(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De directe aanzet tot deze schriftelijke vraag vonden we tijdens het doornemen van het bulletin van Vragen en Antwoorden van de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (nr. 70 van de gewone zitting 1996-1997), meer bepaald vraag nr. 371 op naam van collega J. Valkeniers die afgedrukt staat op bladzijde 9426-9427. Navraag wordt er gedaan naar het bestand aan RVT-bedden en ROB-bedden voor de drie regio's.
Uit het antwoord onthouden we dat het om respectievelijk 16 748 erkende bedden gaat voor Brussel, om 58 842 voor Vlaanderen en 45 426 voor Wallonië. Lager ligt daarentegen het aantal rechthebbenden, namelijk 12 750 (of 76 %) voor Brussel, 51 131 (of 87 %) voor Vlaanderen en 45 426 (of 78 %) voor Wallonië.
Belangrijker evenwel dan deze absolute aantallen zijn de relatieve waarden per regio. Omgerekend volgens het aantal 70-plussers in 1995 (cf . NIS) geeft dit, voor de erkende bedden, een verhouding van 1/12,7 voor Brussel, van 1/21,5 voor Vlaanderen en van 1/15,7 voor Wallonië. Toegepast op de rechthebbenden geeft dit een verhouding van 1/16,7 voor Brussel, van 1/24,7 voor Vlaanderen en van 1/20,1 voor Wallonië.
Al bij al laten zich met andere woorden tussen de regio's onderling, en dit terwijl de relativeringen beperkt zijn tot de 70-plussers, enkele markante verschillen noteren. Een maximale spreiding van 37 % laat zich aldus aanwijzen voor het relatief aantal erkenningen en van liefst 45 % voor de rechthebbenden. De kleinste dichtheid valt telkens op voor Brussel, de hoogste voor Vlaanderen. Door Wallonië wordt een middenpositie ingenomen, al is het zo dat de resultaten vrij dicht bij de Brusselse verhoudingen aanleunen.
Gegeven deze toch wel markante regionale verschillen, leggen we dienaangaande enkele concrete vragen voor :
1. Wat is de precieze reden voor de aangehaalde afwijkingen tussen het aantal erkenningen en rechthebbenden, inclusief de verschillen per regio ?
2. Hoe zijn de verschillen per regio te verklaren wat de relatieve dichtheid betreft ?
3. Is het de bedoeling om deze verschillen in relatieve dichtheid de komende jaren weg te werken ?