1-1268/2 | 1-1268/2 |
9 MAART 1999
Art. 3
Aan de huidige tekst van artikel 3 van het voorstel een eerste lid toevoegen, dat als volgt luidt :
« Het voorgestelde tweede lid van artikel 2 van dezelfde wet wordt het derde lid, en aan het artikel wordt een tweede lid toegevoegd, luidende :
« Het heeft nochtans wel betrekking op de wijze waarop politieambtenaren de handelingen uitvoeren, die hen door de gerechtelijke overheid of in de uitvoering van hun gerechtelijke opdrachten zijn toevertrouwd. De instelling van een tuchtonderzoek, een gerechtelijk onderzoek of een opsporingsonderzoek met betrekking tot bepaalde politiehandelingen, heeft niet tot gevolg de zaak te onttrekken aan het Vast Comité, of dit comité onbevoegd te maken. »
Verantwoording
De huidige tekst van de wet geeft de indruk dat het Comité P onbevoegd is, van zodra politiemensen een opdracht van gerechtelijke politie vervullen, of van zodra er een gerechtelijk (voor)onderzoek loopt. Daar is geen enkele reden toe. Het onderzoek naar de functionering van een politiedienst of de wijze van ambtsuitoefening van een politieofficier of -ambtenaar is niet hetzelfde als een onderzoek naar eventueel gepleegde misdrijven.
Art. 3
De tweede volzin van het voorgestelde tweede lid doen vervallen.
Verantwoording
De voorgestelde tekst is zo goed als onbegrijpelijk en zal tot veel interpretatiemoeilijkheden aanleiding geven. Bovendien lijkt hij de bevoegdheid van het Comité P en het Comité I alleszins in veel te sterke mate in te perken. Het woordje « enkel » is per definitie restrictief. De toelichting stelt dat het de bedoeling is het onderscheid tussen interne en externe controle te verduidelijken. Van die bedoeling komt evenwel niets terecht.
Art. 8
Artikel 8 van dezelfde wet wijzingen als volgt :
1º Tussen de woorden « uit eigen beweging » en de woorden « ofwel op verzoek » toevoegen « ofwel op klacht of aangifte van een of meer burgers, »
2º Na de woorden « de bevoegde minister » toevoegen de woorden « , een gemeente- of politieraad dan wel college van burgemeester en schepenen, dan wel politiecollege ».
Verantwoording
1. Het is wenselijk de klacht- en « ombuds » functie van het Comité P uitdrukkelijk te vermelden, met name nu het in de meeste gevallen niet meer mogelijk zal zijn bij de ene politiedienst een klacht in te dienen tegen wangedrag van de andere. Immers « uit eigen beweging » optreden is niet hetzelfde als gevolg geven aan een klacht of aangifte.
2. De verkozen raad, die de lokale politie stuurt en controleert, en hun uitvoerend college moeten eveneens onderzoeken kunnen vragen.
Art. 9
In de voorgestelde wijziging sub 2º, de eerste zin doen vervallen.
Verantwoording
Het kan wel degelijk nuttig zijn het Comité P toe te staan ambtshalve een advies uit te brengen over voorgenomen wetswijzigingen of wijziging van beleidsregels. Door dit initiatiefrecht aan het Comité te ontnemen, beknot het voorstel ten zeerste zijn knipperlichtfunctie.
Art. 10
Het eerste lid van artikel 10 van dezelfde wet, vervangen als volgt :
« Van elke klacht of aangifte die het Comité ontvangt, wordt aan de indiener binnen de maand een ontvangstbewijs bezorgd. Ze wordt binnen zes maanden onderzocht, en het verdere gevolg ervan wordt aan de klager of aangever meegedeeld. Indien het onderzoek na afloop van deze termijn niet kan worden afgewerkt, wordt dit aan de betrokkenen gemeld met opgave van de reden. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 22, kan het Vast Comité P besluiten geen gevolg te geven aan een klacht of een aangifte die kennelijk niet gegrond is. Van deze beslissing wordt aan de klager of aangever kennis gegeven. Deze kan het Comité verzoeken op die beslissing terug te komen, onder vermelding van de redenen waarom hij meent dat de klacht niet kennelijk ongegrond is. »
Verantwoording
Het is de bedoeling de positie van de klagers en aangevers te versterken.
Art. 13
Dit artikel vervangen als volgt :
« De openbaar gemaakte verslagen bevatten de opmerkingen van de bevoegde ministers en de bevoegde overheden, indien deze binnen dezelfde termijn zijn ingediend. »
Verantwoording
Er is kennelijk verwarring tussen het advies van de minister of overheid over de vraag of het verslag openbaar wordt gemaakt en de eventuele opmerkingen die deze ministers of overheden kunnen maken. Daar moet dan wel een termijn voor gesteld worden want anders zou de bekendmaking van het verslag onbeperkt kunnen worden opgeschort. Het lijkt wenselijk voor dat advies over de openbaarmaking en voor het insturen van opmerkingen dezelfde termijn te stellen.
Art. 13bis (nieuw)
In artikel 13bis (nieuw) invoegen, luidende :
« In artikel 14 van dezelfde wet wordt het tweede lid vervangen als volgt :
« De procureur des Konings, de arbeidsauditeur of de procureur-generaal, naar gelang van het geval, bezorgt van iedere strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure ten laste van een politieambtenaar voor misdaden of wanbedrijven begaan tijdens de uitoefening van hun ambt, onverwijld een informatief verslag aan de voorzitter van het Comité P. Zij kunnen aan de voorzitter, ambtshalve of op diens verzoek, een kopie meedelen van stukken of documenten met betrekking tot die procedures. »
Art. 24bis (nieuw)
Een artikel 24bis (nieuw) invoegen, luidende :
« In dezelfde wet wordt een artikel 33bis (nieuw) ingevoegd, luidende :
« Het Comité I stelt eveneens onderzoeken in met betrekking tot de classificatie, zoals bedoeld in de wet van ... betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.
De personen die gemachtigd zijn tot het classificeren van informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, sturen van ieder classificatiebesluit ambtshalve een afschrift aan het Comité I.
De bepalingen van artikel 33 zijn van overeenkomstige toepassing. Het Vast Comité I en de Dienst enquêtes kunnen zich alle documenten en informatie die daarop betrekking hebben doen voorleggen, ongeacht waar die zich bevinden. »
Verantwoording
De recent aangenomen wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen stelt wel een beroepsprocedure in tegen de weigering van een veiligheidsmachtiging maar bevat geen enkele vorm van controle op de geheimverklaring van documenten of informatie. Dit kan niet de bedoeling zijn geweest en daarom stellen we voor het hier recht te zetten.
| Eddy BOUTMANS. |
Art. 19
Het sub 1º voorgestelde eerste lid van artikel 28 van dezelfde wet vervangen als volgt :
« Het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, hierna het Vast Comité I genoemd, is samengesteld uit vijf werkende leden, van wie een voorzitter en een ondervoorzitter. Alle werkende leden oefenen hun functie voltijds uit. Voor elk van hen wordt een plaatsvervanger benoemd. Alle werkende leden en hun plaatsvervangers worden benoemd door de Senaat, die hen ook kan afzetten indien zij functies of activiteiten uitoefenen of betrekkingen of mandaten bekleden welke zijn bedoeld in het vierde lid, of wegens ernstige redenen. »
Verantwoording
Men moet erop toezien dat de collegiale besluitvorming blijft bestaan en dat de uiteenlopende politieke strekkingen in het Comité I vertegenwoordigd blijven om te voorkomen dat het toezicht in de handen van één enkele persoon terechtkomt. Dat kan gevaarlijk worden wanneer de voorzitter teveel onder druk van de politici of van de inlichtingendiensten staat.
Art. 28
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Om de collegiale besluitvorming in het Comité I te laten voortbestaan mag men niet raken aan artikel 39 van de organieke wet van 18 juli 1991.
Art. 31
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Om de collegiale besluitvorming in het Comité I te bewaren mag men niet raken aan artikel 48, § 4, van de organieke wet van 18 juli 1991 zodat de ondervoorzitter bevoegd blijft bij afwezigheid van de voorzitter.
Art. 32
Het 2º van dit artikel vervangen als volgt :
« 2º Het tweede lid wordt opgeheven. »
Verantwoording
Om de griffier een grotere rol te laten spelen volstaat het niet het gezag van het Comité over de griffier te schrappen. Men moet hem ook belasten met de leiding van het personeel. Deze taak kan hem worden opgedragen via artikel 62 van de organieke wet van 18 juli 1991 (cf. infra : amendement nr. 14 op artikel 36 van het wetsvoorstel).
Art. 34
In dit artikel het 1º, het 2º, het 3º, het 6º en het 7º doen vervallen.
Verantwoording
In samenhang met de vorige amendementen moet men de collegiale besluitvorming behouden en ervoor zorgen dat de uiteenlopende politieke strekkingen in het Comité I vertegenwoordigd blijven.
Art. 36
Het voorgestelde artikel 62 vervangen als volgt :
« Art. 62. Onder toezicht van het betrokken Vast Comité staat de griffier van elk Comité in voor het secretariaat van de vergaderingen van het Comité, stelt de notulen ervan op en zorgt voor de verzending van de stukken, de bewaring en de bescherming van het geheim van de documentatie en van het archief.
Onder toezicht van het betrokken Vast Comité heeft de griffier de leiding over het administratief personeel en verdeelt de taken; hij is belast met het beheer van de infrastructuur en van het materieel van het Comité, hij stelt de begroting van het Comité op en houdt de boeken van het Comité bij, volgens de richtlijnen die door het Comité zijn gegeven. »
Verantwoording
De taak van de griffier dient beter afgebakend te worden en hij moet een belangrijke rol spelen. Daartoe is het niet voldoende het gezag van het Comité over de griffier te schrappen (artikel 32). Men behoort hem ook de leiding over het personeel op te dragen. Het Comité moet echter de taak krijgen de algemene beleidskeuzen inzake logistiek te bepalen.
Art. 37
Het voorgestelde artikel 64 aanvullen met een derde lid, luidende :
« Onverminderd hoofdstuk II van titel I van boek II van het Strafwetboek zijn de leden van het Vast Comité I, de griffier, de leden van de Dienst enquêtes en het personeel onderworpen aan de militaire strafwetten wat betreft hoogverraad en spionage. »
Verantwoording
Het Vast Comité I heeft zelf voorgesteld artikel 64 van de organieke wet van 18 juli 1991 te wijzigen zoals hier wordt voorgesteld. In zijn studie over de geheimhoudingsplicht waartoe de leden van de inlichtingendiensten zijn gehouden (aanvulling bij het activiteitenverslag over 1998), was het Comité I immers van oordeel dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van zijn leden, van zijn griffier, van de leden van zijn Dienst enquêtes en van zijn personeel eigenlijk niet is afgestemd op de omvang van de opdrachten van het Comité, noch op de schade die deze personen kunnen berokkenen aan de inlichtingendiensten en aan de strijdmacht door een onterechte onthulling van bepaalde geheimen van die diensten.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 10)
Art. 28
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 28. Het eerste lid van artikel 39 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Het Vast Comité I oefent het gezag uit over de Dienst enquêtes en over het auditoraat van de inlichtingendiensten, vertrouwt hen onderzoeken of studies toe en ontvangt hun verslagen over alle opdrachten die hen zijn toevertrouwd. »
Verantwoording
Indien men het Comité I herleidt tot een vaste voorzitter en twee niet-vaste leden (zoals voorgesteld in artikel 19) kan dat comité de klachten en de beroepen niet meer onderzoeken, de uitgevoerde enquêtes niet meer opvolgen, geen syntheseverslagen voor het Parlement meer opstellen, noch de juridische en andere documentatie bijwerken die nodig is voor de uitvoering van zijn taken. Dat werk moet worden uitgevoerd door ervaren juristen die geslaagd zijn voor een examen (om politisering van het ambt te voorkomen). Het voorstel is ingegeven door de wet van 22 maart 1995 (Belgisch Staatsblad van 7 april 1995) tot instelling van de federale ombudsmannen. De twee ombudsmannen worden immers bij hun taak bijgestaan door een groep auditeurs en attachés. De omschrijving van sommige taken is ingegeven door die van de auditeurs bij de Raad van State (cf. gecoördineerde wetten op de Raad van State).
Art. 31bis (nieuw)
Een artikel 31bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 31bis. In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt na artikel 51 een afdeling 3 ingevoegd, onder het opschrift « Het auditoraat van de inlichtingendiensten », dat uit de volgende artikelen bestaat :
« Art. 51bis. Bij het Vast Comité I wordt een auditoraat van de inlichtingendiensten opgericht, hierna genoemd « het auditoraat I ». Dit auditoraat is samengesteld uit ten minste een auditeur-afdelingshoofd en twee auditeurs, respectievelijk van de Nederlandse en de Franse taalrol. De auditeur-afdelingshoofd moet de Nederlandse en de Franse taal kennen.
In opdracht van het Vast Comité I nemen de leden van het auditoraat I deel aan het onderzoek van de klachten en de aangiften van particulieren die rechtstreeks betrokken zijn geweest bij het optreden van een inlichtingen- en veiligheidsdienst. Zij kunnen worden belast met het uitvoeren van de onderzoeken die het Vast Comité I aan de Dienst enquêtes voor de inlichtingendiensten heeft opgedragen. Zij maken een synthese van de verslagen van de Dienst enquêtes, die zij overzenden aan het Vast Comité I, samen met hun conclusies en hun eventuele voorstellen van aanbeveling.
De leden van het auditoraat I nemen ook deel aan het onderzoek van de beroepen die bij het Vast Comité I zijn ingesteld met toepassing van de wet van ... tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen. In opdracht van het Vast Comité I voeren zij de taken uit die deze wet oplegt en zenden zij hun verslagen over aan het Vast Comité I, samen met hun voorstellen van beslissing betreffende deze beroepen.
De leden van het auditoraat I houden de gegevens over de opdrachten en de jurisprudentie van het Vast Comité I bij, bewaren ze en stellen ze ter beschikking in de vorm van geautomatiseerde bestanden. Ze houden ook de stand van de wetgeving bij en stellen die ter beschikking van het Vast Comité I.
De leden van het auditoraat I bereiden ook de verslagen voor die het Vast Comité I krachtens artikel 35 van deze wet aan de Kamer van volksvertegenwoordigers moet voorleggen.
Art. 51ter. De auditeurs worden door het Vast Comité I benoemd uit een lijst met een rangschikking die wordt bepaald door het resultaat van een vergelijkend examen waarvoor het Vast Comité I de voorwaarden vaststelt en de examencommissie vormt.
Om tot het examen bedoeld in het eerste lid te worden toegelaten, moet de kandidaat :
Belg zijn;
van onberispelijk gedrag zijn;
de burgerlijke en politieke rechten genieten;
zijn woonplaats in België hebben;
doctor of licentiaat in de rechten zijn;
een nuttige beroepservaring van gerechtelijke aard van zes jaar hebben.
In geval van betwisting beslist de examencommissie over de toelating tot het examen.
Om benoemd te worden, moet de geslaagde kandidaat bovendien beschikken over de nodige kwaliteiten van loyaliteit, discretie en integriteit voor de verwerking van gevoelige gegevens en houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim », zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.
« Art. 51quater. De leden van het auditoraat I genieten hetzelfde financiële statuut als de auditeurs van het Rekenhof. »
Verantwoording
Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 16.
Art. 39bis (nieuw)
Een artikel 39bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 39bis. Aan dezelfde wet wordt een artikel 70 toegevoegd, luidende :
« Art. 70. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft :
1º het lid van een politiedienst dat geweigerd heeft aan het Vast Comité P of aan de Dienst enquêtes van dat Comité de interne reglementen en richtlijnen over te zenden, alsook de documenten die de handelwijze van de leden van de politiediensten regelen of andere teksten die hem door dat Comité uitdrukkelijk zijn gevraagd met toepassing van artikel 9, tweede lid, van deze wet;
2º het lid van een politiedienst dat het bestaan van een dergelijk document opzettelijk heeft verborgen voor het Vast Comité P of de Dienst enquêtes van dat Comité;
3º het lid van een inlichtingen- en veiligheidsdienst dat geweigerd heeft aan het Vast Comité I of aan de Dienst enquêtes van dat Comité de interne reglementen en richtlijnen over te zenden, alsook de documenten die de handelwijze van de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten regelen of andere teksten die hem door dat Comité uitdrukkelijk zijn gevraagd met toepassing van artikel 33, tweede lid, van deze wet;
4º het lid van een inlichtingen- en veiligheidsdienst dat het bestaan van een dergelijk document opzettelijk heeft verborgen voor het Vast Comité I of voor de Dienst enquêtes van dat Comité. »
Verantwoording
De organieke wet van 18 juli 1991 legt geen straf op aan politie- en inlichtingendiensten die weigeren documenten mee te delen. Het Comité I heeft reeds te kampen gekregen met een soortgelijk probleem (cf. activiteitenverslag 1998, blz. 178 tot 182). Dreigen met strafsancties kan de doelmatigheid van het toezicht ten goede komen.
| José DARAS. |
Art. 37bis (nieuw)
Een artikel 37bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 37bis. In artikel 65, § 2, van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 15 december 1993 en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« en tot hoofd van een Dienst Enquêtes van een van deze Vaste Comités »;
2º het derde en het vierde lid vervangen door de volgende leden :
« De magistraat van het openbaar ministerie die wordt benoemd tot lid van een Vast Comité of tot hoofd van een Dienst Enquêtes behoudt zijn plaats op de ranglijst en wordt geacht zijn ambt of functie te hebben uitgeoefend. Gedurende de opdracht ontvangt hij niet langer de wedde verbonden aan zijn ambt in de rechterlijke orde.
Voor zover het een voltijdse opdracht betreft, kan in de vervanging van een magistraat bij het hof van beroep of bij het arbeidshof worden voorzien door een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal.
Is de betrokken magistraat van het openbaar ministerie een korpschef, dan is artikel 323bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. »
Verantwoording
Gelet op het feit dat de situatie van de magistraten van de zetel in het nieuwe artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek algemeen wordt geregeld, is het niet meer nodig om voor hen een specifieke bepaling te voorzien.
De situatie van de parketmagistraten ligt enigszins anders. Voor hen bestaat er geen algemeen en aan artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek analoog artikel. De bestaande artikelen 327 en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek, die over de opdrachten van parketmagistraten handelen, kunnen in casu niet worden toegepast. De Comité's P en I hangen van het Parlement af en kunnen niet gekwalificeerd worden als :
een dienst van de Koning, een ministerieel kabinet, een ministerieel departement, een regeringscommissie, een regeringsinstelling, een regeringsdienst (artikel 327 van het Gerechtelijk Wetboek);
een specifieke opdracht bij het ministerie van Justitie omschreven in een wets- of verordeningsbepaling (artikel 327bis van het Gerechtelijk Wetboek).
Vandaar dat er voor de magistraten van het openbaar ministerie nog een regeling dient te worden opgenomen in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.
De toevoegingen met betrekking tot de vervanging van de korpschef zijn een uitvloeisel van de filosofie die achter de wet van 22 december 1998 met betrekking tot de Hoge Raad steekt, namelijk :
op het niveau van eerste aanleg worden de gaten die er vallen wanneer een magistraat een opdracht vervult, opgevangen door toegevoegde magistraten;
de invulling die de functie van korpschef wordt gegeven, is niet te verzoenen met een afwezigheid ingevolge opdracht.
Art. 42
Dit artikel aanvullen als volgt :
« en artikel 37bis, dat in werking treedt op het ogenblik dat artikel 61 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistraten, in werking treedt. »
Verantwoording
Rekening houdend met het feit dat artikel 323bis , ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek bij artikel 61 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijke Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistraten, nog niet in werking is getreden, is het nodig in dit wetsvoorstel een bepaling op te nemen met betrekking tot de inwerkingtreding van artikel 37bis.
Deze bepaling heeft tot gevolg dat de huidige tekst van artikel 65 van de wet van 18 juli 1991 houdende regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten van kracht blijft tot de regeling voorzien in artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek voor magistraten van de zetel in werking treedt.
De eerste minister,
Art. 3
De tweede zin van het voorgestelde tweede lid vervangen als volgt :
« Als bij of krachtens andere wetten toezicht wordt uitgeoefend of inspectie wordt gehouden, geschiedt het bij deze wet bedoelde toezicht met betrekking tot de activiteiten, methodes, documenten en richtlijnen van de politiediensten en van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, enkel met het oog op de uitvoering van de bij deze wet bepaalde opdrachten. »
| Ludwig CALUWÉ. Eddy BOUTMANS. Eric PINOIE. |
Art. 13bis (nieuw)
Een artikel 13bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 13bis. In artikel 14 van dezelfde wet wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd :
« De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, brengt de voorzitter van het Comité P op de hoogte telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld. »
| Eddy BOUTMANS. |