1-224

1-224

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 26 NOVEMBRE 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 26 NOVEMBER 1998

(Vervolg-Suite)

PROJET DE LOI RELATIVE À LA CLASSIFICATION ET AUX HABILITATIONS DE SÉCURITÉ (ÉVOCATION)

PROJET DE LOI PORTANT CRÉATION D'UN ORGANE DE RECOURS EN MATIÈRE D'HABILITATION DE SÉCURITÉ

Reprise de la discussion générale

Discussion des articles

(Articles 56 et 60 du Règlement)

M. le président. ­ La discussion générale est reprise.

De algemene bespreking is hervat.

À la demande de M. Goris le rapport complémentaire a été distribué sur les bancs cet après-midi. (Voir document nº 1-1011/7 de la commission des Affaires étrangères du Sénat. Session 1998-1999.)

Op verzoek van de heer Goris werd het verslag in de loop van de namiddag rondgedeeld. (Zie document nr. 1-1011/7 van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat. Zitting 1998-1999.)

La parole est à la rapporteuse.

Mme Lizin (PS), rapporteuse. ­ Monsieur le président, il n'y a pas de complément à donner. Nos travaux en commission ont satisfait chacun. Le texte est adopté tel quel, dans sa forme correcte, de sorte qu'il n'y a pas de commentaire supplémentaire à faire.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Goris.

De heer Goris (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, vóór ik mijn uiteenzetting begin, wil ik u graag uitdrukkelijk danken voor de manier waarop u tijdens de vorige vergadering de problemen met het verslag van het wetsontwerp inzake de classificatie en veiligheidsmachtigingen hebt aangepakt. In alle neutraliteit, zoals het een voorzitter past, hebt u het ontwerp naar de commissie teruggezonden. Vorige week stelden we immers vast dat het verslag niet volledig was. In de commissie heb ik dan ook gevraagd het verslag te vervolledigen en dat is intussen gebeurd.

Mijnheer de minister, ik heb er ook uitdrukkelijk op gewezen dat het incident dat ik heb gecreëerd, niet gericht was tegen u of tegen het ontwerp op zich. Het ging echter om een schoolvoorbeeld van een ziekte die in onze instellingen symptomatisch aan het worden is, namelijk de eeuwigdurende discussies over het onderscheid tussen een vormcorrectie en een amendement.

De regering heeft politieke redenen om een bepaald ontwerp met spoed door beide Kamers te loodsen. Na een eerste bespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers dringt ze meestal aan op een snelle behandeling in de Senaat, liefst zonder amendering, omdat anders een tweede bespreking in de Kamer noodzakelijk is. Meestal stelt de Senaat echter wel een aantal correcties voor, vaak van legistieke aard. Dat is overigens ook zijn taak. Dan rijst natuurlijk de vraag of deze verbeteringen en wijzigingen loutere vormcorrecties dan wel amendementen zijn. Het leek mij dan ook ongepast in deze de griffiers van Kamer en Senaat te raadplegen. Senatoren en kamerleden moeten hun volle verantwoordelijkheid op zich nemen en zelf de knoop doorhakken.

Ik dring dan ook aan op een spoedig overleg eerst in het Bureau van de Senaat en daarna met de collega's van de Kamer, zodat we in de toekomst met dit probleem niet meer worden geconfronteerd. Ik stel immers vast dat in tal van ontwerpen die op het ogenblik door de Senaat worden behandeld, hetzelfde probleem rijst. Een oplossing is dus dringend noodzakelijk.

Mijnheer de voorzitter, aangezien ik vorige week in mijn uiteenzetting niet op de grond van de zaak ben ingegaan, wil ik dat vandaag doen, want we hebben toch wel problemen met de tekst van het ontwerp.

De voorliggende wetsontwerpen zijn geen overbodige luxe. Momenteel worden de meeste veiligheidsonderzoeken in ons land verricht op basis van internationale voorschriften, van richtlijnen van de regering of van een minister. De veiligheidsmachtigingen werden tot november 1994 uitgereikt door de nationale veiligheidsautoriteit, die zich echter vanaf die datum hiervoor onbevoegd verklaarde.

Naast het probleem van de restrictieve wijze waarop de nationale veiligheidsautoriteit zelf haar bevoegdheid interpreteerde, rees er ook een niet te onderschatten juridisch probleem. Twee leden van het burgerlijk personeel van ADIV hadden namelijk beroep aangetekend bij de Raad van State, omdat ze bevel hadden gekregen veiligheidscertificaten aan te vragen. De Raad van State oordeelde dat de veiligheidsonderzoeken neerkomen op een inmenging in de persoonlijke levenssfeer door de overheid. De onderzoeken berusten sindsdien, zoveel is duidelijk, op een betwiste wettelijke basis en zijn dus aanvechtbaar. Een goede, duidelijke wetgeving, die rekening houdt met de problematiek van de persoonlijke levenssfeer, is dus bijzonder dringend. Daarover zijn we het roerend eens.

Volgens de minister betekenen de twee voorliggende wetsontwerpen een vooruitgang op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik kan het daar niet helemaal mee eens zijn. In het wetsontwerp wordt inderdaad bepaald dat de betrokken persoon vooraf zijn instemming met het veiligheidsonderzoek moet geven. De minister en de politieke meerderheid zijn blijkbaar bijzonder fier op dit huzarenstuk. Dit had echter altijd al zo moeten zijn; dit is geen politieke nieuwigheid. Wanneer het erop aankomt om deze instemming op te leggen aan iedereen en in alle omstandigheden, dan wordt er echter meteen teruggekrabbeld!

Op het principe van de instemming met de indringing in de persoonlijke levenssfeer, zijn er in het ontwerp twee uitermate belangrijke uitzonderingen opgenomen : personen die in hiërarchisch verband opdrachten moeten uitvoeren en dus verplicht worden een dergelijk onderzoek te ondergaan, en personen die samenleven met iemand die een onderzoek moet ondergaan. De partners worden wel in kennis gesteld, maar hun instemming is volgens het ontwerp niet vereist. Toch gaat het hier om een diepgaand onderzoek, waartegen de partner zich niet kan verzetten.

Het verzet tegen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer moet mijns inziens echter te allen tijde en in om het even welke omstandigheid mogelijk zijn. Indien de persoonlijke levenssfeer tot op het bot wordt onderzocht, moet dus ook de instemming van de partner uitdrukkelijk worden gevraagd.

De twee uitzonderingen betekenen een uitholling van de wet. De te onderzoeken personen zullen immers in bijna alle gevallen werken in hiërarchisch verband en ze zullen bijna allemaal een partner hebben, die moet worden gescreend.

Volgens de minister heeft de regering met deze tekst een compromis willen bereiken tussen de taken van de Staat en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waarbij de samenwonende persoon de procedure niet kan verhinderen. Dat de samenwonende op de hoogte wordt gebracht van het onderzoek, biedt volgens de minister en ook volgens de meerderheid in de commissie voldoende waarborgen. Waar blijft echter het grote principe van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ?

Een ander probleem, dat trouwens ook door de Raad van State werd opgeworpen, heeft betrekking op de aard van de gegevens die het voorwerp zijn van een veiligheidsonderzoek. Over de aard van de gegevens is het ontwerp zeer vaag. Zo wordt het mogelijk toegang te krijgen tot alle persoonlijke gegevens van de betrokkene, ook de niet-relevante.

Een volgende fundamentele opmerking betreft de agenten die het onderzoek leiden. Ze kunnen op enkel vertoon van hun legitimatiekaart toegang hebben tot alle dossiers. Naar mijn gevoel moeten deze agenten evenwel ook de schriftelijke toestemming van de betrokkenen voorleggen wanneer ze onderzoek wensen te doen. Volgens het ontwerp kunnen deze « superflikken » echter om het even waar, om het even wanneer en om het even wie aan een onderzoek onderwerpen.

Wellicht mag de minister zich binnenkort aan een nieuwe beroepsprocedure bij de Raad van State verwachten. De Raad van State zal terecht opnieuw een onvoldoende geven. Het Parlement zal het werk dan moeten overdoen en rekening moeten houden met de opmerkingen die ik zojuist formuleerde en die door de Raad van State in alle duidelijkheid werden bijgebracht.

Wat het tweede ontwerp betreft, verrast het mij uitermate dat de minister volhardt in zijn opzet om het Comité I als beroepsinstantie in deze aangelegenheid te handhaven. In de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft dit comité tijdens een hoorzitting zelf zeer duidelijk gezegd dat het in deze materie niet de ideale beroepsinstantie is. Het Comité I merkt terecht op dat het niet tegelijk kan instaan voor de algemene controle conform de wet van 18 juli 1991 en de jurisdictionele bevoegdheid kan waarnemen die haar door dit ontwerp wordt toegekend. Dit ontwerp verplicht het comité bovendien half geblinddoekt uitspraken te doen, aangezien het comité als beroeps- en controle-instantie niet over dezelfde onderzoeksbevoegdheden beschikt.

Het Comité I is op het ogenblik inderdaad reeds een administratief rechtscollege. Het zou in deze materie bijgevolg tegelijk rechter en partij zijn. Om dat te vermijden pleit ik onomwonden voor de derde optie, die het Comité I in de Kamer van volksvertegenwoordigers trouwens zelfs naar voren heeft geschoven. Deze derde optie houdt in dat er een beroepscommissie wordt geïnstalleerd bestaande uit drie magistraten op rust, die zelf houder zijn van een veiligheidsmachtiging. Deze magistraten zouden door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel worden benoemd voor een periode van vijf jaar. Deze commissie biedt het enorme voordeel van de neutraliteit : ze zal kunnen afwegen in welke mate een betrokkene zich met recht en reden tekortgedaan voelt, waarbij het Comité I zeer waarschijnlijk als bemiddelende partij in het geding zal moeten verschijnen. De uiteindelijke beslissing daarentegen ligt dan bij de drie neutrale beroepsmagistraten. Zo hoort het ook te zijn in een rechtstaat.

Tijdens de bespreking van de wet op de hervorming van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten enkele maanden geleden, legden de minister zelf en de leden van de commissie de klemtoon op het vergroten van de slagkracht van onze instelling om subversieve elementen te ontdekken en op te volgen. In dit ontwerp ontdek ik vele parallellen met die wet. Er is echter één wezenlijk verschil. Vandaag bespreken we een ontwerp dat zich buigt over personen die de natie willen helpen : militaire attachés, ambassadepersoneel, legerofficieren en dergelijke meer. Dit zijn, alleszins in principe, geenszins subversieve elementen tegen wie we een zeer verregaande wetgeving moeten uitwerken om hen en hun partners om het even waar, om het even wanneer en op om het even welke wijze het vuur aan de schenen te leggen. Deze mensen moeten we integendeel beschermen tegen al te ijverige superflikken die vandaag van de minister carte blanche krijgen om het leven van de betrokkenen en hun partner, ongevraagd en ongewenst overhoop te halen.

Mijnheer de voorzitter, uit bekommernis voor het lot van ons ambassadepersoneel, onze militaire attachés in het buitenland en de talrijke burgers en militairen die ondanks hun onkreukbare inzet voortaan meedogenloos zullen worden gescreend, heb ik in deze plenaire vergadering van de Senaat opnieuw enkele amendementen ingediend, die ik reeds in de commissie heb ingediend. Hoewel de politieke meerderheid van deze vergadering naar alle waarschijnlijkheid de minister andermaal blindelings zal volgen, hoop ik toch op respect voor de poging om de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen te beschermen. Indien de Senaat deze amendementen niet aanvaardt, kan de VLD-fractie deze ontwerpen niet goedkeuren en zullen wij ons bij de stemming onthouden.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, ik heb pas vannacht de nieuwe tekst gelezen en mij in de materie ingewerkt. Ik ben dus terzake zeker geen specialist. Toch heb ik heel wat bedenkingen bij de twee ontwerpen die we nu bespreken, en dan vooral bij het eerste. Enkele daarvan werden hier ook door de heer Goris geformuleerd.

Zo had de heer Goris bedenkingen bij de wijze waarop wordt omgegaan met de privacy van mensen die met het veiligheidslabel in contact komen. De procedure tot het toekennen van een dergelijke veiligheidsmachtiging houdt immers onderzoek in naar het privé-leven van heel wat mensen die alleen maar het nadeel hebben dat zij in contact komen met opdrachten die eventueel onder de classificatie vallen en waaraan een beschermingsniveau wordt toegekend.

De regeling die in deze wet wordt uitgewerkt, doet heel wat vragen rijzen. Ik sluit mij dat wat betreft aan bij de opmerkingen van de heer Goris.

Een tweede bedenking heeft betrekking op de manier waarop beroep kan worden aangetekend. In de Kamer van volksvertegenwoordigers werd langdurig gedebateerd over de wijze waarop dit moet worden geregeld. Moet daarvoor een specifieke rechtbank worden opgericht ? Moet de Raad van State zich hiermee bezig houden of is dit een opdracht voor het Comité I ?

Het aanstellen van het Comité I als beroepsinstantie lokt nogal wat kritiek uit. Het comité is zeker geen vragende partij voor deze bijkomende opdracht. Misschien is er enige vrees voor bijkomende werklast, maar als het comité zelf van oordeel is dat het niet het geschikte orgaan is, dan is de motivatie ongetwijfeld ook ver te zoeken.

Bovendien vraag ik mij af of er wel degelijk een democratische controle is op de werking van het Comité I. Hoewel daarover wel een aantal wettelijke bepalingen bestaan, heb ik niet de indruk dat het Parlement werkelijk controle uitoefent op de manier waarop het comité zijn onderzoeks- en controlefunctie waarneemt.

Tot zover mijn bedenkingen bij de wet zelf. Ik ga nog een stap verder dan de heer Goris, al zal hij dit ongetwijfeld niet graag horen. Ik heb twijfels bij de doelstellingen van die classificaties.

In artikel 3 van het wetsontwerp lees ik het volgende : « In een classificatie kunnen worden ondergebracht : informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, in welke vorm ook, waarvan de niet-geëigende aanwending schade kan toebrengen aan één van de volgende belangen : a) de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen; b) de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten; c) de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde; d) de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen van België; e) het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land; f) elk ander fundamenteel belang van de Staat; g) de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland; h) de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat. »

Ik mis in deze opsomming een fundamenteel element. Waar is hier sprake van de belangen van de bevolking ?

Voor mij is dit een oubollige en totaal achterhaalde bespreking. Men gaat er van uit dat de Staat fundamentele belangen heeft en dat het grootste gevaar dreigt wanneer deze ook maar op enigerlei wijze in het gedrang zouden komen. Men heeft het over de economische en wetenschappelijke belangen, over de belangen van de kernenergie, over de inwendige en uitwendige veiligheid van de Staat enzovoort, maar over de schending van de belangen van de bevolking wordt met geen woord gerept. Ook de belangen van de gemeenschappen komen nergens aan bod. Die mogen worden geschonden. Daaraan moet geen beschermingsniveau worden toegekend.

Ik heb de indruk dat de politieke klasse weinig lessen heeft getrokken uit de misbruiken die in het verleden welig tierden. Men heeft blijkbaar nog altijd niet begrepen dat er een democratische controle moet zijn op de personen die deze labels moeten toekennen of op de wijze waarop er moet worden omgesprongen met al die geheimen die toch zo belangrijk zijn voor de Belgische Staat, niet voor zijn inwoners.

Wat valt onder deze wet en wat niet ? Er wordt voortdurend verwezen naar de Koning, dus de minister. Hij moet hierover duidelijkheid brengen. Er is een enorm gebrek aan democratische controle. Dit stoort mij en het is dan ook tijd dat wij daarover een grondig debat voeren. De Volksunie zal deze twee ontwerpen niet goedkeuren al was het maar om een duidelijk signaal te geven.

De voorzitter. ­ Daar niemand meer het woord vraagt is de algemene bespreking gesloten.

We gaan nu over tot de bespreking van de artikelen van het wetsontwerp betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, waarbij amendementen werden ingediend. Dit wetsontwerp regelt een aangelegenheid die valt onder artikel 78 van de Grondwet.

Plus personne ne demandant la parole, la discussion générale est close.

En ce qui concerne le projet de loi règlant des matières visées à l'article 78 de la Constitution, je vous propose de passer à la discussion des articles auxquels des amendements ont été déposés.

L'article 13 est ainsi rédigé :

Art. 13. Dans la présente loi, on entend par :

1º « officier de sécurité »,

a) le fonctionnaire titulaire d'une habilitation de sécurité, qui, dans une administration publique, un organisme d'intérêt public ou une entreprise publique autonome manipulant des documents ou du matériel classifiés, est désigné, par le ministre dont cette administration, cet organisme ou cette entreprise relève, pour veiller à l'observation des règles de sécurité;

b) le membre du personnel titulaire d'une habilitation de sécurité, au sein d'une personne morale titulaire d'une habilitation de sécurité, désigné par la direction de la personne morale pour veiller à l'observation des règles de sécurité;

2º « habilitation de sécurité », l'attestation officielle établie sur la base des informations recueillies par un service de renseignement et de sécurité, selon laquelle, pour accéder à des données auxquelles un certain degré de confidentialité a été attribué :

­ une personne physique présente des garanties suffisantes, quant à la discrétion, la loyauté et l'intégrité;

­ une personne morale présente des garanties suffisantes, quant aux moyens matériels et techniques et aux méthodes utilisés pour protéger ces données et quant à la discrétion, la loyauté et l'intégrité de ses organes et préposés susceptibles d'avoir accès à ces données;

3º « enquête de sécurité », l'enquête effectuée par un service de renseignement et de sécurité et visant à établir que toutes les conditions nécessaires à la délivrance de l'habilitation de sécurité sont réunies, en tenant compte du niveau et de l'objet de l'habilitation;

4º « service de renseignement et de sûreté », la Sûreté de l'État et le Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées.

Art. 13. In deze wet wordt verstaan onder :

1º « veiligheidsofficier »,

a) de ambtenaar, houder van een veiligheidsmachtiging, die, in een openbaar bestuur, een instelling van openbaar nut of een autonoom overheidsbedrijf die geclassificeerde documenten of materiaal verwerken, door de minister onder wie dat bestuur, die instelling of dat bedrijf ressorteert, wordt aangewezen om te zorgen voor de inachtneming van de veiligheidsregels;

b) het personeelslid, houder van een veiligheidsmachtiging, binnen een rechtspersoon die een veiligheidsmachtiging bezit, dat door de leiding van de rechtspersoon wordt aangewezen om te zorgen voor de inachtneming van de veiligheidsregels;

2º « veiligheidsmachtiging », het officieel attest, verstrekt op grond van de gegevens verzameld door een inlichtingen- en veiligheidsdienst, luidens hetwelk, om toegang te krijgen tot gegevens waaraan een zekere graad van vertrouwelijkheid is toegekend :

­ een natuurlijke persoon voldoende garanties biedt inzake geheimhouding, loyauteit en integriteit;

­ een rechtspersoon voldoende garanties biedt inzake de materiële en technische middelen en de methoden, gebruikt om deze gegevens te beschermen, en inzake de geheimhouding, de loyauteit en de integriteit van zijn organen en aangestelden die in aanmerking komen om toegang te hebben tot die gegevens;

3º « veiligheidsonderzoek », het onderzoek uitgevoerd door een inlichtingen- en veiligheidsdienst, ten einde vast te stellen dat aan alle noodzakelijke voorwaarden voor het afgeven van de veiligheidsmachtiging is voldaan, gelet op het niveau en het doel van de machtiging;

4º « inlichtingen- en veiligheidsdienst », de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Dit artikel aanvullen met een 5º, luidende :

« 5º geheimverklaard stuk, inlichting of materiaal » : ieder stuk of materiaal waarvan de vertrouwelijkheid of het geheim is vastgesteld bij wet of door de daartoe krachtens de wet gemachtigde overheid. »

« Compléter cet article par un 5º, libellé comme suit :

« 5º document, renseignement ou matériel classifié », tout document ou matériel dont le caractère confidentiel ou secret a été établi par la loi ou l'autorité habilitée à le faire en vertu de la loi. »

L'article 15 est ainsi rédigé :

Art. 15. Le Roi désigne la ou les autorités collégiales compétentes pour délivrer ou retirer les habilitations de sécurité. Cette ou ces autorités sont ci-après dénommées « l'autorité de sécurité ».

Par dérogation à l'alinéa 1er , les autorités suivantes peuvent être autorisées par le Roi à exercer les compétences attribuées par la présente loi à l'autorité de sécurité :

1º l'administrateur général de la Sûreté de l'État ou, en cas d'empêchement, l'administrateur général-adjoint, pour les membres du personnel de ce service et les candidats à un emploi dans ce service;

2º le chef du Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées, ou un officier supérieur qu'il délègue, pour les personnes qui relèvent du ministre de la Défense nationale et pour les candidats à un emploi au sein du ministère de la Défense nationale.

Art. 15. De Koning wijst de collegiale overheid of overheden aan, die bevoegd is of zijn de veiligheidsmachtigingen af te geven of in te trekken. Die overheid of overheden worden hierna « de veiligheidsoverheid » genoemd.

In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende overheden de toestemming van de Koning krijgen om de door deze wet aan de veiligheidsoverheid toegewezen bevoegdheden uit te oefenen :

1º de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of, in geval van verhindering, de adjunct-administrateur-generaal, voor de personeelsleden van die dienst en voor de kandidaten voor een betrekking binnen die dienst;

2º de chef van de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht, of een door hem afgevaardigde hoofdofficier, voor de personen die onder de minister van Landsverdediging ressorteren en voor de kandidaten voor een betrekking binnen het ministerie van Landsverdediging.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 15. De Koning wijst de collegiale overheid aan die bevoegd is voor de afgifte of de intrekking van de veiligheidsmachtigingen. Die overheid wordt hierna « de veiligheidsautoriteit » genoemd. »

« Remplacer cet article par ce qui suit :

« Art. 15. Le Roi désigne l'autorité collégiale compétente pour délivrer ou retirer les habilitations de sécurité. Cette autorité est ci-après dénommée « l'autorité de sécurité. »

L'article 16 est ainsi rédigé :

Section 2. ­ De l'avertissement et de l'accord

Art. 6. § 1er . La personne qui doit obtenir une habilitation de sécurité est avertie du niveau et de l'objet de l'habilitation, ainsi que des types de données qui pourront être examinées ou vérifiées lors de l'enquête de sécurité, des modalités de celle-ci et de la durée de validité de l'habilitation de sécurité.

Son accord est requis pour pouvoir procéder à l'enquête de sécurité nécessaire à la délivrance de l'habilitation. Cet accord vaut également pour toute enquête de sécurité ultérieure visant à vérifier si les conditions requises pour le niveau initial de l'habilitation sont toujours réunies. L'intéressé est néanmoins toujours préalablement averti de chaque enquête de sécurité, conformément au § 1er , alinéa 1er .

Cet accord peut à tout moment être retiré par la personne concernée qui ne consent plus à faire l'objet d'une enquête de sécurité ou à détenir une habilitation de sécurité.

Si l'habilitation est requise pour l'accès à un emploi, une fonction ou un grade, le refus explicite du candidat ou, le cas échéant, l'absence d'accord dans un délai de quinze jours suivant le jour de la réception du document l'avertissant de l'enquête, met automatiquement fin à la procédure de recrutement, d'engagement, de nomination ou de promotion.

§ 2. L'accord prévu au § 1er n'est pas exigé lorsque l'habilitation de sécurité est requise pour l'exercice d'une fonction pour laquelle l'intéressé peut ­ en raison de son statut ­ être désigné sans son consentement. L'intéressé est néanmoins toujours préalablement averti de l'enquête de sécurité, conformément au § 1er , alinéa 1er .

Avant son recrutement ou son engagement dans un emploi soumis à un tel statut, le candidat doit, aussi longtemps qu'il est soumis à ce statut et s'il devait être désigné à une fonction requérant une habilitation de sécurité, consentir à ce que des enquêtes de sécurité soient effectuées, conformément à l'alinéa précédent.

§ 3. L'avertissement visé au § 1er , alinéa 2, n'est pas requis lorsqu'une enquête de sécurité ultérieure s'avère nécessaire pour vérifier des informations sur des faits graves indiquant que la personne habilitée ne satisfait plus aux conditions requises pour le niveau de l'habilitation octroyée.

Dans ce cas, l'autorité de sécurité est avertie sans délai.

§ 4. Les personnes, âgées de dix-huit ans accomplis, cohabitant avec la personne pour laquelle l'habilitation est requise, sont également averties, lorsqu'en fonction du niveau de l'habilitation, elles doivent faire l'objet d'une enquête de sécurité individuelle.

Afdeling 2. ­ De kennisgeving en de instemming

Art. 16. § 1. De persoon die een veiligheidsmachtiging moet verkrijgen, wordt op de hoogte gebracht van het niveau en het doel van de machtiging, van de types van gegevens die gedurende het veiligheidsonderzoek kunnen worden onderzocht of geverifieerd, van de wijze waarop het onderzoek verloopt en de geldigheidsduur van de veiligheidsmachtiging.

Zijn instemming is vereist voor het instellen van het veiligheidsonderzoek dat nodig is voor het afgeven van de machtiging. Die instemming geldt eveneens voor enig later veiligheidsonderzoek dat erop gericht is na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden die vereist zijn voor het aanvangsniveau van de machtiging. De betrokken persoon wordt niettemin steeds vooraf op de hoogte gebracht van elk veiligheidsonderzoek, overeenkomstig § 1, eerste lid.

Die instemming kan op ieder moment ingetrokken worden door de betrokken persoon die niet langer wenst het veiligheidsonderzoek te ondergaan of houder te zijn van een veiligheidsmachtiging.

Indien de machtiging vereist is voor de toegang tot een betrekking, een functie of een graad, maakt de uitdrukkelijke weigering van de kandidaat of, in voorkomend geval, het uitblijven van de instemming binnen een termijn van vijftien dagen na de ontvangst van het document dat hem van het onderzoek op de hoogte brengt, automatisch een einde aan de procedure tot werving, indienstneming, benoeming of bevordering.

§ 2. De in § 1 bepaalde instemming is niet nodig, wanneer de veiligheidsmachtiging vereist is voor de uitoefening van een ambt waarvoor de betrokken persoon ­ op grond van zijn statuut ­ kan worden aangewezen zonder zijn instemming. De betrokken persoon wordt niettemin steeds vooraf op de hoogte gebracht van het veiligheidsonderzoek, overeenkomstig § 1, eerste lid.

Voordat de kandidaat geworven of in dienst genomen wordt in een betrekking die aan een dergelijk statuut is onderworpen, moet hij ermee instemmen dat, zolang hij aan dat statuut onderworpen is en indien hij zou worden aangesteld in een functie waarvoor een veiligheidsmachtiging vereist is, veiligheidsonderzoeken worden ingesteld, overeenkomstig het vorige lid.

§ 3. De in § 1, tweede lid, bedoelde kennisgeving is niet vereist wanneer een later veiligheidsonderzoek noodzakelijk is om informaties te verifiëren over ernstige feiten die erop wijzen dat de gemachtigde persoon niet meer aan de voorwaarden voldoet die vereist zijn voor het niveau van de toegekende machtiging.

In dat geval wordt de veiligheidsoverheid onmiddellijk op de hoogte gebracht.

§ 4. De personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben en samenwonen met de persoon voor wie de machtiging vereist is, worden eveneens op de hoogte gebracht, wanneer zij, naar gelang van het niveau van de machtiging, eveneens een individueel veiligheidsonderzoek moeten ondergaan.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« In § 4, tussen de woorden « op de hoogte gebracht » en de woorden « wanneer zij », de woorden « en er wordt terzake om hun instemming gevraagd » invoegen. »

« Au § 4, entre les mots « sont également averties » et les mots « , lorsqu'en fonction du niveau », insérer les mots « et leur accord est demandé, »

L'article 19 est ainsi rédigé :

Art. 19. Dans le cadre des enquêtes de sécurité et uniquement à cette fin, les agents et les membres visés à l'article 18, alinéa 3 peuvent, outre les compétences qu'ils tiennent des articles 13 à 19, § 2, de la loi du ... organique des services de renseignement et de sécurité, et dans le respect de l'article 12, § 1er , de cette même loi, procéder à toute investigation et recueillir tous les renseignements nécessaires à l'enquête.

À cette fin, ils peuvent, sur présentation de leur carte de légitimation :

1º accéder sans frais, et quel que soit leur niveau, au casier judiciaire central tenu au ministère de la Justice, aux casiers judiciaires et aux registres de la population et des étrangers tenus par les communes, au registre national, au registre d'attente des étrangers, ainsi qu'aux données policières qui sont accessibles aux fonctionnaires de police lors de l'exécution de contrôles d'identité;

2º sur présentation du document visé à l'article 17 attestant l'accord ou, le cas échéant, l'avertissement de la personne concernée, demander toute information utile en possession des services de police générale;

3º sur présentation du document visé au point 2º, requérir des services publics, dont la liste est arrêtée par le Roi, la communication de tous renseignements utiles dont ces services disposent relatifs à l'identité ou à la solvabilité financière de la personne concernée. Ces services mettent à leur disposition, sans frais, des photocopies, extraits, ou copies conformes de documents, pièces, registres, livres, bandes magnétiques ou disques informatiques.

Ils sont tenus d'exhiber leur carte de légitimation à toute autre personne dont ils sollicitent le concours dans le cadre des enquêtes de sécurité. Si elle en fait la demande, ils sont également tenus d'exhiber le document visé à l'article 17, attestant l'accord de la personne qui fait l'objet de l'enquête, ou, lorsque cet accord n'est pas requis, l'avertissement.

Lorsque l'enquête de sécurité a pour finalité l'octroi d'une habilitation de sécurité à un ressortissant d'un État étranger par les autorités compétentes de cet État dans le cadre d'accords d'assistance mutuelle liant la Belgique, ces agents et membres sont tenus d'exhiber un document émanant de l'autorité de sécurité attestant la demande de collaboration de l'État étranger.

Art. 19. In het kader van de veiligheidsonderzoeken en enkel met het oog daarop, kunnen de in artikel 18, derde lid bedoelde agenten en leden, buiten hun bevoegdheden op grond van artikel 13 tot 19, § 2, van de wet van ... houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en met inachtneming van artikel 12, § 1, van dezelfde wet, elk onderzoek instellen en alle inlichtingen nodig voor het onderzoek inwinnen.

Met het oog daarop kunnen zij, op voorlegging van hun legitimatiekaart :

1º wat ook hun niveau is, kosteloos toegang krijgen tot het centraal strafregister dat wordt bijgehouden in het ministerie van Justitie, tot de strafregisters en de bevolkings- en vreemdelingenregisters die worden bijgehouden op de gemeenten, tot het Rijksregister, tot het wachtregister van de vreemdelingen, alsook tot de politiegegevens die toegankelijk zijn voor politieambtenaren bij de uitvoering van identiteitscontroles;

2º op voorlegging van het in artikel 17 bedoelde document waaruit de instemming van of, in voorkomend geval, de kennisgeving aan de betrokkene blijkt, alle nuttige informatie vragen waarover de algemene politiediensten beschikken;

3º op voorlegging van het in het 2º bedoelde document, de mededeling vorderen door de openbare diensten, waarvan de lijst door de Koning bepaald wordt, van alle nuttige inlichtingen betreffende de identiteit of de kredietwaardigheid van de betrokkene waarover deze diensten beschikken. Deze diensten stellen hen kosteloos fotokopieën, uittreksels, of voor eensluidend verklaarde afschriften van documenten, stukken, registers, boeken, magneetbanden of computerdiskettes ter beschikking.

Zij moeten hun legitimatiekaart tonen aan elke andere persoon van wie zij, in het kader van het veiligheidsonderzoek, de medewerking vragen. Indien deze het hen vraagt, moeten zij eveneens het in artikel 17 bedoelde document tonen, waaruit de instemming blijkt van de persoon die aan een onderzoek wordt onderworpen, of, wanneer die instemming niet vereist is, van de kennisgeving.

Wanneer het veiligheidsonderzoek tot doel heeft het verlenen van een veiligheidsmachtiging aan een ingezetene van een vreemde Staat, door de bevoegde overheden van die Staat, in het kader van overeenkomsten van wederzijdse bijstand waardoor België gebonden is, moeten die agenten en leden een document tonen, afkomstig van de veiligheidsoverheid, waaruit het verzoek om medewerking van de vreemde Staat blijkt.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« In het tweede lid de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. in limine, na de woorden « , op voorlegging van hun legitimatiekaart : », de woorden « en van het in artikel 7 bedoelde document waaruit de instemming van of, in voorkomend geval, de kennisgeving aan de betrokkene blijkt : » toevoegen;

B. in het 2º, de woorden « op voorlegging van het in artikel 7 bedoelde document waaruit de instemming van of, in voorkomend geval, de kennisgeving aan de betrokkene blijkt », doen vervallen.

C. in het 3º, de woorden « op voorlegging van het bij 2º bedoelde document », doen vervallen. »

« Au deuxième alinéa, apporter les modifications suivantes :

A. in limine, après les mots « carte de légitimation : », insérer les mots « et du document visé à l'article 7 attestant l'accord ou, le cas échéant, l'avertissement de la personne concernée : »;

B. au 2º, supprimer les mots « sur présentation du document visé à l'article 7 attestant l'accord ou, le cas échéant, l'avertissement de la personne concernée, »;

C. au 3º, supprimer les mots « sur présentation du document visé au point 2º, »

L'article 25 est ainsi rédigé :

Art. 25. Sauf lorsque les raisons pour lesquelles elles ont été recueillies sont toujours d'actualité et que leur conservation reste dès lors impérative, les données à caractère personnel collectées ou reçues dans le cadre de la présente loi sont détruites dès que la personne concernée ne sera plus susceptible de faire l'objet d'une enquête de sécurité.

Sauf lorsque les raisons pour lesquelles elles ont été recueillies sont toujours d'actualité et que leur conservation reste dès lors impérative, les données recueillies à l'occasion des enquêtes de sécurité visées à l'article 12, alinéa 2, sont détruites à l'expiration d'un délai de deux ans, à compter de la date de l'expiration de la validité de l'habilitation de sécurité.

Art. 25. Behalve wanneer de redenen waarom ze werden verzameld nog steeds bestaan en hun bewaring bijgevolg geboden blijft, worden de persoonlijke gegevens die in het kader van deze wet worden ingewonnen of ontvangen, vernietigd zodra de betrokken persoon niet langer aan een veiligheidsonderzoek kan worden onderworpen.

Behalve wanneer de redenen waarom ze werden verzameld nog steeds bestaan en hun bewaring bijgevolg geboden blijft, worden de gegevens die in het kader van de in artikel 12, tweede lid, bedoelde veiligheidsonderzoeken worden ingewonnen, vernietigd na een periode van twee jaar vanaf de datum waarop de geldigheid van de veiligheidsmachtiging vervalt.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« De eerste alinea aanvullen met de volgende zin :

« Die termijn mag in geen geval de duur van één jaar overschrijden. »

« Compléter le premier alinéa par la phrase suivante :

« Ce délai ne pourra en aucun cas excéder un an. »

Het woord is aan de heer Goris.

De heer Goris (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik handhaaf mijn amendementen. Gelet op het gevorderde uur zal ik ze niet meer toelichten. Ik heb het daarover trouwens reeds gehad in mijn uiteenzetting van daarstraks.

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Poncelet.

De heer Poncelet, vice-eerste minister en minister van Landsverdediging, belast met Energie. ­ Mijnheer de voorzitter, ik heb begrepen dat de amendementen van de heer Goris dezelfde zijn als die welke hij in de commissie heeft ingediend. Voor het standpunt van de regering verwijs ik dan ook naar het verslag.

De voorzitter. ­ De stemming over deze amendementen wordt aangehouden.

Le vote sur ces amendements est réservé.

De aangehouden stemmingen en de stemming over het geheel van het wetsontwerp hebben later plaats.

Il sera procédé ultérieurement aux votes réservés ainsi qu'au vote sur l'ensemble du projet de loi.

We gaan nu over tot de bespreking van het wetsontwerp tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtiging. Dit wetsontwerp regelt een aangelegenheid die valt onder artikel 77 van de Grondwet.

Nous passons maintenant à la discussion des articles du projet réglant des matières visées à l'article 77 de la Constitution.

Article 1er . La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

­ Adopté.

Aangenomen.

M. le président. ­ L'article 2 est ainsi rédigé :

Art. 2. Dans la présente loi, on entend par :

1º « service de renseignement et de sécurité », la Sûreté de l'État et le Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées;

2º « Comité permanent R », le Comité permanent de contrôle des services de renseignements créé par la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements.

Art. 2. In deze wet wordt verstaan onder :

1º « inlichtingen- en veiligheidsdienst », de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht;

2º « Vast Comité I », het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, opgericht bij de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het tweede lid vervangen door :

« 2º `Beroepscommissie', een commissie van drie magistraten op rust die tevens houder zijn van een veiligheidsmachtiging. Deze worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel benoemd, voor een periode van vijf jaar. De voorzitter van deze commissie verkrijgt de bevoegdheden conform artikel 48 van de wet van 18 juli 1991. »

« Remplacer le deuxième alinéa par le texte suivant :

« 2º `Commission de recours', une commission composée de trois magistrats à la retraite qui sont détenteurs d'une habilitation de sécurité. Ceux-ci sont désignés, pour une période de cinq ans, par le premier président de la cour d'appel de Bruxelles. Le président de la commission exerce les compétences attribuées par l'article 48 de la loi du 18 juillet 1991. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 2 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 2 sont réservés.

L'article 3 est ainsi rédigé :

Art. 3. Le Comité permanent R, ci-après dénommé « l'organe de recours », connaît des recours introduits en application de la présente loi.

Dans ce cas, les articles 32 à 56 de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements ne sont pas d'application.

Lorsqu'il est saisi d'un recours, le Comité permanent R ne donne pas suite à une plainte ou à une dénonciation au sens de la loi du 18 juillet 1991 précitée qui concerne toute enquête de sécurité effectuée à l'occasion de la procédure d'habilitation de sécurité faisant l'objet du recours.

Art. 3. Het Vast Comité I, hierna het « beroepsorgaan » genoemd, neemt kennis van de met toepassing van deze wet ingestelde beroepen.

In dat geval zijn de artikelen 32 tot 56 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten niet van toepassing.

Wanneer bij het Vast Comité I een beroep aanhangig is gemaakt, geeft het geen gevolg aan een in de voornoemde wet van 18 juli 1991 bedoelde klacht of aangifte betreffende elk veiligheidsonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de procedure tot veiligheidsmachtiging die het voorwerp uitmaakt van het beroep.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« In het eerste lid van dit artikel de woorden « het Vast Comité I, hierna het beroepsorgaan genoemd » vervangen door de woorden « de beroepscommissie. »

« Au premier alinéa de cet article, remplacer les mots « Le Comité permanent R, ci-après dénommé `l'organe de recours' » par les mots « la commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 3 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 3 sont réservés.

L'article 4 est ainsi rédigé :

Art. 4. Lorsque, conformément à l'article 20 de la loi du ... relative à la classification et aux habilitations de sécurité, l'octroi de l'habilitation de sécurité requise est refusé, lorsque la décision n'est pas intervenue ou n'a pas été notifiée dans le délai prévu, ou lorsque l'habilitation de sécurité est retirée, la personne, physique ou morale, pour laquelle l'habilitation est requise, peut, dans les trente jours suivant respectivement la notification de la décision ou l'expiration du délai, introduire un recours, par lettre recommandée, auprès de l'organe de recours.

Une absence de décision de l'autorité de sécurité dans le délai fixé par l'organe de recours conformément à l'article 10, § 1er ou § 2, 1º, de la présente loi est considérée comme une décision de refus et est susceptible de recours, par l'intéressé, conformément à l'alinéa précédent.

Le recours n'est pas ouvert lorsque l'habilitation de sécurité est retirée dans le cas visé à l'article 14, § 1er , alinéa 3, de la loi du ... relative à la classification et aux habilitations de sécurité.

Art. 4. Wanneer overeenkomstig artikel 20 van de wet van ... betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, de toekenning van de vereiste veiligheidsmachtiging wordt geweigerd, wanneer de beslissing niet genomen of niet ter kennis gebracht is binnen de voorziene termijn, of wanneer de veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken, kan de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de machtiging vereist is, binnen dertig dagen, respectievelijk na de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn, bij aangetekend schrijven beroep instellen bij het beroepsorgaan.

Het uitblijven van een beslissing door de veiligheidsoverheid binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan overeenkomstig artikel 10, § 1, of § 2, 1º, van deze wet, wordt beschouwd als een beslissing tot weigering en is vatbaar voor beroep door de betrokkene, overeenkomstig het vorige lid.

Het beroep staat niet open wanneer de veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken in het geval bedoeld in artikel 14, § 1, derde lid, van de wet van ... betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het woord « het beroepsorgaan » in dit artikel vervangen door het woord « de beroepscommissie. »

« À cet article, remplacer les mots « l'organe de recours » par les mots « La commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 4 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 4 sont réservés.

L'article 5 est ainsi rédigé :

Art. 5. § 1er . En cas de recours, l'autorité de sécurité communique à l'organe de recours le rapport d'enquête, en y joignant l'original de la décision motivée et une copie de la notification de cette décision au requérant, et, le cas échant, le dossier d'enquête, visé à l'article 20 de la loi du ... relative à la classification et aux habilitations de sécurité.

§ 2. S'il l'estime utile à l'examen du recours, l'organe de recours requiert du service de renseignement et de sécurité qui a procédé ou procède à l'enquête de lui communiquer une copie du dossier d'enquête dans son intégralité. Il peut également requérir de ce service la communication de toute information complémentaire qu'il juge utile à l'examen du recours dont il est saisi.

À cette fin, l'organe de recours peut entendre les membres des services de renseignement qui ont participé à l'enquête de sécurité.

Les membres des services de renseignement sont tenus de révéler à l'organe de recours les secrets dont ils sont dépositaires, à l'exception de ceux qui concernent une information ou une instruction judiciaire en cours.

Si le membre du service de renseignement estime devoir garder le secret dont il est dépositaire parce que sa divulgation est de nature à porter préjudice à la protection des sources, à la protection de la vie privée de tiers ou à l'accomplissement des missions des services de renseignement et de sécurité telles que définies aux articles 7 et 9 de la loi du ... organique des services de renseignement et de sécurité, la question est soumise au président de l'organe de recours, qui statue après avoir entendu le chef du service.

§ 3. À la demande du service de renseignement et de sécurité, l'organe de recours peut décider que certaines informations figurant dans la déposition d'un membre du service de renseignement visé au § 2, dans le rapport d'enquête ou dans le dossier d'enquête sont secrètes pour un des motifs visés au § 2, alinéa 4, et qu'elles ne pourront être consultées ni par le requérant ni par son avocat.

Lorsque ces informations proviennent d'un service de renseignement étranger, la décision de non-consultation est prise par le service de renseignement et de sécurité.

Ces décisions ne sont susceptibles d'aucun recours.

Art. 5. § 1. In geval van beroep zendt de veiligheidsoverheid het onderzoeksverslag aan het beroepsorgaan over, waarbij het origineel van de met redenen omklede beslissing alsmede een kopie van de kennisgeving van deze beslissing aan de eiser, en, in voorkomend geval, het in artikel 20 van de wet van ... betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen bedoelde onderzoeksdossier worden gevoegd.

§ 2. Indien het beroepsorgaan het nuttig acht voor het onderzoek van het beroep, verzoekt het de inlichtingen- en veiligheidsdienst die het onderzoek heeft ingesteld of instelt, een kopie van het volledige onderzoeksdossier over te zenden. Het kan eveneens van deze dienst de mededeling eisen van elke aanvullende informatie die het nuttig acht voor het onderzoek van het aanhangig gemaakte beroep.

Daartoe kan het beroepsorgaan de leden horen van de inlichtingendiensten die aan het veiligheidsonderzoek hebben meegewerkt.

De leden van de inlichtingendiensten zijn verplicht aan het beroepsorgaan de geheime informatie mee te delen waarover zij beschikken, met uitzondering van geheime informatie die betrekking heeft op een nog lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek.

Acht het lid van de inlichtingendienst het nuttig die informatie toch geheim te houden omdat de verspreiding ervan de bescherming van de bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden of de vervulling van de opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals bepaald in de artikelen 7 en 9 van de wet van ... houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het gedrang kan brengen, dan wordt de vraag voorgelegd aan de voorzitter van het beroepsorgaan, die uitspraak doet na het hoofd van de dienst te hebben gehoord.

§ 3. Op verzoek van de inlichtingen- en veiligheidsdienst kan het beroepsorgaan beslissen dat sommige inlichtingen uit de verklaring van een lid van de in § 2 bedoelde inlichtingendienst, uit het onderzoeksverslag of het onderzoeksdossier, om een van de in § 2, vierde lid, genoemde redenen, geheim zijn en dat de eiser noch zijn advocaat er inzage van krijgen.

Wanneer die inlichtingen afkomstig zijn van een buitenlandse inlichtingendienst, wordt de beslissing tot niet-inzage genomen door de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Tegen die beslissingen is geen beroep mogelijk.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het woord « het beroepsorgaan » in dit artikel vervangen door het woord « de beroepscommissie. »

« À cet article, remplacer les mots « l'organe de recours » par les mots « La commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 5 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 5 sont réservés.

L'article 6 est ainsi rédigé :

Art. 6. Sans préjudice de l'article 5, § 3, alinéas 1er et 2, le requérant et son avocat peuvent consulter au greffe de l'organe de recours le rapport d'enquête et, le cas échéant, le dossier d'enquête, pendant cinq jours ouvrables avant l'audience, aux dates et heures indiquées par l'organe de recours.

Le requérant est entendu par l'organe de recours, à la demande de celui-ci ou à sa propre demande. Il peut être assisté d'un avocat.

Art. 6. Onverminderd artikel 5, § 3, eerste en tweede lid, mogen de eiser en zijn advocaat het onderzoeksverslag en eventueel het onderzoeksdossier gedurende vijf werkdagen vóór de zitting op de griffie van het beroepsorgaan inzien, op de data en uren die door het beroepsorgaan worden opgegeven.

De eiser wordt gehoord door het beroepsorgaan, op verzoek van dat orgaan of op eigen verzoek. Hij kan zich laten bijstaan door een advocaat.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het woord « het beroepsorgaan » in dit artikel vervangen door het woord « de beroepscommissie. »

« À cet article, remplacer les mots « l'organe de recours » par les mots « La commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 6 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 6 sont réservés.

L'article 7 est ainsi rédigé :

Art. 7. § 1er . Les membres et les membres du personnel du Comité permanent R sont tenus à une obligation de secret à l'égard des faits, actes ou renseignements dont ils ont connaissance en raison du concours qu'ils apportent à l'application de la présente loi.

Cette obligation de secret subsiste même lorsqu'ils ont cessé d'apporter ce concours.

§ 2. L'organe de recours doit prendre les mesures internes nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des rapports d'enquêtes, des documents qui y sont joints conformément à l'article 5, § 1er , et, le cas échéant, des dossiers d'enquêtes.

Art. 7. § 1. De leden en de personeelsleden van het Vast Comité I zijn gehouden tot een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de feiten, handelingen of inlichtingen waarvan zij kennis hebben wegens de medewerking die zij verlenen aan de toepassing van deze wet.

Deze geheimhoudingsplicht blijft bestaan, ook wanneer zij opgehouden hebben deze medewerking te verlenen.

§ 2. Het beroepsorgaan moet de nodige interne maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter van de onderzoeksverslagen, van de documenten die erbij gevoegd zijn overeenkomstig artikel 5, § 1, en, in voorkomend geval, van de onderzoeksdossiers, te waarborgen.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het woord « het beroepsorgaan » in dit artikel vervangen door het woord « de beroepscommissie. »

« À cet article, remplacer les mots « l'organe de recours » par les mots « La commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 7 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 7 sont réservés.

Art. 8. Est punie d'une amende de deux cents francs à dix mille francs, toute personne visée à l'article 7 qui a violé l'obligation de secret à laquelle elle est astreinte sur la base de cet article.

Art. 8. Met geldboete van tweehonderd frank tot tienduizend frank wordt gestraft, iedere persoon bedoeld in artikel 7 die de geheimhoudingsplicht waartoe hij gehouden is op grond van dat artikel, heeft geschonden.

­ Adopté.

Aangenomen.

M. le président. ­ L'article 9 est ainsi rédigé :

Art. 9. L'organe de recours délibère à la majorité des voix dans les soixante jours suivant celui où il a été saisi du recours.

Les décisions de l'organe de recours sont motivées. Elles sont notifiées, par lettre recommandée, au requérant, à l'autorité de sécurité et au service de renseignement et de sécurité qui a procédé à l'enquête, et sont, dès leur notification, directement exécutoires.

La notification adressée au requérant ne peut contenir aucune information dont la communication serait de nature à porter atteinte à la défense de l'intégrité du territoire national, aux plans de défense militaires, à l'accomplissement des missions des forces armées, à la sûreté intérieure de l'État, y compris dans le domaine de l'énergie nucléaire, à la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, à la sûreté extérieure de l'État et aux relations internationales, au potentiel scientifique ou économique du pays ou tout autre intérêt fondamental de l'État, à la sécurité des ressortissants belges à l'étranger, au fonctionnement des organes décisionnels de l'État, à la protection des sources ou à la protection de la vie privée de tiers.

Les décisions de l'organe de recours ne sont susceptibles d'aucun recours.

La procédure à suivre devant l'organe de recours sera déterminée par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.

Art. 9. Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen zestig dagen nadat het beroep bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt.

De beslissingen van het beroepsorgaan worden met redenen omkleed. Zij worden, bij aangetekend schrijven, ter kennis gebracht van de eiser, van de veiligheidsoverheid en van de inlichtingen- en veiligheidsdienst die het onderzoek heeft ingesteld, en zijn vanaf hun kennisgeving rechtstreeks uitvoerbaar.

De kennisgeving aan de eiser mag geen enkele inlichting bevatten waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, aan de militaire defensieplannen, aan de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, aan de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, aan het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, aan de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, aan het wetenschappelijk of economisch potentieel van het land of elk ander fundamenteel belang van de Staat, aan de veiligheid van Belgische onderdanen in het buitenland, aan de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat, aan de bescherming van de bronnen of aan de bescherming van het privé-leven van derden.

De beslissingen van het beroepsorgaan zijn niet vatbaar voor enig beroep.

De rechtspleging welke voor het beroepsorgaan dient te worden gevolgd, wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het woord « het beroepsorgaan » in dit artikel vervangen door het woord « de beroepscommissie. »

« À cet article, remplacer les mots « l'organe de recours » par les mots « La commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 9 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 9 sont réservés.

L'article 10 est ainsi rédigé :

Art. 10. § 1er . Lorsque le recours fait suite à une absence de décision sur l'octroi d'une habilitation de sécurité, l'organe de recours peut, après avoir interrogé l'autorité de sécurité ou le service de renseignement et de sécurité concerné sur les motifs du non-respect du délai prescrit conformément à l'article 20, alinéa 1er , de la loi du ... relative à la classification et aux habilitations de sécurité, requérir que l'enquête de sécurité soit achevée, que le rapport d'enquête soit examiné par l'autorité de sécurité, et que celle-ci statue dans les délais qu'il fixe.

§ 2. Lorsque le recours fait suite à une décision de refus d'octroi d'une habilitation de sécurité ou de retrait d'une habilitation de sécurité, l'organe de recours peut, s'il estime, après audition du requérant ou de son avocat, que les motifs invoqués à l'appui de la décision attaquée ne sont pas fondés et adéquats en fonction du niveau d'habilitation requis :

1º requérir que l'enquête de sécurité soit complétée sur les points qu'il détermine et que la décision de refus d'octroi ou de retrait soit réexaminée par l'autorité de sécurité dans les délais qu'il fixe;

2º requérir l'autorité de sécurité d'octroyer l'habilitation de sécurité.

§ 3. Lorsque le recours fait suite à une absence de décision de l'autorité de sécurité dans le délai fixé par l'organe de recours conformément au § 1er ou au § 2, 1º, l'organe de recours peut, s'il estime, après audition du requérant ou de son avocat, que rien ne s'y oppose, requérir l'autorité de sécurité d'octroyer l'habilitation de sécurité.

Art. 10. § 1. Wanneer het beroep betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing inzake het verlenen van een veiligheidsmachtiging, kan het beroepsorgaan, na de veiligheidsoverheid of de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst te hebben ondervraagd over de redenen voor de niet-naleving van de overeenkomstig artikel 20, eerste lid, van de wet van ... betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen bepaalde termijn, eisen dat het veiligheidsonderzoek wordt beëindigd, dat het onderzoeksverslag door de veiligheidsoverheid wordt onderzocht en dat zij beslist binnen de termijnen die het vaststelt.

§ 2. Wanneer het beroep volgt op een weigering om de veiligheidsmachtiging te verlenen of op de intrekking van een veiligheidsmachtiging, kan het beroepsorgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van oordeel is dat de redenen ingeroepen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, ongegrond zijn en niet in verhouding staan tot het vereiste machtigingsniveau :

1º eisen dat het veiligheidsonderzoek wordt afgerond met betrekking tot de punten die het bepaalt en dat de beslissing tot weigering of intrekking opnieuw door de veiligheidsoverheid wordt onderzocht binnen de termijnen die het vaststelt;

2º eisen dat de veiligheidsoverheid de veiligheidsmachtiging verleent.

§ 3. Wanneer het beroep volgt op het uitblijven van beslissing van de veiligheidsoverheid binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan overeenkomstig § 1 of § 2, 1º, kan het beroepsorgaan, indien het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, meent dat niets zich ertegen verzet, de veiligheidsoverheid dwingen de veiligheidsmachtiging toe te kennen.

De heer Goris stelt volgend amendement voor :

« Het woord « het beroepsorgaan » in dit artikel vervangen door het woord « de beroepscommissie. »

« À cet article, remplacer les mots « l'organe de recours » par les mots « La commission de recours. »

De stemming over het amendement en de stemming over artikel 10 worden aangehouden.

Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 10 sont réservés.

Art. 11. La présente loi entre en vigueur le même jour que l'article 20 de la loi du ... relative à la classification et aux habilitations de sécurité.

Art. 11. Deze wet treedt in werking op dezelfde dag als artikel 20 van de wet van ... betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.

­ Adopté.

Aangenomen.

De voorzitter. ­ De aangehouden stemmingen en de stemming over het geheel van het wetsontwerp hebben later plaats.

Il sera procédé ultérieurement aux votes réservés ainsi qu'au vote sur l'ensemble du projet de loi.