1-1098/1

1-1098/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

23 SEPTEMBER 1998


Wetsvoorstel houdende wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, ter beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap met andere ambten

(Ingediend door de heer Busquin c.s.)


TOELICHTING


De « Overleggroep-Langendries » (staten-generaal van de democratie), die van december 1996 tot juni 1997 aan het werk is geweest, heeft een aantal denksporen gevolgd om de kwaliteit van de democratische beleidsvoering te waarborgen en om de burger een gelijke toegang en behandeling te garanderen in zijn betrekkingen met de instellingen.

Dit voorstel is de vrucht van een politiek akkoord dat tijdens voormelde staten-generaal bereikt werd.

In dat verband heeft de werkgroep die de heer Busquin heeft voorgezeten, zich gebogen over de regels inzake de cumulatie van het parlementair mandaat met andere ambten.

De conclusies van de werkgroep, die worden gedeeld door alle politieke partijen die aan de staten-generaal hebben deelgenomen, bevestigen dat het parlementair mandaat « van essentieel belang » is. Om dat zo te houden, stellen zij een regel tot afschaffing van de cumulatie voor, die het inkomen tot een bepaald maximumbedrag beperkt.

Die regel bepaalt dat het mandaat van parlementslid kan worden gecumuleerd met ten hoogste één uitvoerend mandaat en dat de gecumuleerde vergoedingen niet hoger mogen liggen dan anderhalve maal de parlementaire vergoeding; eventueel wordt die parlementaire vergoeding « afgetopt », wat betekent dat zij wordt verminderd tot het toegestane maximumbedrag.

Dit voorstel streeft hetzelfde doel na als enerzijds het voorstel van bijzondere wet tot beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad, van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap met ander ambten (Stuk Senaat, nr. 1-984/1) en anderzijds het wetsvoorstel nr. 1-985/1, dat dezelfde regeling invoert voor het mandaat van federaal parlementslid en Europees parlementslid en die regels wil toepassen op alle vlakken van de parlementaire vertegenwoordiging.

Aangezien artikel 78 van de wet van 31 december 1983 in een bijzondere raadplegingsprocedure voorziet voor de Raad van de Duitstalige Gemeenschap is er een afzonderlijk wetsvoorstel nodig om de cumulatieregels voor die gemeenschap te wijzigen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Dit artikel vormt de weergave van de beslissing van de « Overleggroep-Langendries » (23 juni 1996), luidens welke een parlementair mandaat gecumuleerd mag worden met ten hoogste één bezoldigd uitvoerend mandaat.

Als bezoldigde uitvoerende mandaten dienen dus te worden beschouwd :

1º het mandaat van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn, ongeacht het daaraan verbonden inkomen;

2º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente;

­ voor zover dat mandaat meer bevoegdheid verleent dan het loutere lidmaatschap van de algemene vergadering of van de raad van bestuur van die instelling (ongeacht het inkomen dat voornoemd mandaat oplevert), of

­ voor zover dat mandaat een maandelijks bruto belastbaar inkomen oplevert van minstens 20 000 frank (jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen).

Artikel 3

De nieuwe regel voor de cumulatiebeperking op financieel vlak zou dus toepassing moeten krijgen op de Duitstalige Gemeenschap omdat artikel 14 van de wet van 31 december 1983 bepaalt dat artikel 31ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van overeenkomstige toepassing is op de leden van de Duitstalige Gemeenschap. De feiten wijzen evenwel uit dat een dergelijke regel van financiële beperking moeilijk toe te passen valt op deze gemeenschap omdat het bedrag van de vergoeding dat de leden van deze Raad ontvangen, heel wat lager werd vastgesteld dan de vergoeding van een lid van het federaal parlement. Dat is toe te schrijven aan de wel bijzondere opvatting omtrent het parlementair mandaat in deze Raad (commissievergaderingen en plenaire vergaderingen vinden er buiten de werkuren plaats, de parlementaire fracties kunnen maar op een geringe financiering rekenen). Gesteld dat men deze regel toepast op de leden van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap dan koppelt men de financiële beperking aan het bedrag van de parlementaire vergoeding van de Duitstalige Raad. Beter is dus rekening te houden met het bedrag van de parlementaire vergoeding van de Kamer van volksvertegenwoordigers om te voorkomen dat de leden van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap nadeel lijden aangezien die deze vergoeding niet ontvangen. Gebeurt dat niet, dan zouden de leden van deze Raad zich verplicht zien hun activiteiten buiten hun parlementair mandaat te beperken tot anderhalve maal het lagere bedrag van hun eigen vergoeding. Dat levert een vorm van discriminatie op.

Artikel 4

Dit artikel voorziet in eenzelfde regeling inzake inwerkingtreding als voor de andere assemblees, te weten vanaf de volgende zittingsperiode.

Philippe BUSQUIN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 10bis van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, ingevoegd bij de wet van 16 december 1993, wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende :

« Het mandaat van lid van de Raad van de Duitstallige Gemeenschap kan worden gecumuleerd met ten hoogste één bezoldigd uitvoerend mandaat.

Als bezoldigde uitvoerende mandaten in de zin van het vorige lid worden beschouwd :

1º het mandaat van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een Raad voor maatschappelijk welzijn, ongeacht het daaraan verbonden inkomen;

2º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat meer bevoegdheid verleent dan het loutere lidmaatschap van de algemene vergadering of van de Raad van bestuur van die instelling en ongeacht het daaraan verbonden inkomen;

3º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat een maandelijks bruto belastbaar inkomen oplevert van minstens 20 000 frank. Dat bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen ».

Art. 3

In dezelfde wet wordt een artikel 14bis ingevoegd, luidende :

« Art. 14bis. ­ Het bedrag van de vergoedingen, de wedde of het presentiegeld, ontvangen als bezoldiging voor de door het lid van de Raad voor de Duitstalige Gemeenschap naast zijn mandaat van raadslid uitgeoefende activiteiten, mag de helft van het bedrag van de aan de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers toegekende vergoeding niet overschrijden.

Voor de berekening van dat bedrag komen in aanmerking de vergoedingen, wedden of presentiegelden voortvloeiend uit de uitoefening van een openbaar mandaat, functie of ambt van politieke aard.

De som van de vergoedingen, de wedde of het presentiegeld, die het lid van de Raad heeft ontvangen met toepassing van artikel 14 of als vergoeding voor de uitoefening van de in het eerste en tweede lid vermelde activiteiten, is gelijk aan of lager dan anderhalve maal het bedrag van de vergoeding van een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Wordt dat bedrag overschreden, dan wordt de in artikel 14 vastgestelde vergoeding verminderd.

Nemen de in het eerste en tweede lid vermelde activiteiten een aanvang of een einde tijdens de duur van het parlementair mandaat, dan brengt het lid van de betrokken Raad de voorzitter van zijn assemblee daarvan op de hoogte.

Het reglement van de Raad stelt nadere regels voor de uitvoering van deze bepalingen. »

Art. 4

Deze wet treedt in werking na de eerstvolgende algehele vernieuwing van de Raden.

Philippe BUSQUIN.
Hugo VANDENBERGHE.
Frederik ERDMAN.
Michel FORET.
Magdeleine WILLAME-BOONEN.
Roger LALLEMAND.
Joëlle MILQUET.
Jean-François ISTASSE.