Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997


Bulletin 1-39

25 FEBRUARI 1997

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ≠ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Begroting

Vraag nr. 21 van mevrouw Thijs d.d. 14 februari 1997 (N.) :
3 %-norm en lidmaatschap EMU.

De Duitse CSU-topman Michael Glos beweert dat er voor BelgiŽ in de EMU vooralsnog geen plaats is. BelgiŽ kan volgens Glos, samen met landen als ItaliŽ of Spanje, omwille van de hoge schuldenlasten en de slechte financieel-economische toestanden de stabiliteit van de euro in gevaar brengen. ę De stabiliteit van de eenheidsmunt mag niet worden geofferd aan politieke doelstellingen Ľ, aldus Michael Glos. De Duitser wijst ongetwijfeld naar ons resultaat van 1996 inzake het begrotingstekort. Dat ligt, ondanks de doelstelling van 3 %, boven de 3 %, namelijk 3,4 %. In de pers antwoordde uw collega, minister van FinanciŽn Philippe Maystadt, dat Duitsland ook de 3 %-norm nog niet heeft gehaald. Dit was, vermoed ik, geen reden waarom wij onze doelstelling die kost wat kost moest worden gehaald, uiteindelijk niet hebben bereikt.

1. In de pers zegt minister Philippe Maystadt dat Michael Glos de tekst van Maastricht niet goed heeft gelezen. Daar staat, aldus de minister, dat het begrotingstekort dicht bij de 3 %-norm moet komen. Dat is voor mij een nieuw gegeven. Wat is nu het juiste criterium ten aanzien van het begrotingstekort : dichtbij 3 % of 3 % ?

2. Om welke redenen hebben wij in 1996 de 3 %-norm niet gehaald, ondanks de dwingende boodschap dat we die moesten halen ? Waarom zijn wij niet geslaagd in het fameuze examen waarover de regering het de afgelopen maanden voortdurend had ?

3. Is er in de Europese Unie enige twijfel over de financieel-economische toestand van ons land ?

4. Welke garanties kunt u bieden dat de 3 %-norm dit jaar zeker wordt bereikt ?


Antwoord : 1. Wat het overheidstekort betreft bepaalt artikel 104 C van het Verdrag van Maastricht dat aan het criterium niet is voldaan als de verhouding tussen het tekort en het BBP 3 % overschrijdt, tenzij :

≠ de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat 3 % benadert;

≠ of de overschrijding van de 3 % slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft.

Er is dus een beoordelingsmarge, maar in het geval van BelgiŽ dient eraan herinnerd te worden dat voor het criterium van de overheidsschuld waar de 60 %-grens ruimschoots overschreden is, het uiterst moeilijk zou zijn de beoordelingsmarge ook te laten spelen op basis van de vaststelling van een voldoende vermindering en in een bevredigend tempo indien het tekort niet lager dan 3 % is. Om die reden heeft de Europese Raad van de ministers van FinanciŽn en Economie tijdens de procedure bij buitensporige tekorten in 1996 voor BelgiŽ een tekort aanbevolen dat in 1997 lichtjes beneden 3 % uitkomt.

2. Voor de toetsing van de toetreding tot de eenheidsmunt zal 1997 het cruciale jaar zijn waarvan het resultaat in het begin van 1998 zal worden beoordeeld.

Het jaar 1996 had dus geen doorslaggevend belang.

In het regeerakkoord van 1995 heeft de regering van het halen van de 3 % in 1996 een prioriteit gemaakt omdat overeenkomstig artikel 109 J, 3e lid, toen de mening gold dat het onderzoek voor de overgang naar de eenheidsmunt uiterlijk op 31 december 1996 zou plaatshebben en dat het resultaat van 1996 daarom beslissend zou zijn.

Op grond van de rapporten van de Europese Commissie en het Europees Monetair Instituut en volgens de procedure bepaald in artikel 109 J, heeft de Europese Raad van Dublin in december 1996 vastgesteld dat de overgang naar de eenheidsmunt toen niet kon worden beslist bij gebrek aan een voldoende aantal landen dat de convergentiecriteria vervult. Zodoende bevestigde hij formeel de besluiten die door de Europese Raad van de ministers van Economie en FinanciŽn het jaar voordien waren getroffen.

Wat de prestatie van BelgiŽ in 1996 betreft, dient te worden onderstreept dat de vermindering van het tekort in BelgiŽ veel duidelijker was dan in de meeste andere Lid-Staten van de Europese Unie waar het niveau van het tekort gemiddeld trouwens aanzienlijk hoger lag dan bij ons. Volgens de OESO zou de netto financieringsbehoefte van de overheid in de Europese Unie slechts zijn afgenomen van -5 % van het BBP in 1995 tot -4,6 % in 1996. In onze drie belangrijkste buurlanden zou er zelfs vrijwel geen verbetering zijn aangezien deze gegevens gemiddeld uitkomen op respectievelijk -4,1 % en -4 % van het BBP : in Duitsland steeg het tekort zelfs van -3,5 tot -3,9 %.

3. Er bestaat nauwelijks twijfel over de deelname van BelgiŽ van bij de aanvang en over het vermogen van de Belgische autoriteiten om hiertoe de nodige beslissingen te nemen : de opmerkelijke ontwikkeling van de rentevoet in Belgische frank ≠ die nu op enkele basispunten na samenvalt met die geldend voor de Duitse mark, wat rekening houdende met het verschil in grootte van de markten zoveel betekent als een identieke prestatie ≠ wijst in dit verband op de positieve beoordeling van de markten. De Financial Times van 18 februari 1997 heeft hierover een vrij leerrijke analyse van J.P. Morgan gepubliceerd waaruit blijkt dat net als voor Frankrijk en Duitsland de toetreding van BelgiŽ als vaststaand wordt beschouwd.

4. Verschillende garanties voor het halen van de 3 % kunnen worden aangehaald :

≠ de vastberadenheid aan de dag gelegd door de regering en de consensus omtrent het vitale karakter van de toetreding voor BelgiŽ;

≠ de mogelijkheid voor de regering om snel in te grijpen dankzij de goedkeuring door het Parlement van de bijzondere machten op begrotingsvlak;

≠ de gehanteerde veiligheidsmarges voor de opmaak van de begroting : voorzichtige hypothesen inzake groei en rentetarieven en een doelstelling onder 3 %.