1-1283/4 | 1-1283/4 |
25 MAART 1999
Opschrift en art. 2
Het opschrift en artikel 2 vervangen als volgt :
« Wetsontwerp tot wijziging van artikel 4 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie
« Art. 2. In artikel 4, § 1, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, gewijzigd door de wet van 1 juni 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het 1º wordt het tweede lid vervangen als volgt :
« Wanneer deze werkplaatsen of veronderstelde werkplaaten ook worden bewoond, hebben zij hier evenwel enkel toegang wanneer de rechter in de politierechtbank daartoe vooraf toestemming heeft verleend. Bovendien is het voorgaande lid niet van toepassing op de andere plaatsen die ook aan hun toezicht onderworpen zijn, wanneer deze bewoond worden. »;
2º in het 2º wordt punt a) aangevuld als volgt :
« Wanneer zij deze personen echter in hun woning wensen te ondervragen, stellen zij hen daarvan ten minste vijf werkdagen tevoren bij brief in kennis met vermelding van het doel van het verhoor. Deze personen hebben evenwel het recht om te vragen dat dit verhoor plaatsvindt op een andere plaats naar keuze van de inspecteur. Alleen de medeondertekening voor akkoord van een afschrift van de brief geldt als aanvaarding van de afspraak in de woning. De geadresseerde kan zich laten bijstaan door een derde persoon naar keuze. Aan die mogelijkheid wordt herinnerd in de brief tot kennisgeving van de afspraak; »
Verantwoording
Zie de toelichting bij wetsvoorstel nr. 1521-1, 97/98, ingediend in de Kamer en het advies van de Raad van State daarover (Stuk Kamer, nr. 1521-2, 97/98).
(Eerste subsidiair amendement)
Art. 2
In het voorgestelde artikel 23 de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) Het tweede lid van § 2 aanvullen met een 3º, luidende :
« 3º melding maken van het recht om zich te laten bijstaan door een derde persoon naar keuze. »
B) De eerste volzin van het vierde lid van § 2 vervangen als volgt :
« Indien de sociaal verzekerde zijn toestemming verleent, wordt hij verzocht een document te ondertekenen waarbij het huisbezoek wordt toegestaan en waarin de datum en het uur van dat bezoek worden vermeld, alsmede het recht om zich te laten bijstaan door een derde persoon naar keuze. Een afschrift van dat document wordt hem terstond overhandigd. »
C) Het zesde lid van § 2 aanvullen als volgt :
« Op straffe van nietigheid wordt de sociaal verzekerde ten minste vijf dagen tevoren bij brief ingelicht over de datum en het uur van het bezoek alsmede over het recht om zich te laten bijstaan door een derde persoon naar keuze. »
D) Het eerste lid van § 3 aanvullen als volgt :
« Op straffe van nietigheid wordt de sociaal verzekerde ten minste vijf dagen tevoren bij brief ingelicht over de datum en het uur van het bezoek alsmede over het recht om zich te laten bijstaan door een derde persoon naar keuze. »
Verantwoording
De sociaal verzekerde moet in alle omstandigheden (onderhoud, toegestaan bezoek, gedwongen bezoek, bijkomend bezoek) een beroep kunnen doen op de bijstand van een derde persoon naar keuze (buur, familielid, advocaat, vakbondsafgevaardigde, enz.) en hij moet vooraf schriftelijk op de hoogte worden gebracht van dat recht.
(Tweede subsidiair amendement)
Art. 2
A) In § 2 van het voorgestelde artikel 23 het derde, vierde, vijfde en zesde lid doen vervallen.
B) In § 3 van hetzelfde artikel het derde lid doen vervallen.
C) Paragraaf 4 van hetzelfde artikel doen vervallen.
Verantwoording
Het bezoek in de woning kan slechts toegestaan worden indien de sociaal verzekerde zich, zonder voldoende rechtvaardiging, niet aanmeldt op het onderhoud waartoe hij uitgenodigd is (bijkomend bezoek) en indien hij instemt met dit bezoek. In alle andere gevallen kan het bezoek slechts gerechtvaardigd zijn wegens verdenking van fraude, iets wat dan ook onder de gewone strafrechtelijke procedure valt (opsporingsonderzoek van het parket, onderzoek door een onafhankelijke rechter, huiszoekingsbevel, enz.). Er is geen enkele reden om voor sociale fraude meer uitzonderingen te maken dan voor de georganiseerde criminaliteit, wat betreft de toepassing van de algemene regels ter bescherming van de burger, die volgens deze regels het vermoeden van onschuld geniet.
| Martine DARDENNE. |