(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 juni 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van de carričre Buitenlandse Dienst en de Kanselarijcarričre voorziet in de opheffing van het koninklijk besluit van 30 maart 1968 tot vaststelling van het kader der betrekkingen in de carričre Buitenlandse Dienst en de Kanselarijcarričre en tot verdeling van deze betrekkingen onder de ambtenaren der twee taalrollen.
Dit besluit van 30 maart 1968 bepaalt dat in elke administratieve klasse van de carričre Buitenlandse Dienst en van de Kanselarijcarričre de ene helft van de betrekkingen wordt toegewezen aan de ambtenaren van de Nederlandse taalrol en de andere helft aan de ambtenaren van de Franse taalrol.
Die bepaling wordt opgeheven en lijkt niet te zijn vervangen.
Kunt u me zeggen of de opheffing van die bepaling betekent dat men nu niet langer wettelijk verplicht is het taalevenwicht te respecteren in de personeelsformatie van de carričre Buitenlandse Dienst ?
Antwoord : Het is zo dat de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken een taalevenwicht voorschrijven in de functionele hiërarchie, met name de betrekkingen in het geheel van de in het buitenland gevestigde diensten, terwijl het koninklijk besluit van 30 maart 1968 de statutaire hiërarchie betrof, namelijk de administratieve klassen van de carričre Buitenlandse Dienst en de Kanselarijcarričre.
Aangezien het ministerie van Ambtenarenzaken oordeelde dat deze bepalingen wegens hun taalkundige aard niet thuishoorden in het nieuw besluit met betrekking tot de personeelsformatie, heeft het departement aan de bevoegde instanties een ontwerp voor een afzonderlijke reglementaire tekst voorgelegd die de principes herneemt van de taalkundige verdeling van de betrekkingen, vastgelegd door het koninklijk besluit van 30 maart 1968.