Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-23

16 JULI 1996

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 154 van de heer Foret d.d. 10 juni 1996 (Fr.) :
Stad Luik. ­ Goederen die op de openbare weg geplaatst zijn ter uitvoering van een vonnis tot uitzetting.

Op 6 januari 1996 heb ik aan de minister van Justitie, de heer De Clerck, een schriftelijke parlementaire vraag gesteld over de toepassing, door de stad Luik, van de wet van 30 december 1975, die bepaalt wat dient te geschieden met goederen die op de openbare weg geplaatst zijn ter uitvoering van een vonnis tot uitzetting (vraag nr. 98).

Er moet bescherming worden geboden aan personen die uitzettingsmaatregelen ondergaan, vooral met betrekking tot het opslaan van de inboedel. Er wordt bepaald dat de gemeente het vervoer van de inboedel naar de opslagplaats moet betalen, waar hij gedurende ten minste zes maanden moet worden bewaard. Bovendien is het verboden de openbare weg te belemmeren door deze meubelen er te plaatsen.

De minister van Justitie heeft in zijn antwoord op mijn vraag evenwel bevestigd dat de stad Luik haar verplichtingen niet is nagekomen door de goederen van de inwoners die op de straat zijn gezet niet op te slaan, en dat hij u zou vragen de gemeenten te wijzen op hun verplichtingen in deze aangelegenheden.

Hoewel de stad Luik sedertdien met het OCMW een overeenkomst heeft gesloten om de goederen van uitgezette gezinnen te mogen opslaan in een gedeelte van de loods van het OCMW, blijft deze schandelijke toestand voortbestaan : in de maand mei is de inboedel van uitgezette personen opnieuw geplunderd.

Kan de geachte minister mij een antwoord geven op de volgende vragen :

­ Acht hij het toelaatbaar dat een wet die de essentiële bescherming van de uitgezette burgers beoogt, door de stad Luik niet wordt nageleefd ?

­ Vindt hij het gepast dat de uitgezette personen het recht ontzegd wordt om hun meubelen veilig in een meubelbewaarplaats op te slaan ?

­ Denkt hij niet dat deze praktijken een bijkomende verarming van de uitgezette personen veroorzaken door de bijna systematische plundering van hun laatste bezittingen ?

­ Kan hij mij meedelen welke maatregelen hij op verzoek van minister De Clerck genomen heeft om een einde te maken aan deze beruchte misbruiken ?