordigers worden aangewezen, worden voor de eerste maal door de Senaat aangewezen. »
Verantwoording
Zie artikel 1bis (zoals voorgesteld in amendement nr. 2)
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 5 (artikel 7 van de aangenomen tekst)
Dit artikel wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Met eenzelfde eenparigheid wordt vertrouwen geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteurs,
Stephan GORIS. Hugo VANDENBERGHE. |
De voorzitter,
Roger LALLEMAND. |