Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997


Bulletin 1-44

29 APRIL 1997

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel (Financiën)

Vraag nr. 151 van de heer Vandenbroeke d.d. 13 december 1996 (N.) :
Financiering van de gemeenschappen en de gewesten.

Op verzoek van de heer N. De Batselier, voorzitter van de commissie Financiën en Begroting bij het Vlaams Parlement werd door de centrale administratie van de BTW, Registratie en Domeinen onderzocht of de middelen, die aan het Vlaams Gewest toekomen in uitvoering van de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten van 16 januari 1989, en meer in het bijzonder deze bedoeld onder Titel III, artikel 3, 4º (het successierecht en het recht van overgang bij overlijden), tevens de nalatigheidsintresten en de boeten behelzen.

Wat betreft de nalatigheidsintresten bepaalt artikel 4, § 6, van voormelde bijzondere wet :

« Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen na overleg met de betrokken regeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsintresten en de last van de verwijlintresten op de belastingen bedoeld in artikel 3. »

Wetend dat tot op heden hieraan niets gewijzigd werd, is het zo dat geen nalatigheids- of verwijlintresten aan de gewesten doorgestort worden.

Omtrent mogelijke fiscale boetes, verschuldigd bij toepassing van het Successiewetboek, bevat de voormelde bijzondere wet geen bepaling waardoor de als dusdanig geïnde sommen aan de gewesten toegewezen worden. Anders gesteld : deze boeten zijn dus evenmin begrepen in de doorgestorte bedragen.

Gegeven deze toelichtingen zoals ze door de heer auditeur van de centrale administratie van de BTW, Registratie en Domeinen (6e dienst, 17e directie) verstrekt werden, dienen zich enkele concrete vragen aan :

1. Waarom werd, in weerwil van de uitdrukkelijke bepaling van artikel 4, § 6, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 tot op heden de toewijzing aan de gewesten van de nalatigheidsintresten niet geregeld ?

2. Waarom werd, in dezelfde zin, de toewijzing aan de gewesten van de boeten op de successierechten en het recht van overgang bij overlijden niet geregeld ?

3. Is het mogelijk om, voor de jongste twee jaren, de globale som te bepalen van nalatigheidsintresten die door inwoners uit het Vlaams Gewest ingebracht en/of ingevorderd werden ?

4. Is het mogelijk om, voor de jongste twee jaren, de globale som te bepalen van nalatigheidsintresten die door inwoners uit het Waals Gewest ingebracht en/of ingevorderd werden ?

5. Is het mogelijk om, voor de jongste twee jaren, de globale som te bepalen van nalatigheidsintresten die door inwoners uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ingebracht en/of ingevorderd werden ?

6. Is het mogelijk om, voor de jongste twee jaren, de globale som te bepalen aan fiscale boetes die door inwoners uit het Vlaams Gewest ingebracht en/of ingevorderd werden ?

7. Is het mogelijk om, voor de jongste twee jaren, de globale som te bepalen aan fiscale boetes die door inwoners uit het Waals Gewest ingebracht en/of ingevorderd werden ?

8. Is het mogelijk om, voor de jongste twee jaren, de globale som te bepalen aan fiscale boetes die door inwoners uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ingebracht en/of ingevorderd werden ?


Antwoord : 1. De niet-overheveling aan de gewesten van de nalatigheidsinteresten geïnd inzake de registratie- en successierechten spruit voort uit het feit dat het koninklijk besluit als voorzien in artikel 4, § 6, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten nog niet genomen is.

Gezien de bepalingen van de wettekst gaat het hier niet om een louter federale aangelegenheid. De tekst voorziet bij de voorbereiding van bedoeld koninklijk besluit immers uitdrukkelijk in een overleg met de gewestelijke regeringen. Bij het parlementair debat van 4 januari 1989 nopens het verslag namens de Commissie voor de herziening van de Grondwet, voor de institutionele hervormingen en voor de regeling van conflicten (Parl. Stuk, nr. 635/18, gewone zitting 1988-1989) is de minister van Financiën immers ingegaan op het amendement nr. 122 van de heer Clerfayt strekkende tot deelname van de Executieven aan de voorbereiding van bedoeld koninklijk besluit.

In datzelfde debat heeft de minister van Financiën er bij een interpellatie van de heer Daems op gewezen dat « het hele probleem van de toewijzing van de nalatigheidsinteresten en de last van de verwijlinteresten zal geregeld worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit ». Het zou daarbij gaan om een « globale regeling » en niet om bepalingen die geval per geval worden uitgevaardigd. Een aparte regeling voor de successie- en registratierechten is dus van meet af aan niet de bedoeling geweest. Het is dus wachten op een globale regeling van alle gewestelijke belastingen samen.

2. Wat de boeten betreft, is de memorie van toelichting duidelijk (Kamer van volksvertegenwoordigers, Parl. Stuk. nr. 635/1, gewone zitting 1988-1989). Inzake artikel 4, § 6, wordt immers duidelijk aangestipt dat hier enkel de toewijzing van de nalatigheids- en verwijlinteresten worden bedoeld en geenszins de boeten geheven op de onderscheiden gewestelijke belastingen. Bovendien spreekt artikel 3 van de bijzondere wet enkel over rechten. Vermits de wet steeds restrictief dient geïnterpreteerd, ligt het voor de hand dat de boeten niet bedoeld zijn.

Had de bijzondere wetgever immers wel de bedoeling gehad de opbrengst van de boeten aan de gewesten toe te kennen, dan zou hij ofwel in een regeling voorzien hebben met betrekking tot de wijze van toewijzing ervan ofwel deze regeling overgelaten hebben aan de Koning, zoals voor de nalatigheidsinteresten. Een specifieke regeling ter zake is nodig vermits de boeten nu éénmaal niet op dezelfde wijze gelocaliseerd kunnen worden als de belastingen.

Tenslotte zou het ook verkeerd zijn te stellen dat de boeten een aanhorigheid van de rechten vormen. Het gaat hier immers om « fiscale geldboeten ». Deze hebben een totaal andere rechtsaard dan de rechten. Het zijn immers « sanctiemiddelen » die de wetgever aan de invorderende overheid ter beschikking stelt om de belastingplichtigen aan te zetten tot naleving van hun fiscale verplichtingen.

Samengevat dient derhalve gesteld dat uit de huidige bepalingen van de bijzondere wet niet kan afgeleid worden dat de boeten op één of andere wijze aan de gewesten zouden toekomen. Op dat vlak is er dus geen parallel te trekken met de nalatigheidsinteresten vermits deze wel door de bijzondere wetgever bedoeld zijn. Dit is ook logisch gezien de interesten een vergoeding zijn voor de laattijdige betaling van de rechten.

3-8. Gezien het ontbreken van duidelijke, wettelijke bepalingen omtrent de toewijzing van de interesten, is het logisch dat er tot hiertoe geen specifieke uitsplitsing op boekhoudkundig vlak is doorgevoerd. De interesten worden dan ook « globaal » in de boekhouding verwerkt.

Wat de boeten betreft, mag het duidelijk zijn dat ook hier geen specifieke uitsplitsing gemaakt is gezien de toewijzing ervan aan de gewesten als dusdanig niet door de bijzondere wetgever is voorzien.