1-216 | 1-216 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 29 OCTOBRE 1998 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 29 OKTOBER 1998 |
De voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer D'Hooghe.
Het woord is aan de heer D'Hooghe.
De heer D'Hooghe (CVP). Mijnheer de voorzitter, op barre herfstdagen willen krachtige windstoten wel eens onverhoeds confidentiële teksten doen belanden op één of ander bureau. Zo vond ik op mijn bureau een ontwerp van koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen voor bijzondere herkenning van geïntegreerde diensten voor psychiatrische thuiszorg. Dit document werd in opdracht van de minister van Volksgezondheid door zijn kabinet uitgeschreven. Het levert een bijzonder interessante bijdrage, maar roept desalniettemin een aantal vragen op.
Ten eerste, ofschoon de problematiek van het beschut wonen in een thuiszorgsituatie nog niet aan de afdeling Programmatie en Erkenning van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen werd voorgelegd, blijkt uit de tekst dat de Ministerraad van 5 juni 1998 heeft ingestemd met het inwinnen van een advies bij de Raad van State. Dit komt mij eigenaardig voor, aangezien het advies van de Nationale Raad volgens de ziekenhuiswetgeving een strikte vormvereiste is.
Hoe verklaart de minister deze ongebruikelijke procedure ? Welke juridische waarde heeft een koninklijk besluit dat op die manier totstandkomt ?
Ten tweede, wordt de thuisverpleging tot op vandaag gefinancierd met middelen van het RIZIV. Mocht het ontwerp als koninklijk besluit gepubliceerd worden, dan zouden middelen van het departement Volksgezondheid voor de thuiszorg worden aangewend. Door welke overwegingen wordt deze wijziging ingegeven ? Vreest de minister niet zich hierdoor schuldig te maken aan de afwending van middelen ? Welke instantie wordt hierdoor bevoordeligd ?
Ten derde, functioneert de dienstverlening in de thuiszorg volgens twee basisprincipes : de centrale plaats van de huisarts in de verzorgingsequipe en de vrije keuze van een arts en een verzorgingsinstelling door de patiënt. De voorliggende tekst schuift deze principes volledig ter zijde, meer bepaald in artikel 3, 5º. De geïntegreerde dienst voor psychiatrische thuiszorg zou samenwerkingsverbanden moeten aangaan met de eerstelijnsverzorging waarbij « enkel op vraag van de geïntegreerde thuisverzorgingsequipe » de huisarts of de diensten voor thuiszorg zouden instaan voor de niet-psychiatrische aandoeningen.
Is dit niet de wereld op zijn kop ? De keuzevrijheid van de patiënt en de centrale rol van de huisarts worden hierdoor volkomen uitgehold. Bovendien is de binding met de ziekenhuisdiensten zo strak, dat alleen de kruimels, en dan nog alleen op hun vraag, aan de extramurale diensten worden overgelaten.
Hoe denkt de minister met deze werkwijze de medische overconsumptie in de ziekenhuizen weg te werken ?
Zal de toepassing van dit koninklijk besluit er niet toe leiden dat de nazorg voor eenieder die ooit in een psychiatrische instelling werd behandeld, aan deze instelling zal voorbehouden blijven, tenzij het sop de kool niet waard is ?
De voorzitter. Het woord is aan minister Colla.
De heer Colla, minister van Volksgezondheid en Pensioenen. Mijnheer de voorzitter, als u ooit op zoek bent naar een voorbeeld van een lek in de parlementaire geschiedenis, dan ligt er hier een voor het grijpen.
De idee van een geïntegreerde dienst voor psychiatrische thuiszorg is een idee, en voorlopig niets meer dan een idee, die werd geopperd tijdens de interministeriële conferentie voor Psychiatrie. Voor zo'n dienst ben ik voor 100 % gewonnen, omdat ze mensen en instellingen verplicht om samen te werken, van ziekenhuisdiensten tot en met thuisverpleging, alhoewel de thuisverpleging in de psychiatrie op het ogenblik niet bestaat.
Sinds die idee werd geopperd, werd er in de administratie een informele werkgroep opgericht, die een aantal voorstellen moet uitwerken. Die werkgroep heeft al een aantal ontwerpen van koninklijk besluit uitgewerkt. Daarvan is er nog geen enkel op mijn bureau beland en evenmin op dat van de Ministerraad. Bijgevolg is er nog geen enkele tekst in het bezit van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, laat staan van de Raad van State.
Op alle concrete vragen kan en wil ik zelfs niet antwoorden. Ik weet niet waarom iemand een van de voorstellen die worden bestudeerd, heeft laten uitlekken. Misschien om zich interessant te maken.
De voorzitter. Het woord is aan de heer D'Hooghe voor een repliek.
De heer D'Hooghe (CVP). Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord, maar dring toch aan op waakzaamheid. Bij een reconversie wordt er altijd een stuk van de vrijgekomen middelen in de sector gehouden. Deze middelen doorsluizen naar de sector van de thuiszorg zou wel eens het tegenstrijdige effect kunnen hebben dat vanuit de ziekenhuizen wordt gedicteerd wat nog thuis kan gebeuren en dat de stimuli om de thuiszorg aantrekkelijk te maken, precies wegvallen.
De voorzitter. Het woord is aan minister Colla.
De heer Colla, minister van Volksgezondheid en Pensioenen. Mijnheer de voorzitter, waakzaamheid is een eigenschap die elke minister zich eigen moet maken.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.