(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Het co-ouderschap werd bij wet geregeld op wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. Gegeven de hoge frequentie waarmee huwelijken de laatste jaren door echtscheiding worden afgebroken en ontbonden, houdt dit als vanzelf in dat co-ouderschap allesbehalve uitzonderlijk is, integendeel.
Blijkbaar negeert de fiscale wetgeving evenwel deze maatschappelijke realiteit. De werkelijkheid is immers dat de fiscus in de feiten co-ouderschap als niet-bestaande beschouwt.
Het leidt ertoe dat gescheiden ouders, die voor co-ouderschap kiezen, onder elkaar een regeling moeten zien te treffen die hen als de fiscaal meest voordelige overkomt en waarbij nadien een interne maar totaal vrijblijvende verrekening onder de partners wordt afgesproken.
Uiteraard gebeurt dit thans tegen versneld tempo. Telkens gaat het evenwel om een interne, vrijblijvende regeling onder gewezen partners waaraan bij niet-naleving geen rechtsgevolgen kunnen verbonden worden.
Een officiële regeling, na uitwerking van een beleidsinitiatief, lijkt in de gegeven omstandigheden aangewezen om effectief tot een gelijkwaardige en rechtmatige verrekening te komen bij co-ouderschap.
Vandaar deze concrete vraag : gesteld dat voor een regeling van co-ouderschap werd gekozen en dat de regeling aanwijsbaar is, wat belet dan de overheid om tot een evenwaardige fiscale verrekening van de kinderlast bij de echtgescheidenen over te gaan ?
Antwoord : De Ministerraad van 19 juni 1998 heeft een voorontwerp van wet houdende fiscale en diverse bepalingen goedgekeurd.
Eén van deze fiscale bepalingen betreft de door het geachte lid aangehaalde problematiek en wordt hierna uiteengezet.
Overeenkomstig artikel 374, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek blijven de ouders, wanneer zij niet samenleven, gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
In dergelijke omstandigheden is het dan ook slechts billijk dat de toeslagen op de belastingvrije som waarop die kinderen recht geven, onder die beide ouders worden verdeeld.
Voor de vaststelling van de toeslagen waarop deze kinderen overeenkomstig artikel 132, eerste lid, 1º tot 6º, recht geven, zal geen rekening gehouden worden met eventuele andere kinderen van het gezin.
De helft van het aldus vastgestelde bedrag van die toeslag zal :
in mindering gebracht worden van de toeslagen waarop de kinderen van het gezin waarin zij gedomicilieerd zijn recht geven;
toegekend worden aan de andere ouder.
De verdeling van deze toeslagen onder de ouders is afhankelijk van een jaarlijks te hernieuwen uitdrukkelijk en onherroepelijk verzoek van die beide ouders (bijvoorbeeld een door beiden ondertekend en bij hun aangifte te voegen verzoek).
De inwerkingtreding van deze bepaling is voorzien met ingang van het aanslagjaar 1999.