(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
In de Israėlische wetgeving worden de Palestijnse bewoners van Oost-Jeruzalem niet als volwaardige burgers beschouwd. Zo wordt hun recht tot reizen en hun verblijf buiten deze stad in zeer sterke mate beperkt door artikel 11 van de wet betreffende de toegang tot Israėl uit 1952 : « if a permanent resident lives outside of Israel for more than seven years, becomes a permanent resident of another country, or applies for citizenship in another country, s/he is liable to lose his/her status as a permanent resident of Israel ». Ondertussen hebben op basis van deze wet reeds duizenden Palestijnen het recht verloren om zich in Israėl, en in het bijzonder Jeruzalem, terug te vestigen. Niettegenstaande deze discriminerende maatregel was deze wet niet van toepassing in geval de persoon in kwestie elke drie jaar zijn of haar uitreisvisum vernieuwde. In 1994 heeft de minister van Binnenlandse Zaken echter een nieuwe interpretatie gegeven aan deze wet. Vanaf dat moment dienden de Palestijnen, als zij hun residentierechten wensten te behouden, aan te tonen dat de « kern van hun leven » zich in Jeruzalem bevindt. Dit kon men dan aantonen op basis van arbeids- en huurovereenkomsten, schoolregistratie, enz. Ten gevolge van deze nieuwe koers kan elke Palestijnse persoon uit Jeruzalem die buiten deze stad werkt of studeert zijn of haar recht verliezen om te leven in deze stad (zelfs al bezoekt men regelmatig de stad en zelfs wanneer men zijn uitreisvisum op tijd vernieuwd heeft). Deze maatregel is dan ook een grove schending van de rechten van de mens. Men deelt mij bovendien mede dat het aantal identiteitskaartconfiscaties tijdens de zomermaanden een hoogtepunt zal bereiken aangezien duizenden Palestijnen dan van hun werk en hun elders gevolgde studies naar Jeruzalem terug wensen te keren. Het menselijke en economische leed voor de Palestijnen is dan ook ten gevolge van deze wet onoverzichtelijk groot.
Welke maatregelen heeft de geachte minister reeds ondernomen om in zijn relaties met de Israėlische regering dergelijke provocatieve en discriminerende maatregelen aan te klagen ?
Heeft de geachte minister reeds druk uitgeoefend op de Israėlische regering om dergelijke wetten ongedaan te maken en dit in het belang van het aan de gang zijnde vredesproces ?
Welke stappen zal de geachte minister ondernemen om zijn Europese collega's ervan te overtuigen eventuele sancties te ondernemen tegen het door de Israėlische regering gevoerde demografische beleid, dat gekenmerkt wordt door racisme, deportatiedrang, enz. ?
Antwoord : Ik bevestig de inlichtingen van het geachte lid volgens dewelke het verblijfsrecht, dat aan de Palestijnen werd toegekend, voortvloeit uit de wet van 1952, waarvan de twee voornaamste bestanddelen het recht op de terugkeer (voor de Joden) en op de binnenkomst (voornamelijk voor de Palestijnen) zijn.
De intrekking, confiscatie en niet-verlenging of niet-aflevering van identiteitskaarten van Palestijnse inwoners van Jeruzalem, zijn praktijken die al in 1967 aanvingen. Tot in 1994 waren ze echter een uitzondering eerder dan de regel. De regering Rabin heeft toen het begrip « voornaamste verblijfplaats » ingevoerd.
Op 6 juni 1995 heeft het Opperste Gerechtshof in het geval van mevrouw Fathiyyeh Shikaki, verblijvend te Damascus, echtgenote van de leider van de Islamitische Djihad, Fathi Shikaki (sedertdien vermoord op Malta), beslist, dat de betrokkene, die nochtans de beschikkingen van de wet van 1952 had nageleefd (ten hoogste 7 jaar in het buitenland, met verlenging van het uitreisvisum na 3 jaar, met nog een mogelijkheid van verlenging na 3 jaar en een tweede maal voor slechts 1 jaar), haar identiteitskaart en het vaste verblijfsrecht dat eraan verbonden is, verloren had omdat zij haar « voornaamste verblijfplaats » gewijzigd had. Zodoende gaf het Opperste Gerechtshof aan dit begrip een juridische waarde.
Deze jurisprudentie werd vervolgens door de regering Rabin op meer en meer Palestijnen van Jeruzalem toegepast.
Sedert het aantreden van de regering Netanyahu, stellen wij een toename vast van het aantal gevallen van intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning op grond van het begrip van wijziging van de « voornaamste verblijfplaats ». Volgens mijn inlichtingen werden onder de regering van de arbeidspartij (1992-1996), alles bijeen, 143 gevallen vastgesteld van intrekking, niet-verlenging of niet-aflevering van identiteitskaarten van Palestijnen van Jeruzalem. Sinds het aantreden van de regering Netanyahu (mei 1996) werden reeds 197 gevallen opgetekend.
Zoals zijn partners van de Europese Unie, hecht Belgiė een heel bijzonder belang aan het statuut van Jeruzalem. Dit werd nog met klem bevestigd in de verklaring die het voorzitterschap op 1 oktober laatstleden na afloop van de raad Algemene Zaken te Luxemburg namens de Europese Unie heeft afgelegd. De Unie neemt stelling tegen elke maatregel die vooruitloopt op het resultaat van de onderhandelingen over de definitieve regeling van het Palestijnse vraagstuk, waarvan de kwestie van Jeruzalem een hoofdbrok vormt.
De zaak van de inbeslagname van identiteitskaarten moet gezien worden in het geheel van de ontstentenis van soevereiniteitsrechten van Israėl over Oost-Jeruzalem. De Unie neemt zich voor haar standpunt ter zake te handhaven, door meer bepaald aan te dringen op het bezoek door Europese staatslieden aan Orient House, officieuze zetel van de PLO te Jeruzalem.