Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-16

30 APRIL 1996

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel (Financiën)

Vraag nr. 60 van de heer Vandenbroeke d.d. 1 maart 1996 (N.) :
Intrestvoeten.

Het is een bekend gegeven dat er zich, over de jaren heen, tal van herschikkingen op de geld- en kapitaalmarkt aftekenen. Prognoses voorop stellen omtrent de te verwachten evolutie van de rentetoestand is in die zin dan ook vrij moeilijk; meermaals leidt het, in de kortste keren, tot vrij omvattende herzieningen van dergelijke prognoses.

Wel is het zo dat, voor de voorbije jaren en over alle mogelijke fluctuaties heen, de nominale intrestvoet (op middellange termijn) steeds tussen de 6 pct. en 8 pct. begrepen lag.

Een sterk verschillende intrestvoet wordt daarentegen gehanteerd bij eventuele terugvorderingen, gebruikelijk als ze zijn voor fiscale en juridische dossiers. Wetende dat het hierbij doorgaans om probleemgevallen gaat, laat men toch niet na om met een onbetamelijk hoge intrestvoet te werken van 0,8 pct. op maandbasis of van 9,6 pct. op jaarbasis. Het houdt zoveel in als zeggen dat wie door nalatigheid of tijdelijke kastekorten aan zijn of haar verplichtingen niet tijdig kan voldoen, voor bijna uitzichtloze moeilijkheden wordt geplaatst. Veelal doet het er voor zorgen dat kleine tekorten tot een acute vorm van maatschappelijke deprivatie en uitstoting zal leiden. Op die manier wordt immers voor een exponentieel oplopende schuldenlast gezorgd. Het aanhouden van een dergelijke hoge intrestvoet houdt immers in dat de schuldenlast op nauwelijks enkele jaren tijd verdubbelt.

Gegeven dit weinig sociaal geïnspireerd beleid, zoals het gevoerd wordt bij nalatigheid van betaling, graag deze vragen :

1. Kan de mogelijkheid niet overwogen worden om met vlottende intrestvoeten te werken, conform de geldende marktrente op het moment van de vervaldagen ?

2. Is het niet aangewezen om het bestraffingseffect, zoals het aangevoeld wordt met een intrestvoet van 9,6 pct., te milderen tot een meer redelijk niveau ?


Antwoord : 1. Op grond van artikel 414, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 brengen, bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 van hetzelfde wetboek gestelde termijnen, de verschuldigde sommen ten bate van de schatkist, voor de duur van het verwijl, een interest op die is vastgesteld op 0,8 pct. per kalendermaand.

De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen.

De tekst van de wet beantwoordt aldus de eerste vraag van het geachte lid : de Koning kan de interest aanpassen al naargelang de op de geldmarkt geldende rente (marktrente).

Aangezien er evenwel iedere dag kohieren worden uitvoerbaar verklaard, hetgeen tot gevolg heeft dat er iedere dag vervaldagen zijn, is het niet mogelijk om op iedere vervaldag een andere interestvoet te hanteren.

2. In antwoord op het voorstel van het geachte lid om « het bestraffingseffect » (interest 9,6 pct.) te milderen tot een meer redelijk niveau wordt vooreerst opgemerkt dat er geen aanzienlijk verschil bestaat tussen eensdeels de rentevoet van 0,8 pct. nalatigheidsinterest per kalendermaand, zoals die is vastgesteld in artikel 414 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en anderdeels de huidige beleningsrentevoet.

De administratie der Directe Belastingen heeft een vergelijkende studie gemaakt tussen de tarieven toepasselijk bij de meest representatieve bankinstellingen (zowel wat het tarief van de persoonlijke leningen aangaat als de kaskredieten) met deze toepasselijk in de periode van de vorige aanpassing van de rentevoet inzake nalatigheidsinteresten. Hieruit blijkt dat de fluctuatie zeer gering is. Om deze reden is een verlaging van de interestvoet van 9,6 pct. per jaar niet aangewezen.

Het blijft daarenboven noodzakelijk om bovenbedoelde interestvoet hoger te houden dan die van de beleningsrente om te voorkomen dat belastingschuldigen, omwille van een te lage interestvoet, gewild de betaling van hun belastingen zouden spreiden of uitstellen door het indienen van bezwaarschriften die achteraf ongegrond blijken te zijn.

De aandacht van het geachte lid wordt erop gevestigd dat dezelfde interestvoet (9,6 pct. per jaar) wordt gehanteerd bij terugbetaling van ten onrechte geïnde belastingen.