1-1051/4

1-1051/4

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

10 DECEMBER 1998


Wetsontwerp tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid en sommige kansarme jongeren


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW CANTILLON


De commissie heeft dit wetsontwerp, dat op 5 oktober werd geëvoceerd, besproken tijdens haar vergaderingen van 14 oktober, 12 en 24 november en 10 december 1998.

Op 19 november heeft een hoorzitting plaatsgevonden met vertegenwoordigers van inschakelingsbedrijven.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN

De minister verklaart dat uit verschillende interpellaties in de Kamer van volksvertegenwoordigers gebleken is dat de RSZ van een aantal ondernemingen uit de sociale economie waarop het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren van toepassing is, de regularisering van sociale bijdragen gevorderd heeft, met name op het bedrag van de aanvullende vergoeding die sommige kansarme jongeren ontvangen in het kader van hun tewerkstelling in dergelijke bedrijven.

De RSZ werd destijds verzocht niet overijverig op te treden ten aanzien van deze werknemers die tot kansarme bevolkingsgroepen behoren. Toch zijn er verschillende gevallen ter kennis gebracht van de parlementsleden en bijgevolg hebben volksvertegenwoordigers van verschillende fracties in de Kamer van volksvertegenwoordigers het wetsvoorstel nr. 1561/1 ingediend.

De minister vermeldt nog dat de Kamercommissie voor de Sociale Aangelegenheden tijdens een aanvullende behandeling van het wetsvoorstel een amendement heeft aangenomen waarin bepaald wordt dat aan twee voorwaarden moet zijn voldaan om de vergoedingen die aan de kansarme jongeren toegekend worden, vrij te stellen van sociale-zekerheidsbijdragen. Het gaat om de volgende voorwaarden : de vergoeding mag niet hoger liggen dan het bedrag dat door de diensten voor beroepsopleiding wordt uitgekeerd om de kosten te dekken die aan de opleiding verbonden zijn, en de vergoeding moet als dusdanig door de RSZ vrijgesteld zijn van betaling van sociale-zekerheidsbijdragen.

II. ALGEMENE BESPREKING

Een spreekster merkt op dat er een aantal vraagtekens blijven bij het amendement dat in laatste instantie door de Kamercommissie aangenomen is. Het gaat in dit geval om jongeren die de school verlaten hebben en voor wie een opleiding in een inschakelingsbedrijf de enige mogelijkheid vormt om zich opnieuw te integreren in de maatschappij en in het beroepsleven.

Het ontwerp dat door de Kamer aangenomen is, heeft in zijn huidige versie tot gevolg dat een jongere sociale-zekerheidsbijdragen moet betalen zodra hij een vergoeding ontvangt die hoger ligt dan 40 frank per uur. Het is echter bekend dat deze jongeren een dergelijke financiële stimulans nodig hebben om zich opnieuw te kunnen integreren.

Uitgaande van deze overwegingen dienen mevrouw Delcourt-Pêtre c.s. het amendement nr. 1 in (Stuk Senaat, nr. 1-1051/2, 1998-1999) dat ertoe strekt terug te keren naar de oorspronkelijke bedoeling van het in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediende wetsvoorstel :

Art. 2

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ In het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren wordt een artikel 3bis ingevoegd, luidende :

« Art. 3bis. ­ Wat de regelingen van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 3 van dit besluit betreft, vallen niet onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de in dit besluit bedoelde werknemers aan wie een vergoeding wordt toegekend, als die vergoeding :

­ ingeval ze het enige inkomen van de werknemer is : maandelijks niet het bedrag bereikt dat minstens overeenkomt met het derde van het gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen, vastgesteld bij CAO nr. 43 gesloten in de Nationale Arbeidsraad en verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988, en van kracht in de laatste maand van het jaar dat de berekening van de bijdragen voorafgaat;

­ ingeval ze bij een vervangingsinkomen wordt gevoegd : niet het bedrag overschrijdt dat door de diensten voor beroepsopleiding wordt uitgekeerd aan werkzoekenden in opleiding om de kosten te dekken die onlosmakelijk verbonden zijn aan het volgen van de opleiding en dat als dusdanig door de RSZ wordt vrijgesteld van de betaling van de sociale bijdragen ».

Verantwoording

In zijn huidige lezing bepaalt het wetsontwerp dat de vergoeding van jongeren in opleiding in EFT (inschakelingsbedrijven) niet onderworpen is aan de persoonlijke sociale bijdragen voorgeschreven in het kader van de toepassing van de wet van 27 juni 1969, wat de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering betreft, op voorwaarde dat die vergoeding het bedrag niet overschrijdt van de opleidingsvergoeding die de diensten voor beroepsopleiding van de gemeenschappen of de gewesten (VDAB, BGDA, FOREM) uitkeren aan jongeren die bij hen een opleiding volgen.

Er bestaat echter een fundamenteel verschil tussen de jongeren die een opleiding volgen in een inschakelingsbedrijf en de werkzoekenden die worden opgeleid bij VDAB, BGDA of FOREM. In de meeste gevallen is de opleidingsvergoeding van jongeren in inschakelingsbedrijven immers hun enig inkomen, terwijl de jongeren die worden opgeleid door VDAB, BDGA of FOREM, naast hun opleidingsvergoeding, ook nog een werkloosheidsuitkering genieten. Alleen in een zeer beperkt aantal gevallen krijgen de jongeren in opleiding in inschakelingsbedrijven naast hun vergoeding ook nog een vervangingsinkomen, zoals een werkloosheidsuitkering, het bestaansminimum of sociale steun.

Dit amendement wil rekening houden met deze verschillende situaties.

Indien de opleidingsvergoeding het enige inkomen is van de jongere die een opleiding volgt in een inschakelingsbedrijf, moet worden teruggegrepen naar de oorspronkelijke strekking van het koninklijk besluit nr. 499 en moet worden bepaald dat de inning van persoonlijke sociale bijdragen die krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 499 beperkt is tot de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en tot de kinderbijslagregeling voor werknemers, slechts verantwoord is als ze nuttig is voor de betrokken jongere, d.w.z. als de gestorte bijdragen hem het recht openen op sociale bescherming in de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het maandelijkse bedrag van de vergoeding die tot deze grens beperkt is, bedraagt in de praktijk 14 448 frank, wat overeenstemt met 1/3 van het gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen.

In geval de jongere naast de opleidingsvergoeding ook nog een vervangingsinkomen geniet, zou hij alleen mogen worden vrijgesteld van de betaling van persoonlijke sociale bijdragen in de twee genoemde regelingen, als deze vergoeding het bedrag dat door de VDAB, de BGDA en de FOREM uitgekeerd wordt aan werkzoekenden in opleiding, niet overschrijdt.

Een lid vraagt of men er enig zicht op heeft om hoeveel jongeren het hier gaat. Het is overigens verontrustend dat er in onze samenleving nog steeds een substantiële groep jong-volwassenen is, die zowel in de sociale zekerheid als voor het bestaansminimum uit de boot vallen.

De minister van Tewerkstelling en Arbeid antwoordt op de eerste vraag dat jaarlijks ongeveer 2 000 personen een opleiding volgen in de Entreprises de formation par le travail. De maximale duurtijd van de contracten bedraagt 18 maanden. In Vlaanderen bevinden deze initiatieven zich nog in een zeer experimenteel stadium. Men kent hier wel de zogenaamde invoegbedrijven maar die zijn niet wettelijk omkaderd.

Op basis van de gegevens die gekend zijn bij de RSZ ressorteren er van deze 2 000 jongeren er ongeveer 250 onder het koninklijk besluit nr. 499. De meerderheid wordt derhalve gevormd door personen die een werkloosheidsuitkering of het bestaansminimum krijgen. Zoals reeds gezegd, krijgen deze werknemers bovenop het vervangingsinkomen een vergoeding van 40 frank per uur, waarvan geen sociale bijdragen worden afgehouden. Het betreft hier wel minimale cijfers aangezien een aantal centra geen aangifte hebben gedaan bij de RSZ.

Wat de tweede opmerking van de vorige spreekster betreft, wijst zij erop dat alleen wie het derde jaar van het humanioraonderwijs beëindigd heeft, aanspraak kan maken op een wachtvergoeding. Ondanks de leerplicht tot 18 jaar is er nog steeds een substantiële groep jongeren die dit onderwijsniveau niet bereiken.

In het begin van dit jaar werden terzake precieze gegevens verzameld in het kader van de hervorming van het begeleidingsplan voor werklozen, dat vanaf januari 1999 via een samenwerkingsakkoord met de regio's precies op deze groepen zal worden gericht. Hieruit bleek dat jaarlijks in Wallonië 6 500, in Brussel bijna 3 000 en in Vlaanderen 6 000 leerlingen de leeftijd van 18 jaar bereiken met alleen een getuigschrift van lager onderwijs.

Deze personen hebben recht op het bestaansminimum indien zij geen andere bestaansmiddelen hebben, wat niet het geval is voor de jongeren die ten laste zijn van hun ouders of van hun partner. Een aantal van deze mensen krijgen een vorming in de inschakelingsprojecten.

De minister van Sociale Zaken merkt op dat het koninklijk besluit nr. 499 bepaalt dat de jongeren in dezelfde inschakelingsbedrijven worden onderworpen aan de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de gezinsbijslagregeling, met vrijstelling van de werkgeversbijdragen. Het feit dat men onderworpen is aan deze twee stelsels, brengt de toepassing met zich van twee residuaire regelingen, namelijk de arbeidsongevallen en de beroepsziekten.

Toen deze regeling werd uitgewerkt, ging de wetgever onder meer uit van de idee, dat het onderwerpen van deze personen aan bepaalde sectoren van de sociale zekerheid ook een vorm van sociale integratie betekent.

De tekst aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft tot doel de jongere in een dergelijk centrum tot een bepaald loonniveau vrij te stellen van de sociale bijdragen voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Aangezien de werknemer zelf niet bijdraagt voor de gezinsbijslagen verandert er wat dit betreft voor hem de facto niets.

De werkgever van zijn kant zou alleen nog bijdragen verschuldigd zijn voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, wat een miniem percentage van het loon vertegenwoordigt.

Uitgaande van de geest van de wet, namelijk de jongere in contact houden met het stelsel van de sociale zekerheid en hem niet volledig afhankelijk maken van afgeleide of residuaire rechten, moet de vraag kunnen worden gesteld of een dergelijke kleine bijdrage van de werkgever niet verantwoord is.

Het alternatief voor de bijdrage in het kader van de arbeidsongevallenwet zou erin bestaan dat de werkgever een privé-verzekering afsluit. Het is om te beginnen al moeilijk te controleren of deze verplichting wordt nageleefd. Daarbij komt dat een privé-verzekering zeker niet minder duur is dan de bijdrage aan het Fonds voor arbeidsongevallen, zij is minder goed omkaderd wat de controle van de arbeidsomstandigheden betreft en biedt een beperkte dekking.

Vanuit deze overwegingen ­ de jongere contact laten houden met de sociale zekerheid en de voordelen van een aansluiting bij het Fonds op een privé-verzekering ­ lijkt het toch wenselijk dat voor deze sector wordt bijgedragen.

Een lid antwoordt hierop dat het koninklijk besluit nr. 499 dateert van 1986. Sindsdien is er veel veranderd op het vlak van de sociale uitsluiting. De toestand is veel ernstiger geworden en de overheid heeft een reeks nieuwe technieken ontwikkeld om deze mensen in contact te brengen met de arbeidsmarkt. Het belangrijkste instrument dat zij hiertoe gebruikt, bestaat in verschillende vormen van vermindering of vrijstelling van sociale bijdragen. In bepaalde gevallen, zoals bijvoorbeeld de PWA's, betreft het wel degelijk een volledige vrijstelling van de bijdrageplicht, inclusief de arbeidsongevallen. Zo ongewoon is het voorliggende amendement derhalve niet.

Zij is het met de minister van Sociale Zaken eens dat deze mensen op een zeker moment aansluiting met de sociale zekerheid moeten krijgen. De drempel die hiervoor in haar amendement wordt gehanteerd, is een vergoeding van 14 448 frank per trimester of één derde van het gemiddeld gewaarborgd maandinkomen. Dit is nog steeds een zeer lage drempel. Men moet ten aanzien van deze groep, die bijzonder zwak staat op de arbeidsmarkt, geen eisen stellen die niet worden gesteld in het kader van andere werkgelegenheidsprogramma's.

Een niet onbelangrijk gegeven hierbij is de administratieve rompslomp die de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving teweegbrengt. Het betreft hier zeer kleine « bedrijfjes » die met een minimum aan omkadering moeten werken.

Een andere spreekster beaamt dat in het kader van het werkgelegenheidsbeleid de voorbije 10 jaar de sociale-zekerheidsbijdragen voor werkgevers voor de lage-looncategorieën geleidelijk worden verminderd, in die mate zelfs dat men lijkt te evolueren naar een algemene bijdragedrempel. Het ziet er naar uit dat deze evolutie zich ook doorzet op het vlak van de werknemersbijdragen. In het licht hiervan lijken ook haar de argumenten die hier worden aangehaald, niet echt overtuigend.

De minister van Sociale Zaken stipt aan dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het niet-onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en de vrijstelling van bijdrageplicht. In dit tweede geval worden er in hoofde van de werkgever en/of de werknemer geen bijdragen betaald, maar de werknemer geniet wel alle sociale-zekerheidsrechten. In het eerste geval staat de betrokkene volledig buiten de sociale zekerheid.

De vorige spreekster meent dat de twee zaken door elkaar lopen. Er is inderdaad een steeds grotere groep werknemers die niet bijdrageplichtig is, maar die toch sociale-zekerheidsrechten geniet. Hiertegenover staat echter de groep waarop dit voorstel betrekking heeft. Zij betaalt weliswaar sociale bijdragen, maar die zijn onvoldoende hoog om in bepaalde sectoren rechten te genereren.

De minister van Sociale Zaken antwoordt dat deze personen inderdaad geen rechten opbouwen voor bepaalde sectoren van de sociale zekerheid, maar dat zij in de logica van het koninklijk besluit nr. 499 wel degelijk onderworpen zijn aan bijvoorbeeld de regeling voor de gezinsbijslagen en de arbeidsongevallen. Een gedeeltelijke onderworpenheid aan de sociale zekerheid is niet abnormaal, ook voor de ambtenaren is dit bijvoorbeeld het geval. De vergelijking met de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen gaat overigens niet helemaal op omdat de PWA'ers het statuut van werkloze behouden en dus in het stelsel opgenomen zijn.

Nogmaals, het betreft hier een relatief kleine groep. Wanneer een beperkte bijdrageplicht wordt behouden, dan is dit in eerste instantie niet om financiële redenen maar om te garanderen dat deze jongeren meteen in contact komen met de sociale zekerheid, wat zeer belangrijk is vanuit het oogpunt van de sociale integratie. De bedoeling bestaat erin ze een bescherming « als werknemer » te geven, ook al is deze bescherming eerder beperkt.

Een lid vindt dat men de idee achter de inschakelingsbedrijven niet uit het oog mag verliezen. Zij richten zich tot een beperkte groep jongeren die momenteel buiten elk arbeids- of werkloosheidscircuit vallen. De zware uitdaging die zij aangaan, bestaat erin te verhinderen dat deze jongeren tot op late leeftijd bij het OCMW terechtkomen, maar dat zij in tegendeel na hun opleiding in staat zijn om een plaats op de reguliere arbeidsmarkt in te nemen.

Wat hier wordt gevraagd, is niet meer dan dat deze jongeren zowel in hoofde van de werkgever als van de werknemer worden vrijgesteld van sociale bijdragen.

Een volgende spreker kan zeker begrip opbrengen voor de argumenten die door de minister van Sociale Zaken werden aangehaald. Anderzijds meent hij dat men ook moet trachten te begrijpen hoe de mensen op het terrein tegen dit probleem aankijken. De werknemers van deze instellingen die minder dan een derde van het gewaarborgd minimumloon krijgen, betalen wel voor de ZIV maar kunnen hieruit geen rechten putten. Voor de gezinsbijslagen is er altijd een dekking, rechtstreeks als gerechtige op een vervangingsuitkering of onrechtstreeks op basis van afgeleide rechten wanneer zij ten laste zijn van een andere persoon. Voor de sector van de arbeidsongevallen hebben al deze instellingen een privé-polis.

Met dit voor ogen is het toch niet onbegrijpelijk dat de mensen op het terrein zich vragen stellen bij de regeling, door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen, die de vrijstelling beperkt tot een vergoeding van maximaal 40 frank per uur, wat ver onder de grens van een derde van het minimumloon ligt, en dan nog alleen voor de regeling van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

III. HOORZITTING MET VERTEGENWOOR- DIGERS VAN DE INSCHAKELINGSBEDRIJVEN

De voorzitster verwelkomt de heren Pierre Moreau en Walthère Davister en mevrouw Helga D'hanis.

De heer Pierre Moreau vertegenwoordigt de EFT « Le Chantier » in Marchienne-au-Pont. Deze VZW is reeds twee jaar betrokken in een gerechtelijk geding over de vraag of de jongeren die tijdens hun opleiding een lage vergoeding krijgen, hierop sociale-zekerheidsbijdragen moeten betalen.

De heer Walthère Davister vertegenwoordigt de EFT « Le Coudmain » in Seraing, een instelling met ongeveer 60 stagiairs en dertien kaderleden die, in samenwerking met de plaatselijke autoriteiten, vooral actief is op het vlak van woningrenovatie. De EFT betaalt wel sociale bijdragen, maar die zijn te beperkt om voor de betrokken werknemers rechten te openenen.

Mevrouw Helga D'hanis is directeur van de VZW werkervaringsbedrijven in Turnhout, die onder meer leer-werktrajecten en sociale-economiebedrijven omvat. De VZW heeft 90 arbeidsplaatsen in verschillende soorten opleidingen en 34 betrekkingen binnen de sociale economie. De personen die hier werken hebben verschillende statuten, waaraan evenveel verschillende bijdrage- en uitkeringsregelingen voor de sociale zekerheid verbonden zijn.

De heer Moreau merkt op dat « Le Chantier » werd opgericht in 1984 en zich richt tot een groep van jongeren die overal uit de boot zijn gevallen. Zij hebben het secundair onderwijs niet afgemaakt, bezitten dus geen enkele kwalificatie en zijn vrijwel kansloos op de reguliere arbeidsmarkt.

De instelling heeft tot doel deze groep via sociale integratie opnieuw een kans te geven op deze arbeidsmarkt. Dit gebeurt op basis van een pedagogie van herintegratie via werken. Zij voeren reële arbeidshandelingen uit in reële arbeidssituaties. In een dergelijk systeem past, mede om de jongeren te motiveren, ook een beperkte vergoeding die tussen 40 en 80 frank per uur (6 000 tot 12 000 frank per maand) bedraagt.

De VZW is er altijd van uitgegaan dat deze vergoeding dient te worden beschouwd als een uitkering in het kader van de opleiding en niet als een echt loon. Sinds 1994 neemt de RSZ evenwel het standpunt in dat, zelfs al betreft het hier louter een opleidingsvergoeding, hierop bijdragen voor de sociale zekerheid moeten worden betaald. De VZW werd voor de arbeidsrechtbank gedaagd om deze bijdragen te betalen en sindsdien is er een juridisch kat-en-muisspel aan de gang waarvan het einde niet in zicht is.

Dit geschil heeft tot gevolg dat momenteel ook voor de andere personeelscategorieën in de instelling geen aanspraak kan worden gemaakt op een vermindering of vrijstelling van sociale bijdragen, waar die normaal recht op zouden hebben. De RSZ beroept zich immers op een bepaling die stelt dat dergelijke verminderingen slechts mogelijk zijn indien de werkgever zijn bijdrageplicht nakomt, wat vanuit de optiek van de instelling vanzelfsprekend niet het geval is. Een en ander heeft tot gevolg dat de VZW geconfronteerd is met een totale vordering aan bijdragen van ongeveer 1,5 miljoen frank. Wanneer die moeten worden betaald, kan zij haar deuren sluiten.

In het voorjaar van 1998 werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetgevend initiatief genomen om deze aangelegenheid definitief te regelen door in het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 een bepaling in te schrijven die stelt dat de jongeren slechts bijdragen betalen wanneer hun jaarinkomsten het minimumbedrag dat het recht op sociale dekking opent, overschrijden.

In de tekst die na bespreking door de Kamer werd aangenomen, wordt deze regeling dermate afgezwakt dat zij nog amper een oplossing biedt voor de problemen van de betrokken instellingen. Hij hoopt dan ook dat de Senaat deze zaak zal rechttrekken en terugkeren naar de bedoeling die de indieners van het voorstel voor ogen stond, namelijk de opleidingsvergoeding vrijstellen van sociale bijdragen tot een bedrag van 14 448 frank.

Wanneer de vergoeding lager is dan dit bedrag kunnen de betrokkenen hoe dan ook geen aanspraak maken op sociale uitkeringen. In deze omstandigheden toch een bijdrageplicht opleggen, gaat volkomen in tegen de geest van het koninklijk besluit nr. 499, dat tot doel heeft een zeer moeilijk te plaatsen groep via werkervaring een kans te geven op de arbeidsmarkt.

De heer Davister verklaart dat « le Coudmain » besloten heeft de sociale bijdragen wel te betalen. Het betreft hier slechts kleine bedragen ­ in 1997 bedroeg de bijdrage voor de werknemers en de werkgevers samen 57 228 frank ­ maar ze geven wel aanleiding tot een hoop administratief werk en creëren voor de jongeren geen enkel recht op uitkeringen. Ten slotte is er het probleem van de achterstallen, die bepaalde organisaties in de sector in een onmogelijke situatie hebben gebracht.

Vandaar dat hij de vraag van zijn collega uit Marchienne-au-Pont ten volle wenst te ondersteunen. Niemand betwist dat deze jongeren, die al erg zwak staan op de arbeidsmarkt, niet moeten verzekerd zijn tegen bepaalde arbeidsrisico's of tegen ziekte, maar de huidige situatie is zonder meer absurd. De zeer kwetsbare groep, die vaak geen enkel statuut heeft, draagt wel bij tot de sociale zekerheid, maar kan hier geen rechten uit putten.

Men moet zich overigens een beeld trachten te vormen van de situatie in het veld. Bij één enkele organisatie werken meestal mensen met de meest diverse statuten (werkloze, gerechtigde op het bestaansminimum, ...) of helemaal zonder statuut. Ten aanzien van al deze groepen geldt een verschillende bijdrageregeling, met eigen minimum- en maximumdrempels, eigen dekking, enz. De jongeren zelf begrijpen al deze verschillen niet meer. Deze situatie roept andermaal de vraag op naar één algemeen statuut voor de sociale integratie.

Op de vraag van een commissielid op welke wijze de stagiairs momenteel verzekerd zijn tegen arbeidsongevallen antwoordt de heer Moreau dat zijn organisatie een privé-polis heeft gesloten die voldoende dekking biedt. In geval van blijvende arbeidsongeschiktheid bijvoorbeeld, krijgt de betrokkene een inkomen dat gelijk is aan het gemiddeld gewaarborgd maandinkomen, ook al ligt de vergoeding die hij tijdens zijn stage krijgt een stuk lager. Het spreekt voor zich dat ook de bijdragen voor deze polis niet in verhouding staan tot deze vergoeding.

De heer Davister beaamt dat het weinig zin heeft een polis te sluiten die bij blijvende arbeidsongeschiktheid een inkomen van pakweg 6 000 frank per maand zou garanderen. Vandaar dat ook zijn organisatie met verschillende verzekeringsmaatschappijen polissen onderhandelt op basis van een hypothetisch loon dat kan verschillen naar gelang van de situatie. Het gevolg van deze werkwijze is dat er verschillende soorten polissen naast elkaar bestaan : voor lichamelijke letsels, privé polissen voor vervangende uitkeringen, het Fonds voor arbeidsongevallen, ...

Hoe dan ook kunnen de instellingen zich wat dit betreft geen risico's veroorloven.

Mevrouw D'hanis verwijst wat de regeling inzake arbeidsongevallen betreft naar de situatie van de stagiairs in het technisch onderwijs (bijvoorbeeld verpleegsters) die een verzekering moeten hebben waarbij de uitkeringen op zijn minst op het niveau liggen van die in het wettelijk arbeidsongevallenstelsel.

Meer in het algemeen wenst zij ervoor te pleiten dat de commissie deze aangelegenheid vanuit een zo breed mogelijke invalshoek benadert. Hoewel uit een oppervlakkige rondvraag blijkt dat er in Vlaanderen geen bedrijven lijken te bestaan die identiek zijn aan de EFT's in het Franstalig landsgedeelte, kent men ook hier tal van statuten met elk hun eigen sociale-zekerheidsregeling en de problemen die hiermee samenhangen. Het is meer dan noodzakelijk dat het beleid de sector in zijn geheel gaat bekijken. Door de zaken uit elkaar te trekken creëert men evenveel problemen als er worden opgelost.

Daarnaast is zij van oordeel dat een beleid in deze sector niet langer mogelijk is zonder een ernstige aanpak van de werkloosheidsvallen. Het is ondoenbaar een persoon ervan te overtuigen aan het minimumloon te gaan werken, laat staan in een opleidingsstatuut te stappen waaraan een zeer beperkte vergoeding verbonden is, wanneer die een hoger inkomen heeft via, bijvoorbeeld, de combinatie van een werkloosheidsuitkering als gezinshoofd met een PWA-vergoeding.

Mevrouw D'hanis gaat vervolgens in op een aantal concrete statuten :

­ De beroepsopleiding van de RVA is toegankelijk zowel voor werklozen met een uitkering als voor andere werkzoekenden, bijvoorbeeld geschorsten. Zij die een uitkering genieten, zijn hierdoor meteen ook gedekt door de sociale zekerheid. De opleidingsvergoeding van 40 frank per uur is niet onderworpen aan RSZ-bijdragen maar wel aan de belastingen, waardoor de betrokkenen er in bepaalde gevallen netto nog ongeveer 28,8 frank van overhouden.

­ Het koninklijk besluit nr. 495 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor jongeren tussen 18 en 25 jaar. De jongeren met een werkopleidingovereenkomst, die in de praktijk een inkomen genieten van 20 000 tot 25 000 frank per maand, betalen hierop werknemersbijdragen maar er is een zeer aanzienlijke vermindering van de werkgeversbijdragen.

­ Bij de industriële leerovereenkomsten varieert het uurloon volgens de leeftijd en de sector, maar mag het in de praktijk op ongeveer 260 frank worden geraamd. Hierop worden zowel door de werkgever als door de werknemer bijdragen betaald.

­ In de erkende leerovereenkomsten middenstandsopleiding variëren de lonen voor min-achttienjarigen tussen 9 300 frank en 15 500 frank en voor plus-achttienjarigen tussen 12 400 frank en 15 500 frank. De werknemers betalen hierop geen bijdragen en de werkgeversbijdrage is beperkt tot 2 tot 4 % naar gelang van de sector.

­ Misschien is de situatie van de brugprojecten in Vlaanderen nog het meest vergelijkbaar met die van de EFT's in het Franstalig landsgedeelte. De brugprojecten zijn toegankelijk voor leerplichtige jongeren die nog niet arbeidsrijp zijn. De maximale tewerkstellingsduur van de jongere bedraagt hier veertig weken aan 20 uur per week. Hij ontvangt hiervoor een vergoeding van 9 284 frank, waarop 5,57 % werknemersbijdrage dient te worden betaald. Werkgevers die ressorteren onder de RSZ-PPO betalen geen werkgeversbijdragen en de privé-werkgevers betalen een bijdrage van 20 à 25 %. Deze laatste werkgevers krijgen hiervoor wel een hogere subsidie (16 000 frank per maand in plaats van 14 000 frank per maand) die door het Europees Sociaal Fonds wordt toegekend via het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Ook in deze sector is er lange tijd de grootste onduidelijkheid geweest over de vraag of sociale-zekerheidsbijdragen moeten worden betaald en werden de betrokken werkgevers plots met grote achterstallen geconfronteerd. Die zijn nu aangezuiverd, maar er blijven problemen. Sommige centra hebben de vergoeding van de leerlingen opgetrokken, zodat die na betaling van de RSZ nog steeds een nettobedrag van 9 284 frank overhouden. Anderen hebben dit niet gedaan, met als gevolg dat deze jongeren een lagere nettovergoeding hebben.

Een lid begrijpt niet waarom bijvoorbeeld de mensen in de middenstandsopleiding geen werknemersbijdragen moeten betalen, terwijl die in de brugprojecten wel. Het betreft hier twee vormen van werkend leren, voor groepen die inzake leeftijd vergelijkbaar zijn en waarvoor de vergoedingen in dezelfde orde van grootte liggen.

De minister van Sociale Zaken antwoordt dat de wetgever nooit een definitie heeft gegeven van het begrip « leerling » en de RSZ een brede interpretatie van dit begrip hanteert. Vandaar dat zij het artikel 1, § 1, tweede lid, 1º, a) , van de wet van 27 juni 1969 toepasselijk acht op bijvoorbeeld de EFT's en de brugprojecten. Met betrekking tot de middenstandsopleidingen bepaalt het koninklijk besluit van 28 november 1998 dat alleen werkgeversbijdragen verschuldigd zijn voor de jaarlijkse vakantie, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten en het betaald educatief verlof. Ten aanzien van de brugprojecten is er geen gelijkaardige wettelijke beperking. Momenteel wordt er echter wel een koninklijk besluit voorbereid dat in een dergelijke beperking voorziet.

De heer Moreau legt er de nadruk op dat de « entreprises de formation par le travail » geen privileges komen opeisen. Zij zouden alleen graag hebben dat een groep mensen die in dit kader werkt, op dezelfde wijze wordt behandeld als de werkzoekenden die actief zijn in een project van de FOREM, de ORBEM of de VDAB. Deze personen hebben recht op een werkloosheidsuitkering van pakweg 11 000 tot 32 000 frank en krijgen hier bovenop een opleidingsvergoeding van nog eens 6 000 frank. Zijzelf noch hun werkgevers moeten hierop sociale bijdragen betalen.

In de EFT's werkt een groep stagiairs ­ soms is dit een minderheid en soms een meerderheid ­ die helemaal geen vervangingsinkomen hebben. Het gaat hier om mensen tussen 18 en 25 jaar die volledig mislukt zijn op school en vaak nog een rekening te vereffenen hebben met dit milieu. Om deze groep te motiveren opnieuw in een opleiding te stappen, moet men ze iets kunnen aanbieden. Vanuit dit oogpunt is een bedrag van 6 000 frank per maand een absoluut minimum en de meeste van deze stagiairs krijgen dan ook een vergoeding die iets hoger ligt, maar nog altijd geen derde bedraagt van het gewaarborgd gemiddeld maandinkomen. Het is precies deze groep die met het voorstel van de Kamer van volksvertegenwoordigers uit de boot valt en dit komt hard aan.

Mevrouw D'hanis stipt aan dat het motiveren van deze mensen om in een opleiding te stappen zich ook steeds scherper stelt in de sector van de beroepsopleiding, waar men recht heeft op de reeds eerder vermelde opleidingsvergoeding van 40 frank per uur.

Zij vraagt voorts waarom de stagiairs die in de EFT's werken en geen recht hebben op werkloosheidsuitkeringen, geen aanspraak kunnen maken op het bestaansminimum.

Een lid merkt op dat voor personen die niet meer schoolplichtig zijn en geen recht hebben op werkloosheidsuitkeringen, overigens nog andere wegen dan het bestaansminimum open staan. Zij kunnen door het OCMW in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet van 8 juli 1976 in een sociaal integratieproject tewerk worden gesteld. Dit garandeert hen meteen een basisinkomen dat desgevallend kan worden aangevuld met de opleidingsvergoeding van 40 frank per uur. In de regio rond Gent is dit een vrij courante praktijk. Moet uit het feit dat dit in het Franstalige landsgedeelte niet het geval is, worden

besloten dat de OCMW's op dit terrein doen wat hun het beste zint ?

De heer Davister antwoordt hierop dat tewerkstelling op basis het artikel 60 van de OCMW-wet verloopt via een volwaardige arbeidsovereenkomst met alle voordelen inzake sociale bescherming die hieraan verbonden zijn. Het OCMW treedt op als werkgever en « leent » de werknemer uit aan de betrokken instelling. Dergelijke contracten zijn echter alleen mogelijk indien de OCMW's bereid zijn artikel 60 toe te passen en er middelen voor vrij te maken. Zij hebben wat dit betreft geen enkele verplichting. Daarnaast moet er tussen het OCMW en de EFT een overeenkomst worden gesloten over de voorwaarden waaronder de betrokkene tewerk wordt gesteld. De EFT's worden ook gesubsidieerd door andere instanties. Voor de instelling waar hij werkt is dit onder meer het Europees Sociaal Fonds, dat precies als voorwaarde voor subsidiëring stelt dat de centra geen « stagiairs » op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst nemen.

Ondanks deze moeilijkheden stelt men toch vast dat het aantal mensen die in het kader van artikel 60 werken, met de tijd toeneemt. Artikel 60 kan echter nooit een oplossing bieden voor de hele groep. Via deze techniek gaat men immers iemand enerzijds het statuut van werknemer geven, met alle rechten maar ook plichten die hieraan verbonden zijn, maar anderzijds in een opleiding plaatsen. Voor sommige stagiairs is dit haalbaar, maar anderen zijn hier niet klaar voor en komen precies daardoor in de opleidingen terecht.

Een lid wenst te vernemen hoeveel stagiairs de EFT « Le Chantier » jaarlijks tewerkstelt. Hoeveel hiervan maken de opleiding af en in welke mate komt deze groep effectief op de reguliere arbeidsmarkt terecht ? Kunnen er ook stagiairs ouder dan 25 jaar worden opgevangen ? Blijkbaar zijn er verschillen in de vergoeding die aan de stagiairs wordt betaald. Volgens welke criteria worden deze vastgesteld ?

De heer Moreau antwoordt dat in « Le Chantier » gemiddeld 100 à 110 personen werkzaam zijn. Rekening houdend met het feit dat de vormingen tussen 6 en 18 maanden duren, kan men stellen dat er op jaarbasis ongeveer 200 personen worden opgeleid. Van deze groep haakt ongeveer een derde af vóór de opleiding beëindigd is. Van de twee derde die de opleiding wel beëindigen, mag worden aangenomen dat één derde wordt geïntegreerd in de arbeidsmarkt. Wat de resultaten betreft worden de diensten overigens zeer strikt gecontroleerd door het Europees Sociaal Fonds. Onder integratie verstaat het Europees Sociaal Fonds niet alleen het vinden van een betrekking, maar ook het voortzetten van de opleiding onder een andere vorm, bijvoorbeeld via de cursussen van de FOREM. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat sommige jongeren die in het centrum toekomen, vaak geheel gedestructureerd zijn. Het is een illusie te verwachten dat zij op 18 maanden tijd volwaardige werknemers kunnen worden. De EFT zal derhalve wel kunnen werken aan de sociale integratie, maar moet de eigenlijke beroepsopleiding en de professionele integratie overlaten aan andere instanties.

De EFT waar hij werkzaam is, vangt ook personen op die ouder zijn dan 25 jaar, maar deze groep is beperkt en dit kan slechts met het in acht nemen van bijkomende voorwaarden.

De jongeren beginnen te werken aan 40 frank per uur, het bedrag van de opleidingsvergoeding. Naarmate zij vorderingen maken, wordt dit geleidelijk opgetrokken met de bedoeling 80 frank per uur te bereiken wanneer de opleiding wordt beëindigd. De opleidingen zijn modulair opgebouwd en telkens men naar een nieuwe module overstapt, kan ook de vergoeding worden aangepast. Deze vergoeding is derhalve een element van sanctie of beloning in het pedagogische systeem dat wordt toegepast.

Een lid kan begrip opbrengen voor het pleidooi van mevrouw D'hanis om deze aangelegenheid ruimer te bekijken en het debat open te trekken tot andere maar vergelijkbare situaties. Tegelijk echter wenst zij toch de nadruk te leggen op het specifieke karakter van de groep die hier beoogd wordt. Het koninklijk besluit nr. 499 heeft tot doel een groep van ongeveer 1 700 jongeren die overal mislukt zijn en geen enkel perspectief hebben, opnieuw in contact te brengen met de arbeidsmarkt. Vanuit dit oogpunt gaat de vergelijking met bijvoorbeeld de middenstandsopleidingen niet helemaal op. Deze leerlingen zijn gemotiveerd om een beroep uit te oefenen en hebben hiertoe reeds een duidelijke en zeer gerichte keuze gedaan. Hun opleiding is geen gevolg van een mislukking in het onderwijs, maar maakt hier een onderdeel van uit.

Mevrouw D'hanis merkt op dat dit misschien zo is voor de middenstandsopleidingen, maar dat bijvoorbeeld de brugprojecten zich wel degelijk tot dezelfde groep richten. Het voorliggende wetsontwerp heeft tot doel een oplossing te bieden voor een bepaalde groep en daar kan niemand tegen zijn. Men moet echter beseffen dat hiermee de problemen wat de sociale-zekerheidsregelingen in deze sector betreft, helemaal niet zijn opgelost. Dit is slechts mogelijk wanneer men de zaken in hun algemeenheid benadert.

Wat de jongeren in de EFT's betreft meent zij dat veel problemen zouden zijn opgelost indien deze naast de opleidingsvergoeding een vervangingsuitkering zouden krijgen. Wie geen ander inkomen heeft, kan normaliter toch aanspraak maken op het bestaansminimum. Dit is nog wat anders dan tewerkstelling op basis van artikel 60, dat inderdaad onder de maatschappelijke hulpverlening ressorteert en derhalve facultatief is.

Een volgende spreekster meent tijdens de vorige vergadering begrepen te hebben dat het hier een groep betreft van ongeveer 250 personen. Specifiek voor deze groep is inderdaad het feit dat zij om een of andere reden niet terecht kunnen bij het OCMW en dit fenomeen lijkt zich sterker te uiten in het Franstalig landsgedeelte dan in Vlaanderen. Waaraan is dit inderdaad te wijten ?

De minister van Tewerkstelling en Arbeid merkt op dat deze 250 personen alleen diegenen zijn die gekend zijn door de RSZ. Daarnaast zijn er anderen, zoals in « Le Chantier », die niet zijn aangegeven en dus ook niet gekend zijn. Het aantal van 1 700 dat eerder werd vermeld, lijkt dichter bij de werkelijkheid te liggen.

De heer Moreau verklaart dat indien het enigszins mogelijk is deze jongeren een minimaal statuut te geven via het bestaansminimum, dit ook gebeurt. Voor het grootste deel van de mensen die in « Le Chantier » werken, kan dit echter niet, omdat zij nog ten laste zijn van hun ouders of van hun partners wiens inkomen boven de drempel voor het toekennen van het bestaansminimum ligt. Dit zegt echter helaas niets over de reële situatie waarin de betrokkenen zich bevinden.

Mevrouw D'hanis stipt aan dat dit de situatie van vele samenwoners is, die alleen door het feit dat ze « samenwoner » zijn geen rechten kunnen doen gelden. Dit roept de vraag op naar de wenselijkheid van het toekennen van individuele rechten en toont andermaal aan dat het debat ruimer is dan het voorliggend dossier.

Een lid is het met dit laatste volkomen eens. De commissie heeft de regering overigens ongeveer een jaar geleden gevraagd de nodige gegevens te verzamelen die het mogelijk moeten maken een debat ten gronde over het toekennen van individuele rechten te voeren. Het zou echter niet verstandig zijn het voorliggend dossier van een dergelijk omvangrijk debat afhankelijk te maken. Het betreft hier een zeer specifieke en zeer moeilijke groep, die overal uit de boot is gevallen en waarvoor om diverse redenen dringend een oplossing moet worden gevonden.

Een volgende spreekster verklaart dat zelfs wanneer deze mensen nog thuis wonen, ze aanspraak kunnen maken op een vergoeding gelijk aan het bestaansminimum als samenwonende, wanneer zij bereid zijn in een tewerkstellingsproject te stappen. Deze regeling steunt niet op arbeidsovereenkomsten, maar op een contract tussen het OCMW en de VZW of het bedrijf waar de betrokkene tewerkgesteld wordt.

De minister van Tewerkstelling en Arbeid merkt op dat dergelijke regelingen inderdaad mogelijk zijn in het kader van de maatschappelijke hulpverlening, maar dat er terzake niets van de OCMW's kan worden afgedwongen.

Wat het beleid van de regering ten aanzien van de veelheid aan statuten betreft merkt zij op dat een evaluatie in de centra voor alternerend werken en leren heeft uitgewezen dat slechts een minderheid van de jongeren die langs deze weg deeltijds werken, een contract hebben zoals wettelijk is bepaald : namelijk een overeenkomst in het kader van het industrieel leerlingwezen, op basis van het koninklijk besluit nr. 495, of in het kader van een middenstandsopleiding.

De meerderheid van de tewerkgestelden heeft helemaal geen overeenkomst of een contract sui generis . Deze toestand wordt door de federale overheid getolereerd maar heeft, onder meer in de Nationale Arbeidsraad, aanleiding gegeven tot heel wat discussie.

Vanuit deze vaststelling werd recent een suppletieve regeling uitgewerkt voor de industriële leercontracten binnen het bevoegdheidsgebied van de Nationale Arbeidsraad, op interprofessioneel niveau. Deze regeling is van toepassing in de sectoren die tot nu toe niet open stonden voor deze vorm van opleidingen. Van de in totaal 100 sectoren die in aanmerking komen voor industriële leercontracten, zijn er immers maar 16 die hiervoor een regeling hebben uitgewerkt en hiervan zijn er slechts een tiental die het systeem ook effectief toepassen.

In dit nieuwe suppletieve stelsel werden ten aanzien van de vergoeding twee maatregelen genomen :

­ zij wordt geplafonneerd tot de bedragen die ook gelden voor de middenstandsopleiding, zodat de beide stelsels naar elkaar toegroeien ;

­ er komt een nieuw statuut voor de jongeren die het derde jaar beroepsonderwijs niet beëindigd hebben, met een vergoeding die lager ligt dan die van de andere industriële leerjongens.

Deze nieuwe maatregelen zullen in de komende maanden worden geëvalueerd. Indien ze naar behoren functioneren, zal strikter worden opgetreden tegenover de contracten sui generis, die men nu wel moet aanwenden wegens het ontbreken van een toereikend wettelijk kader.

Het ruime debat dat moet worden gevoerd, neemt niet weg dat op korte termijn een oplossing moet worden gevonden voor de concrete problematiek die hier voorligt, die gebonden is aan een evocatietermijn en waarover rechtsgedingen hangende zijn. Een oppervlakkige steekproef bij de betrokken centra leert dat de reglementering van de gewesten in de praktijk onvoldoende garanties biedt wat de verzekering tegen arbeidsongevallen betreft. Op de typecontracten die de organisaties moeten gebruiken, worden wel de verzekeringsmaatschappij en het nummer van de polis ingevuld, maar er worden geen normen opgelegd wat de kwaliteit van de dekking betreft. Uit het onderzoek bleek dat die meestal voldoende is, maar in een aantal gevallen kan men zich wat dit betreft op zijn minst vragen stellen.

De minister zou daarom willen voorstellen dat, zoals dat voor onder meer de PWA's geldt, deze werkgevers bij wet worden verplicht een verzekeringspolis te sluiten die op zijn minst dezelfde garanties biedt als die van de wet van 16 maart 1971. Om te verhinderen dat deze bepaling dode letter blijft, zouden de sociale inspectie en de arbeidsinspectie de bevoegdheid moeten krijgen deze verplichting te controleren.

Zij meent dat een dergelijke regeling aanvaardbaar moet kunnen zijn voor de mensen op het terrein, voor wie het inderdaad moeilijk te begrijpen is dat deze jongeren op een vergoeding van 6 000 tot 14 448 frank per maand, sociale-zekerheidsbijdragen moeten betalen zonder dat zij hieruit rechten kunnen putten.

De minister van Sociale Zaken herinnert aan de filosofie die aan de basis lag van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 : jongeren die niet geschoold zijn en die buiten elk sociaal circuit vallen, helpen om zich opnieuw sociaal te integreren en dit onder meer door ze opnieuw in contact te brengen met de sociale zekerheid. Zij kan begrip opbrengen voor de bekommernissen die hier door de mensen van de sector werden geuit. Hun voorstellen zouden echter tot gevolg hebben dat deze jongeren helemaal buiten de sociale zekerheid komen te staan. In dat geval moet men echter consequent zijn en de betrokken groep ook uit het koninklijk besluit nr. 499 halen.

Zij legt er de nadruk op dat zij reeds in 1997 het standpunt heeft ingenomen dat deze jongeren geen bijdragen moeten betalen voor de sectoren waar zij toch geen rechten uit kunnen putten. Uit een onderzoek dat de administratie in dit verband heeft gedaan, bleek dat dit het geval was voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de mate dat de vergoeding lager ligt dan viermaal het gewaarborgd minimum maandinkomen per jaar. De jongeren zouden derhalve aan deze sector kunnen worden onttrokken.

Voor de sector van de gezinsbijslagen ligt de situatie evenwel helemaal anders. Hiervoor worden geen werknemersbijdragen geheven en de werkgevers worden door het koninklijk besluit nr. 499 vrijgesteld van hun bijdrageplicht. De dekking voor deze sector kost derhalve niets maar heeft toch belangrijke voordelen. Enerzijds is het niet uitgesloten dat sommigen van deze werknemers kinderen hebben en anderzijds brengt dit stelsel de toepassing mee van drie andere regelingen, namelijk de arbeidsongevallen, de beroepsziekten en het betaald educatief verlof.

Wat men in dit verband ook mag beweren, de toepassing van de arbeidsongevallenwet biedt altijd een aantal voordelen op een privé-verzekeringspolis, al was het maar omdat in dit stelsel, bij het in gebreke blijven van de verzekeraar, het Fonds voor arbeidsongevallen zijn verplichtingen overneemt.

De minister van Sociale Zaken herhaalt dat indien men tegemoet wenst te komen aan de bekommernis achter het voorliggend amendement, dit zou moeten gebeuren buiten het koninklijk besluit nr. 499. Artikel 2, 1º, van dit besluit bepaalt overigens dat de voordelen ervan slechts kunnen worden toegekend aan de centra of verenigingen die « uitsluitend » tot doel hebben de in het 2º vermelde jongeren een opleiding te geven. Voor de meeste EFT's, blijkbaar ook voor de centra die hier vertegenwoordigd zijn, is deze voorwaarde niet vervuld aangezien zij hun actieterrein hebben verbreed en ook personen opnemen die een werkloosheidsuitkering hebben. De voorgestelde wijziging zou derhalve niet van toepassing zijn op deze EFT's, tenzij het woord « uitsluitend » wordt geschrapt.

De stagiairs in deze centra die een werkloosheidsuitkering genieten, zijn overigens wel volledig onderworpen aan de sociale zekerheid.

Een lid is het niet eens met dit standpunt. De toepassing van de regeling voor de gezinsbijslagen doet voor de jongeren die nog thuis wonen, die de meerderheid van de stagiairs uitmaken, geen enkel recht ontstaan. Voor de stagiairs met kinderen zijn er in deze sector voldoende technieken om de rechten toe te kennen in hoofde van een andere rechthebbende. Op het vlak van het betaald educatief verlof is het ondenkbaar dat er in hoofde van deze jongeren rechten zouden ontstaan, aangezien zij geen arbeidsovereenkomst hebben.

Deze aangelegenheid moet in het kader van het koninklijk besluit nr. 499 worden geregeld, gewoonweg omdat er voor deze groep geen andere juridische basis bestaat. Het betreft hier immers een groep die buiten elk ander stelsel is gevallen.

Het is correct dat in de EFT's ook mensen werken die hun vergoeding combineren met een werkloosheidsuitkering. Het is niet meer dan logisch dat deze onderworpen zijn aan de sociale zekerheid omdat zij hiertoe de draagkracht hebben en vanuit dit statuut ook rechten kunnen putten.

De heer Davister wenst nader in te gaan op de opmerking van de minister, dat de EFT's hun actieterrein verruimd hebben. Dit roept immers de vraag op hoe men het begrip « kansarme jongere » definieert. In de instelling waar hij werkt heeft één derde van de stagiairs helemaal geen sociaal statuut en één derde een werkloosheidsuitkering die minder dan 14 000 frank bedraagt. Zeventien werknemers, waarvan acht alleenstaanden, leven van het bestaansminimum. Op één werknemer na, een politiek vluchteling, heeft niemand enig diploma en twee stagiairs zijn analfabeet.

Kan men in het licht hiervan beweren dat de EFT haar werkterrein, dat gericht was op kansarmen, « verbreed » heeft ? Dit kan inderdaad wanneer men de kansarmen alleen definieert op basis van financiële en juridische criteria en niet vanuit hun culturele en familiale achtergrond of vanuit de kansen die zij hebben op de arbeidsmarkt.

Ook wat dit laatste betreft moet men overigens de werkelijkheid onder ogen durven zien. Zijn collega heeft er reeds op gewezen dat de stagiairs na hun opleiding twee mogelijke uitwegen hebben : een beroepsopleiding bij de FOREM of de arbeidsmarkt. In de beide gevallen komen zij in concurrentie met hele groepen andere kandidaten en ondanks hun opleiding in de EFT staan zij tegenover laatstgenoemden nog steeds in een erg zwakke positie.

Wanneer de EFT's hun terrein « verbreed » hebben, dan heeft dit alles te maken met het feit dat ook de doelgroep zich verbreed heeft. Wie in de sector werkzaam is, heeft het voorbije decennium bij deze groepen een enorme degradatie kunnen vaststellen. De mensen die zich aandienen, moeten vaak eerst worden geholpen op zowat alle levensterreinen voordat de eigenlijke opleiding kan worden aangevangen.

Een lid is het met deze opmerkingen volkomen eens en meent dat precies hierin de specifieke opdracht van de EFT's ligt. Het betreft hier een groep mensen waarvan de problemen niet alleen van juridische of financiële aard zijn. Zij hebben op verschillende levensterreinen het contact me de samenleving verloren en dit maakt het hun onmogelijk op eigen kracht een plaats in te nemen op de reguliere arbeidsmarkt.

Deze mensen zijn vrijwel zeker voor de samenleving verloren indien er geen hefboom is die ze uit hun situatie kan halen en voorbereiden op de stap naar de arbeidsmarkt, door in te werken op de verschillende facetten van hun persoonlijkheid. Vandaar dat de diensten voor beroepsopleiding ontoereikend zijn om ze te helpen. Het is precies in deze brugfunctie dat instellingen zoals de EFT's moeten voorzien en terecht doen zij de selectie van hun stagiairs niet op uitsluitend financiële of juridische criteria.

Mevrouw D'hanis heeft er vanzelfsprekend geen bezwaar tegen dat de moeilijkheden waarmee de EFT's geconfronteerd worden, nu worden opgelost. Zij vraagt de commissie echter er niet van uit te gaan dat hiermee de kous af is. De doelgroep wordt inderdaad met het jaar moeilijker, wat vanzelfsprekend op de stafleden die met deze mensen werken, weegt. Zij moeten daarnaast echter werken in een juridische chaos waarbij de statuten en regelingen zowat om de maand door elkaar worden gegooid. Dit is een situatie die niet kan blijven duren en alleen tot een einde kan worden gebracht via globale beleidsmaatregelen. Naast die dossier kan men andere statuten plaatsen, maar waar men met identieke problemen te kampen heeft.

Een volgende spreekster meent dat de situatie van de EFT's, waarbij op een bijzonder lage vergoeding nog eens sociale bijdragen worden afgehouden, een typisch voorbeeld is van de wijze waarop door de wetgeving werkloosheidsvallen worden gecreëerd. Dit is een algemeen debat dat hoe dan ook moet worden gevoerd. De voorliggende situatie moet echter zo vlug mogelijk een oplossing krijgen, gewoonweg omdat ze onlogisch en onrechtvaardig is. Het enige element dat in de discussie nog ontbreekt, is de vraag in welke mate er zich onder een ander statuut identieke problemen voordoen, bijvoorbeeld de brugprojecten. Indien er vergelijkingen mogelijk zijn, hoeven deze statuten niet noodzakelijk te worden gewijzigd samen met een beslissing in het voorliggend dossier, maar het lijkt toch wenselijk dat er hierop enig zicht is vooraleer tot de stemming in dit dossier wordt overgegaan.

Een lid is het ermee eens dat een algemeen debat wordt gewijd aan de verschillende statuten die momenteel naast elkaar bestaan. Men moet er echter rekening mee houden dat bij deze verschillende statuten ook verschillende omschrijvingen horen van de groep waarop ze betrekking hebben. Het koninklijk besluit nr. 499 heeft betrekking op een andere groep dan bijvoorbeeld artikel 60 van de OCMW-wet of de reglementering inzake de PWA's. Het voorliggend dossier mag niet afhankelijk worden gemaakt van een debat over al deze statuten. Wel kan worden nagegaan of er nog regelingen zijn inzake de opleiding van jongeren tussen ongeveer 18 en 25 jaar die hiervoor een vergoeding van minden dan 14 448 frank krijgen, waarop sociale bijdragen worden geheven zonder dat hier rechten tegenover staan.

IV. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

De regering dient de amendementen 2, 3, 4 en 5 in (Stuk Senaat, nr. 1-1051-3, 1998-1999) :

Art. 2

« Dit artikel vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 2. ­ In artikel 2, 1º, van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren, wordt het woord « uitsluitend » geschrapt. »

Art. 3

« Dit artikel vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 3. ­ In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden « bedoelde jongeren » vervangen door de woorden « jongeren bedoeld in artikel 3. »

Art. 4 (nieuw)

Een artikel 4 (nieuw) toevoegen, luidend als volgt :

« Art. 4. ­ Een artikel 4bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :

« Vallen niet onder toepassing van de voormelde wet van 27 juni 1969 :

­ de in dit besluit bedoelde werknemers, waarvan de maandinkomsten niet tenminste gelijk zijn aan één derde van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 29 juli 1988, zoals in voege tijdens de laatste maand van het kalenderjaar dat de berekening van de bijdragen voorafgaat;

­ evenals hun werkgevers.

De werknemers bedoeld in het eerste lid worden verzekerd tegen arbeidsongevallen. Hun werkgever sluit, bij een erkende verzekeringsmaatschappij met vaste premies of bij een erkende gemeenschappelijke verzekeringskas, een polis af die deze werknemers gelijkaardige voordelen waarborgt als deze die ten laste vallen van de verzekeraar door de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen.

In geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval overkomen in het kader van het doel bepaald in artikel 2, 1º, betaalt de verzekeringsmaatschappij per dag van ongeschiktheid, met uitsluiting van de zaterdag en de zondag, een bedrag dat overeenkomt met dit waarop de werknemer de dag vóór het ongeval recht had.

In geval van blijvende arbeidsongeschiktheid of van overlijden, betaalt de verzekeringsmaatschappij een bedrag berekend op een jaarlijks basisloon gelijk aan 13,85 maal het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen aan de werknemers die 21 jaar oud zijn en geen ancïenniteit hebben in de onderneming die hen tewerkstelt, vastgelegd bij voormelde collectieve arbeidsovereenkomst.

De sociale inspecteurs van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en van de Rijksdienst voor sociale zekerheid zijn bevoegd om controle uit te oefenen op de bepalingen van het vorig lid. »

Art. 5 (nieuw)

« Een artikel 5 (nieuw) toevoegen, luidend als volgt :

« Art. 5. ­ Deze wet heeft uitwerking op 1 januari 1987, met uitzondering van artikel 4bis, tweede tot vierde lid, van voormeld koninklijk besluit nr. 499, ingevoegd door artikel 4 van deze wet, dat in werking treedt de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. »

Verantwoording

Het koninklijk besluit nr. 499 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren voorziet in een soepeler regeling voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor de VZW's die kansarme jongeren tewerkstellen, dat wil zeggen jongeren die zich buiten het arbeidscircuit bevinden, die geen socialezekerheidsuitkeringen genieten, die uitgesloten zijn van de normale tewerkstellingskansen en die als dusdanig erkend zijn door de bevoegde overheid.

Overeenkomstig artikel 3 van bovenvermeld koninklijk besluit vallen de betrokken werkgevers en werknemers slechts onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voor wat betreft :

­ de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;

­ de kinderbijslagregeling voor werknemers.

Met toepassing van artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit genieten de betrokken werkgevers zelfs een vrijstelling van werkgeversbijdragen voor die twee socialezekerheidstakken.

Wettelijk zijn de werkgevers dus alleen werkgeversbijdragen verschuldigd voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering en voor de kinderbijslag.

In de praktijk zijn die werkgevers evenwel ­ op grond van een « attractiviteitsprincipe » dat door de RSZ wordt toegepast ­ ook werkgeversbijdragen verschuldigd voor de volgende sectoren :

­ arbeidsongevallen,

­ beroepsziekten,

­ betaald educatief verlof,

hoewel die regelingen, met uitzondering van het betaald educatief verlof, deel uitmaken van de algemene sociale-zekerheidsregeling.

Deze onderwerping, hoe partieel en hoe klein ook, stelt vele administratieve problemen voor deze VZW's (onderwerping aan de RSZ, trimestriële aangifte, volledige maandelijkse loonfiche, fiscale fiche, ...) wat betreft de betrokken werknemers die geen voldoende vergoeding ontvangen, onderworpen aan de RSZ, om een dekking van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te kunnen genieten.

Het wetsontwerp zoals aangenomen door de Kamer wil duidelijk een antwoord bieden op de vraag van de betrokken sector, maar het roept daarentegen reacties op op twee punten :

­ voor de werknemers die eenzelfde vergoeding ontvangen als die toegekend door de diensten voor beroepsopleiding, voorziet de tekst in werkelijkheid in een behoud van onderwerping aan het stelsel van kinderbijslag en als gevolg daarvan een behoud van administratieve contraintes;

­ voor de werknemers die een vergoeding ontvangen die hoger is dan voornoemde vergoeding, maar lager is dan één derde van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, is er voorzien in een betaling van bijdragen zonder dat reële rechten geopend worden, wat negatief aangevoeld wordt door de betrokken VZW's en werknemers, die kansarm zijn en buiten de sociale zekerheid vallen.

Daarom dienen wij dit amendement in teneinde beter rekening te houden met de werkelijkheid zoals die beleefd wordt door deze VZW's en door de kansarme jongeren die zij tewerkstellen.

Parallel hiermee willen wij op korte termijn de mogelijkheid onderzoeken een structureel antwoord te bieden op deze problematiek van socio-professionele inschakeling van de kansarme jongeren via een aangepast stelsel binnen het leerlingwezen. Een dergelijke harmonisering van statuten zal onderzocht worden in samenwerking met de Nationale Arbeidsraad.

Art. 2

Gezien bepaalde VZW's zich eveneens richten tot laaggeschoolde jongeren die sociale moeilijkheden ondervinden maar die ook werkloosheids- of wachtuitkeringen genieten, moet de exclusiviteit op het doelpubliek opgeheven worden.

Art. 4

Het voorgestelde amendement onttrekt bepaalde kansarme jongeren volledig van de toepassing van voornoemde wet van 27 juni 1969.

Hierdoor zullen de verenigingen die deze jongeren tewerkstellen, niet meer bijdragen in de sector arbeidsongevallen. Er moet dus voor gezorgd worden dat voor die jongeren in een passende wettelijke bescherming ten aanzien van arbeidsongevallen wordt voorzien.

De minister van Tewerkstelling en Arbeid merkt op dat deze amendementen in belangrijke mate gesteund zijn op de gedachtewisselingen die in deze commissie hebben plaatsgevonden, in het bijzonder de hoorzitting met een aantal mensen uit de sector.

In de tekst die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd overgezonden wordt de vrijstelling van ZIV-bijdragen voor deze groep jongeren beperkt tot het bedrag van de vergoeding die door de diensten voor beroepsopleiding uitgekeerd wordt aan werkzoekenden in opleiding.

Ten aanzien van jongeren die een vergoeding krijgen die hoger is dan dit bedrag, maar lager dan een derde van het gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen, blijft een bijdrageplicht voor bepaalde sectoren bestaan. Ook wanneer men deze groep, die de overgrote meerderheid van de tewerkgestelden in inschakelingsbedrijven uitmaakt, van bijdragen in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering zou vrijstellen, blijven de betrokken centra geconfronteerd met een hoop administratieve formaliteiten. De jongeren in opleiding blijven immers onderworpen aan de regeling voor gezinsbijslagen, die hun echter ook geen rechtstreeks voordeel oplevert. Zij kunnen in deze sector immers afgeleide rechten doen gelden. Bijdragen in deze sector brengt hun derhalve niets concreet aan.

Daarnaast is het een psychologisch aspect. Het is aan deze jongeren, die overal uit de boot vallen en voor wie het verre van evident is dat ze in een opleiding stappen, moeilijk uit te leggen dat zij op minieme vergoeding die wordt toegekend een bijdrage moeten betalen die echter geen enkel recht opent.

Uitgaande van deze twee overwegingen wordt in de amendementen voorgesteld, de jongeren die in een inschakelingsbedrijf werken niet langer onder te brengen in de wet van 27 juni 1969, wanneer hun maandinkomsten niet ten minste gelijk zijn aan één derde van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen.

Dit heeft wel tot gevolg dat de betrokken werknemers niet langer gedekt zijn voor arbeidsongevallen. Dit wordt opgevangen in het nieuwe artikel 4bis , tweede tot vijfde lid. Deze bepalingen zijn geïnspireerd op de regeling die nu reeds geldt voor de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen.

Zoals ook tijdens de hoorzitting duidelijk tot uiting is gekomen, bestaan er rond deze aangelegenheid ernstige juridische conflicten die de betrokken centra in zware moeilijkheden kunnen brengen. Vandaar dat het wenselijk is, de datum van inwerkingtreding die door de Kamer werd vastgesteld op 1 januari 1987, te behouden. Op deze datum is ook het koninklijk besluit nr. 499 in werking getreden.

Deze regeling geeft echter geen antwoord op een terechte bekommernis die door een vertegenwoordigster van een instelling tijdens de hoorzitting werd verwoord, namelijk dat er nog andere statuten, bijvoorbeeld de brugprojecten, bestaan waar zich dezelfde problemen voordoen. Het is dan ook de bedoeling om op zeer korte termijn tot een meer structurele en geharmoniseerde regeling te komen via de algemene weg van het leerlingwezen. Een dergelijke regeling zou tot gevolg moeten hebben dat het koninklijk besluit nr. 499 gewoonweg wordt opgeheven.

Enkele dagen geleden werd door de minister van Sociale Zaken reeds aan de Nationale Arbeidsraad gevraagd zijn standpunt in dit verband te kennen te geven. Onder meer door de adviezen die moeten worden ingewonnen vraagt een dergelijke harmonisering wel wat tijd maar zij zou toch rond moeten kunnen zijn voor het einde van deze legislatuur.

Een lid kan het volledig eens zijn met het voorgestelde amendement, waardoor inderdaad een zware administratieve last wordt ontnomen aan instellingen die reeds in zeer moeilijke omstandigheden moeten werken. Ten aanzien van de jongeren zal dit zeker een stimulans zijn om in dergelijke projecten te stappen.

De tekst respecteert overigens volkomen de geest van het initiële wetsvoorstel dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend.

Zij kan zich voorts alleen maar verheugen over het voornemen van de regering om meer eenvormigheid te brengen in de bijdrageregelingen voor de verschillende opleidingsstatuten. De disparaatheid op dit vlak alleen al, leidt tot een boel werk en administratieve moeilijkheden die kunnen worden vermeden.

Een andere spreekster kan zich hier bij aansluiten. Zij is echter van oordeel dat de besprekingen over dit ontwerp andermaal de noodzaak hebben aangetoond van een grondige reflexie over ons stelsel van sociale bescherming binnen de huidige economische evolutie. Men zal hoe dan ook moeten komen tot een algemene verlaging van de sociale bijdragen, niet alleen voor de leerlingen, maar voor alle werknemers in de lagere looncategorieën.

De stelsels van de gezinsbijdragen en de verzekering voor gezondheidszorg zijn vrijwel universeel toepasselijk, maar nog steeds gefinancierd door bijdragen op inkomsten uit arbeid. Deze discussie heeft aangetoond tot welke absurde situaties dit kan leiden. Jongeren die tijdens een opleiding een symbolische vergoeding krijgen moeten hierop bijdragen afstaan waaruit zij geen rechten kunnen putten. Deze rechten kunnen zij dan weer op indirecte wijze doen gelden langs andere wegen. Een en ander roept andermaal de vraag op of de financieringsbasis van deze stelsels niet dient te worden verruimd door ze onder te brengen in de algemene overheidsmiddelen.

V. STEMMINGEN

Artikel 2

Het amendement nr. 1 wordt door de indieners ingetrokken.

Het amendement nr. 2 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Artikel 3

Het amendement nr. 3 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

Artikel 4 (nieuw)

Het amendement nr. 4 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Artikel 5 (nieuw)

Het amendement nr. 5 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt met dezelfde eenparigheid aangenomen.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitster,
Bea CANTILLON. Lydia MAXIMUS.

Tekst overgezonden door
de Kamer van volksvertegenwoordigers
Tekst aangenomen
door de commissie
Artikel 1 Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2 Art. 2
In het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren wordt een artikel 3bis ingevoegd, luidend als volgt : In artikel 2, 1º, van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren, wordt het woord « uitsluitend » geschrapt.
« Art. 3bis . ­ Wat de regeling voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering betreft, vallen niet onder toepassing van de wet van 27 juni 1969, de in dit besluit bedoelde werknemers aan wie een vergoeding wordt toegekend.
Deze vergoeding mag het bedrag :
­ dat door de diensten voor beroepsopleiding uitgekeerd wordt aan werkzoekenden in opleiding om de kosten te dekken die onlosmakelijk verbonden zijn aan het volgen van de opleiding;
­ én dat als dusdanig door de RSZ vrijgesteld wordt voor betaling van sociale zekerheidsbijdragen; niet overschrijden. »
Art. 3 Art. 3
Artikel 2 heeft uitwerking op 1 januari 1987. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden « bedoelde jongeren » vervangen door de woorden « jongeren bedoeld in artikel 3 ».
Art. 4 (nieuw)
Een artikel 4 bis , luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :
« Art. 4 bis . ­ Vallen niet onder toepassing van de voormelde wet van 27 juni 1969 :
­ de in dit besluit bedoelde werknemers, waarvan de maandinkomsten niet tenminste gelijk zijn aan één derde van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 29 juli 1988, zoals in voege tijdens de laatste maand van het kalenderjaar dat de berekening van de bijdragen voorafgaat;
­ evenals hun werkgevers.
De werknemers bedoeld in het eerste lid worden verzekerd tegen arbeidsongevallen. Hun werkgever sluit, bij een erkende verzekeringsmaatschappij met vaste premies of bij een erkende gemeenschappelijke verzekeringskas, een polis af die deze werknemers gelijkaardige voordelen waarborgt als deze die ten laste vallen van de verzekeraar door de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen.
In geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval overkomen in het kader van het doel bepaald in artikel 2, 1º, betaalt de verzekeringsmaatschappij per dag van ongeschiktheid, met uitsluiting van de zaterdag en de zondag, een bedrag dat overeenkomt met dit waarop de werknemer de dag vóór het ongeval recht had.
In geval van blijvende arbeidsongeschiktheid of van overlijden, betaalt de verzekeringsmaatschappij een bedrag berekend op een jaarlijks basisloon gelijk aan 13,85 maal het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen aan de werknemers die 21 jaar oud zijn en geen anciënniteit hebben in de onderneming die hen tewerkstelt, vastgelegd bij voormelde collectieve arbeidsovereenkomst.
De sociale inspecteurs van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en van de rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn bevoegd om controle uit te oefenen op de bepalingen van het vorig lid. »
Art. 5 (nieuw)
Deze wet heeft uitwerking op 1 januari 1987, met uitzondering van artikel 4 bis , tweede tot vierde lid van voormeld koninklijk besluit nr. 499, ingevoegd door artikel 4 van deze wet, dat in werking treedt de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.