Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-6

12 DECEMBER 1995

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Volksgezondheid en Pensioenen

Vraag nr. 11 van mevrouw Cornet d'Elzius d.d. 3 november 1995 (Fr.) :
Wet van 30 maart 1994. Wijze van uitvoering van de solidariteitsafhouding ten laste van de gepensioneerden.

In het kader van het globaal plan preciseert het koninklijk besluit van 28 oktober 1994 (Belgisch Staatsblad van 29 december 1994) de wijze van uitvoering van de wet van 30 maart 1994.

Het gaat om een zogenaamde solidariteitsafhouding ten laste van de gepensioneerden, op de pensioenen en soortgelijke voordelen die het bedrag van 40 000 frank overschrijden en die vanaf 1 januari 1995 uitbetaald worden.

Steunend op het koninklijk besluit van 28 oktober 1994, past de Rijksdienst voor pensioenen de solidariteitsafhouding evenwel niet alleen toe op de Belgische en buitenlandse pensioenen die vanaf 1 januari 1995 worden uitbetaald, maar ook op een fictieve rente die overeenstemt met aanvullende pensioenkapitalen (groepsverzekering) die vr 1 januari 1995 uitbetaald werden.

Een groot aantal gepensioneerden zijn hierbij betrokken.

Laten we een van de vele voorbeelden nemen.

Er werden vervroegd kapitalen uitbetaald (waarover de gepensioneerde niet meer beschikt) in 1986 het saldo in 1990 zonder aftrek van een liberatoire belasting van 16,5 pct. en van een bijdrage van 3,5 pct. ten gunste van het RIZIV (de gemeentebelasting buiten beschouwing gelaten).

1 De Rijksdienst voor pensioenen berekent deze fictieve rente, op een absurde en volkomen irrealistische wijze, op het bruto-kapital.

2 Deze fictieve rente overschrijdt ruimschoots de rele rentes die de betrokkenen hadden kunnen verkrijgen indien ze voor een maandelijkse uitbetaling hadden gekozen.

3 Er lijkt een contradictie te bestaan tussen het koninklijk besluit van 28 oktober 1994 dat in feite retroactiviteit van de uitvoering toestaat en de tekst van de wet van 30 maart 1994.

Zowel in de Kamer als in de Senaat werden over dit onderwerp al interpellaties gehouden, maar tot op heden bleef een concreet antwoord uit.

Zou u over deze problematiek een duidelijke toelichting kunnen verstrekken ?

Hoe zal de uitvoering van de wet van 30 maart 1994 die me onrechtvaardig lijkt en tegenstrijdig met het algemeen principe dat koninklijke besluiten geen terugwerkende kracht hebben, kunnen worden rechtgezet ?


Antwoord : Aangaande de door het geachte lid gestelde vragen heb ik de eer haar de volgende antwoorden te laten kennen.

1 en 2. De gevraagde inlichtingen werden verstrekt in antwoord op de vraag nr. 4 van de heer Pierre Chevalier (bulletin van Vragen en Antwoorden , Kamer, 1995, nr. 2, blz. 179 en 180) en op de vraag nr. 165 van de heer De Roo (bulletin van Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 153 van 4 april 1995, blz. 8072 en 8073).

3. De inlichtingen werden verstrekt in antwoord op de vraag nr. 162 van de heer Maingain (bulletin van Vragen en Antwoorden , Kamer, 1994-1995, nr. 143, blz. 15294).