(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Over de afschrijving van een cliëntèle die ingebracht wordt in een vennootschap werden talrijke parlementaire vragen gesteld die worden vermeld in het antwoord op vraag nr. 137 d.d. 25 november 1996 van de heer Delcroix (bulletin van Vragen en Antwoorden , Senaat, 1996-1997, nr. 1-34, blz. 1694). Over deze materie zijn er veel betwistingen tussen de administratie en de belastingplichtigen.
Aan de oorsprong hiervan ligt het standpunt van de administratie, dat door de minister wordt vertolkt in punt 3 van het antwoord op vraag nr. 199, d.d. 9 september 1992 van volksvertegenwoordiger de Clippele (Vragen en Antwoorden , Kamer, 1992-1993, nr. 39, blz. 2927) : « Zoals gezegd zijn de afschrijvingen in principe slechts als beroepskosten aftrekbaar indien ze samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan. Aangezien het matematisch bewijs van die waardevermindering in de praktijk evenwel moeilijk of zelfs onmogelijk kan worden geleverd, mag de jaarlijkse afschrijving, in overleg met de administratie, op forfaitaire wijze worden bepaald. Indien ter zake geen akkoord wordt bereikt bepaalt de administratie die afschrijvingen op een redelijke wijze. Wat de cliëntèle betreft is de administratie van mening dat een afschrijving over een termijn van tien tot twaalf jaar als redelijk mag worden beschouwd. »
Er bestaat wat dit betreft dus een grote tegenspraak tussen het boekhoudrecht en het fiscaal recht en die duur van tien tot wtaalf jaar steunt op geen enkele juridische grondslag. Het fiscaal recht moet het boekhoudrecht volgen, behalve als het daar uitdrukkelijk van afwijkt. Volgens het boekhoudrecht (artikel 28 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976) moeten dergelijke vaste activa in hoogstens vijf jaar worden afgeschreven. In het WIB (artikel 63) wordt bepaald dat dergelijke vaste activa in minstens vijf jaar moeten worden afgeschreven. Daaruit kan logisch worden afgeleid dat een duur van vijf jaar niet overdreven is.
Bovendien betreffen de antwoorden op de verschillende parlementaire vragen de afschrijving van een cliëntèle en verwijzen ze niet naar de afschrijving van een « goodwill ».
Kan de geachte minister mij zeggen of :
hij vindt dat dezelfde termijn van toepassing moet zijn op de afschrijving van « goodwill », gelet op het feit dat « goodwill » als volgt kan worden omschreven : « Goodwill » is veeleer de meerwaarde die een bestaande handelszaak of onderneming vertoont boven de som van de haar samenstellende delen doordat deze samengebracht en aangewend zijn om een onderneming te voeren en cliëntèle aan te trekken of te behouden ». (verslag Verhaegen over de wet van 5 december 1984 tot aanpassing van het vennootschapsrecht aan de 2e en 4e EEG-richtlijnen);
die termijn van tien tot twaalf jaar hem nog altijd verantwoord lijkt, aangezien een hoge ambtenaar van zijn administratie eind 1996 tijdens een conferentie op het Instituut voor Bedrijfsrevisoren) openlijk toegeeft dat de administratie een termijn van vijf jaar moet hanteren ?