1-1130/2 | 1-1130/2 |
27 NOVEMBER 1998
Art. 2
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 14 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« 4º houder zijn van een door een bevoegde overheid of een daartoe door de overheid erkende instelling uitgereikt bewijs waaruit de arbeidsbereidheid, de kennis van de taal of één van de talen van het gebied waar de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en het inzicht in de democratische rechten en vrijheden blijken. »;
B) in het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, worden de woorden « die laatste voorwaarde » vervangen door de woorden « de in het eerste lid, 3º, omschreven voorwaarde »;
C) het artikel wordt aangevuld met de volgende leden :
« De Koning bepaalt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop het bewijs van de in het eerste lid, 4º, bedoelde arbeidsbereidheid wordt geleverd.
Het bewijs van de elementaire taalkennis en het inzicht in de democratische rechten en vrijheden wordt geleverd door te slagen voor een proef die wordt georganiseerd door de gemeente. De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie en de inhoud van de proef, alsook betreffende de eventuele vrijstellingen. »
Art. 3
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 15, § 2, eerste lid, van hetzelfde wetboek worden de woorden « als er redenen zijn, die zij eveneens dient te omschrijven, om te oordelen dat de integratiewil van de belanghebbende onvoldoende is » vervangen door « als het in artikel 14, eerste lid, 4º, bedoelde bewijs ontbreekt ».
Art. 4
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 16, § 2, 1º en 2º, van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993, worden tussen de woorden « samenleven, » en « door » telkens de woorden « mits het bezit van het in artikel 14, eerste lid, 4º, bedoelde bewijs, » ingevoegd ».
Art. 5
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 19, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993 worden tussen de woorden « oud zijn » en « en sedert » de woorden « , houder zijn van het in artikel 14, eerste lid, 4º, bedoelde bewijs » ingevoegd ».
Verantwoording van de amendementen nrs. 1 tot 4
Dit amendement strekt ertoe de artikelen 2 en 3 van het voorstel te schrappen daar de draagwijdte van deze bepalingen een te verregaande versoepeling inhouden.
Zo betekende de wet van 28 juni 1984 inzake de Belgische nationaliteit reeds een daadwerkelijke en noodzakelijke modernisering van de nationaliteitswetgeving. De procedureregeling werd reeds door drie grote wijzigingen, namelijk bij de wetten van 13 juni 1991, 6 augustus 1993 en 13 april 1995, versoepeld, vereenvoudigd en verbeterd. Niet vrij van enige kritiek is echter de toetsing van de integratiewil gebleven. Dit onderzoek wordt tot op heden gevoerd door het parket. De praktijk toont aan dat dit ofwel zeer oppervlakkig geschiedt, bijv. via een eenvoudige rapportering door de wijkagent, ofwel helemaal niet, wat meteen aanleiding geeft tot een « gunstig » verondersteld advies.
Bovendien kan men tot op heden vaststellen dat het begrip « integratiewil » bij gebrek aan een duidelijke wettelijke omschrijving, door de onderscheiden parketten dikwijls verschillend ingevuld wordt, wat uiteraard de rechtszekerheid niet ten goede komt.
Een niet-adequaat uitgevoerd onderzoek naar de integratiewil kan dikwijls aanleiding geven tot etnische spanningen, als achteraf blijkt dat de nieuwe Belgen niet aan de elementaire criteria voldoen om zich optimaal in onze samenleving te bewegen.
De commissie voor de naturalisaties heeft op 13 februari 1996 beslist dat het advies van het parket voortaan alleen nog op de volgende vragen betrekking moet hebben :
verblijft de verzoeker op het adres dat hij heeft meegedeeld ?
is hij in de Belgische samenleving geïntegreerd ?
heeft hij zware feiten gepleegd ?
Hieruit blijkt reeds dat de gehanteerde vragen zeer summier en ongenuanceerd zijn vermits ze meestal met een louter « ja » of « neen », « voldoende » of « onvoldoende » kunnen worden beantwoord. Er kan dan ook bezwaarlijk gesproken worden van een ernstig en geloofwaardig onderzoek naar de integratiewil.
Dit amendement strekt ertoe deze resterende lacune in de nationaliteitswetgeving aan te vullen.
Algemeen beschouwd vormen de kennis van de taal of de talen van het gebied van het hoofdverblijf, de graad van arbeidsbereidheid en het inzicht in de democratische rechten en vrijheden van België de belangrijkste voorwaarden voor een probleemloze inburgering.
De wijze van toetsing van de arbeidsbereidheid dient in een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit nader bepaald te worden.
Wellicht pleegt de minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent best overleg met zijn collega van Tewerkstelling en Arbeid. Concreet zou een bewijs van de huidige en vroegere werkgever of een eenvoudig attest, uitgereikt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), waaruit de werkwilligheid blijkt, kunnen volstaan.
Het onderzoek naar de elementaire taalkennis en het inzicht in de democratische rechten en vrijheden van België vraagt een nadere legistieke omschrijving. De gemeentelijke overheid staat het dichtst bij de burger en krijgt dan ook de opdracht om een ondervraging te organiseren, mits inachtneming van de nadere regels die in een koninklijk besluit vastgesteld worden. Desgevallend kan in een vrijstelling worden voorzien, bijvoorbeeld indien de aanvrager reeds een aantal jaren onderwijs (basis-, secundair- of hoger onderwjs) in België heeft genoten.
| Stephan GORIS. |