(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Het koninklijk besluit van 19 mei 1992, dat zijn grondslag vindt in de wet van 1 maart 1976, regelt de voorwaarden tot het zich vestigen als zelfstandig boekhouder.
Men beslist tot het oprichten van het Beroepsinstituut van Boekhouders (BIB). Kandidaat-boekhouders dienen zich in te schrijven op het tableau van de beoefenaars van het beroep. Om het beroep van zelfstandig boekhouder te kunnen uitoefenen dient men aan een aantal voorwaarden qua diploma en doorlopen stage te voldoen.
Het BIB wordt operationeel op 1 juni 1993. Er worden een aantal overgangsmaatregelen bepaald voor boekhouders die het beroep reeds uitoefenden voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit, maar die niet aan de huidige voorwaarden voldoen. De overgangsbepalingen zijn verschillend qua geldigheidsduur en voorwaarden.
Uit navraag bij het Beroepsinstituut van Boekhouders blijkt dat momenteel een 60tal personen die reeds voor 1 juni 1993 het beroep van zelfstandig boekhouder gedurende een langere periode dan voorzien in de eerste overgangsmaatregel uitoefenden, nagelaten hebben zich te laten registreren.
Het is echter schrijnend dat deze oudere boekhouders, die meestal aan de actuele diplomavereisten niet voldoen, opnieuw cursus dienen te volgen en aan de stageverplichting onderhevig zijn om te worden ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van boekhouders, ondanks hun vaak talrijke jaren van onbesproken uitoefening van hun beroep. Bovendien blijkt dat sommige van deze boekhouders enkel tengevolge van deze niet-melding heden zelfs hun beroep niet langer zouden mogen uitoefenen, zodat zij en hun familie zonder inkomsten vallen.
In dit verband werd u reeds een mondelinge vraag gesteld op 25 januari 1996. Uit het antwoord van uwentwege ik citeer : « De kaderwet van 1976 werd op 30 december 1992 aangepast. Hierdoor kunnen personen die zich buiten hun wil of wegens overmacht niet op de gemeentelijke lijsten hebben kunnen inschrijven, alsnog een aanvraag indienen bij de Raad van Erkenning. » durfde ik concluderen dat er heden nog steeds mogelijkheden waren om een aanvraag tot erkenning in te dienen.
Bij lezing van het uitvoeringsbesluit, d.d. 24 juni 1987, blijkt dat bij de Raden van Erkenning beroep kon worden ingesteld tegen een weigeringsbeslissing van de burgemeester tot inschrijving op de gemeentelijke lijsten. De wetswijziging in 1992 was bedoeld om die personen die geen aanvraag indienden ook de kans te geven een beroep in te stellen zonder dat er een weigeringsbeslissing was.
Het koninklijk besluit van 24 juni 1987 bepaalt in haar artikel 18 dat de bevoegdheden van de Raden van Erkenning ophouden te bestaan op de dag die is vastgesteld voor het verzenden van de lijsten naar de minister van Middenstand.
U zal dan ook begrijpen dat dit een bijkomende mogelijkheid was om alsnog zijn inschrijving te bekomen in de éérste overgangsperiode, maar dat deze mogelijkheid nu niet langer openstaat voor die personen die de overgangsperiode hebben laten voorbijgaan.
Bovendien merken wij op dat de wet van 1 maart 1976 slechts in deze bijkomende beroepsmogelijkheid voorzag vanaf 9 januari 1993, zijnde de publicatiedatum in het Belgisch Staatsblad van de wet van 30 december 1992 tot wijziging van de wet-Verhaegen. Deze procedure kon dus gebruikt worden voor de boekhouders, waarvan de éérste overgangsperiode reeds afliep op 2 juli 1992, zijnde één maand na publicatie van het reglementeringsbesluit van 19 mei 1992 in het Belgisch Staatsblad.
Ondertussen blijven ongeveer een zestigtal boekhouders op hun honger zitten. Ondanks jarenlange beroepservaring moeten zij nu lessen volgen en stage doorlopen. Volgens mijn bescheiden mening is dat broodroof.
Vindt de geachte minister het niet terecht dat, conform de eerste overgangsmaatregelen, de boekhouders die het beroep langer dan 3 maanden uitoefenden vóór 1 juni 1993, en tot op heden dit beroep onafgebroken bleven beoefenen, zich vooralsnog kunnen inschrijven op de lijst van de erkende boekhouders ?
Op deze wijze heeft deze maatregel een uitdovend karakter in zich, hetgeen ook de bedoeling is van zowel het beroepsinstituut als van de wetgever.
Evenwel wordt voorkomen dat een zestigtal boekhouders met een onbesproken jarenlange staat van dienst wegens niet tijdig inschrijven binnen afzienbare tijd verplicht werkloos zouden moeten worden.
Antwoord : In artikel 17 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en in de bepalingen van het koninlijk besluit van 24 juni 1987 houdende organisatie van de overgangsregeling bedoeld bij artikel 17 van deze wet, is een overgangsregeling opgenomen, waarbij de zelfstandige beoefenaars van een gereglementeerd beroep die niet in het bezit zijn van een diploma, van de verworven rechten kunnen genieten, indien zij kunnen bewijzen dat zij gedurende een bepaalde termijn waren gevestigd vóór de inwerkingtreding van het reglementeringsbesluit.
Dit is een overgangsmaatregel die een uitzondering vormt op het algemeen principe van de kaderwet, dat de beoefenaar van een dienstverlenend intellectueel beroep houder moet zijn van een diploma.
De beoordeling van deze aanvragen wordt in eerste instantie toegekend aan de burgemeester van de gemeente waar de bedrijfszetel van de aanvrager is gevestigd, en in beroep aan de raden van erkenning. Deze raden houden op te bestaan op de dag, die is vastgesteld voor de verzending van de gemeentelijsten en de lijsten van de raden van erkenning aan de minister van Middenstand.
Ik beschik derhalve niet over de bevoegdheid om deze lijsten aan te passen of te wijzigen. Zij worden ongewijzigd aan het beroepsinstituut overgemaakt, dat de personen die van de verkregen rechten hebben genoten, inschrijft op de tabel van de beoefenaars.
Bovendien werden de termijnen die inzake de overgangsregeling door vermelde wet en het uitvoeringsbesluit zijn voorgeschreven, zoals blijkt uit de voorbereidende parlementaire werkzaamheden, zo kort mogelijk gehouden om te voorkomen dat personen die niet aan de bekwaamheidsvereisten voldoen, zich intussentijd zouden vestigen. Bij de Raad van erkenning van de boekhouders kon ten laatste op 5 oktober 1992 beroep worden aangetekend.
Teneinde te voorkomen dat beroepsbeoefenaars, door omstandigheden onafhankelijk van hun wil, onterecht zouden gebroodroofd worden, zal onderzocht worden of een wijziging van de kaderwet mogelijk is met betrekking tot deze problematiek.