(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Het in voege treden van de koninklijke besluiten ter uitvoering van de wet van 4 augustus 1996 omtrent het welzijn van werknemers met ingang van maart 1998, heeft allerlei repercussies op onderwijsaangelegenheden in het algemeen en met name op de vormen van arbeid die in scholen of op stageplaatsen verricht worden. De wet stelt immers dat leerlingen en studenten in studierichtingen, waarvan het opleidingsprogramma in een vorm van arbeid voorziet, onder toepassing van de wet valt. Indien leerlingen en studenten onverkort met werknemers te vereenzelvigen zouden) zijn, roept dit o.m. vragen op m.b.t. het gratis ter beschikking stellen van arbeidskledij en allerlei beschermingsmiddelen door de scholen, omtrent het medisch toezicht door de arbeidsgeneeskundige dienst, enz. Als vanzelf zal dit tot overleg van de federale overheid met de gemeenschappen en omgekeerd moeten leiden. Tal van onduidelijkheden dienen zich immers aan waarvoor nadere preciseringen vereist zijn :
1. Welke leerlingen en studenten zijn concreet door de aangehaalde koninklijke besluiten en uitvoeringsbesluiten gevat ?
2. Moet de financiering van de kosten voor de vereiste preventiemaatregelen door de federale overheid of door de gemeenschappen geregeld worden ?
3. Welke regeling dient zich aan voor het medisch schooltoezicht, enerzijds, en voor de tussenkomsten van de arbeidsgeneeskunde, anderzijds ?
4. Hoe moet de regelgeving omtrent de diensten voor preventie en bescherming op het werk concreet nagekomen worden ?
5. Hoe en wanneer zal het benodigde overleg tussen de federale overheid en de Vlaamse regering dienaangaande aangevat worden ?
6. Hoe en wanneer zal de besluitvorming dienaangaande geïmplementeerd worden ?
Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden op zijn vragen te vinden.
1. Wat leerlingen en studenten betreft, bepaalt artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk dat leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht, onderworpen zijn aan de wet. De wet specifieert niet wat « een vorm van arbeid » is, maar de administratie beschouwt als arbeid elke activiteit die de leerlingen of studenten blootstelt aan risico's die vergelijkbaar zijn met deze waaraan zij in hun later beroepsleven zullen blootstaan. Dit houdt dus in dat de bepalingen van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en de uitvoeringsbesluiten van de welzijnswet van toepassing zijn op deze leerlingen en studenten.
Er kan inderdaad vastgesteld worden dat leerlingen binnen een school vaak activiteiten verrichten die dezelfde zijn als tijdens hun stage. Zo is het bijvoorbeeld in hotelscholen gebruikelijk dat de studenten maaltijden bereiden voor het restaurant van de school. Het zou niet logisch zijn leerlingen in de school anders te behandelen dan tijdens de stage. Het is alleen voor die activiteiten dat zij onderworpen zijn aan de wet.
Overigens bevinden de leerlingen en studenten zich op dezelfde arbeidsplaats als de leerkrachten en worden zij blootgesteld aan dezelfde risico's; het zou niet logisch zijn de leerkrachten te beschermen, maar de leerlingen en studenten niet.
Voor de activiteiten die geen vorm van arbeid inhouden met risico's vergelijkbaar met deze in het latere beroepsleven (b.v. theorielessen), zijn deze leerlingen uiteraard te beschouwen als de andere leerlingen die geen gelijkgestelde werknemers zijn.
2. De financieringsregeling voor de kosten van de preventiemaatregelen wordt bepaald door de federale overheid. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt dat de wijze waarop de financiële lasten ten aanzien van de leerlingen en studenten worden gedragen, zal worden geregeld bij koninklijk besluit. Die regeling zal worden vastgelegd in overleg met de organiserende instanties en de bevoegde gemeenschapsoverheden. Ik herinner er in dit verband aan dat ik op een vergadering van de parlementaire commissie (parlementair stuk 1-383/3, 1995/1996) heb verklaard dat de concrete tenuitvoerlegging van de bescherming van leerlingen en studenten zal gebeuren in overleg met de gemeenschappen.
3. Het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk heeft de oprichtingsregelen en de taken bepaald van de interne preventiedienst die iedere werkgever in zijn bedrijf moet oprichten. Wanneer een werkgever verkiest de opdrachten inzake gezondheidstoezicht niet door zijn interne dienst te laten uitvoeren, moet hij overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, een beroep doen op een externe dienst.
De verhouding tussen het medisch schooltoezicht en de interne en externe preventiediensten op het werk is niet behandeld in de besluiten die de oprichtings- en werkingsvoorwaarden bepalen.
4. Wat de interne diensten voor preventie en bescherming op het werk aangaat, moet een onderscheid gemaakt worden tussen het officieel onderwijs en het vrij onderwijs. Voor de oprichting van interne diensten in het officieel onderwijs is artikel 36, § 1, van de welzijnswet van toepassing, voor het vrij onderwijs artikel 35 van de wet. Het verschil tussen de voormelde artikelen bestaat erin dat in het officieel onderwijs het oprichten van afdelingen van de interne dienst niet verplicht is, terwijl het vrij onderwijs onderworpen is aan dezelfde bepalingen als de werkgevers in de privésector. In het vrij onderwijs is de inrichtende macht de werkgever en zij moet dus een afdeling van de interne dienst oprichten voor elke bedrijfseenheid (school of instelling) waar een comité voor preventie en bescherming op het werk moet opgericht worden.
Wat de werking van de interne dienst aangaat, is zowel voor het vrij als voor het officieel onderwijs het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst van toepassing.
Om het niveau van de eventuele aanvullende vorming van de preventieadviseurs te bepalen moet het aantal werknemers bepaald worden volgens de bepalingen van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit betreffende de interne dienst. Het aantal gewone werknemers (onderwijzend, administratief en technisch personeel) wordt bepaald volgens het eerste lid van dit artikel, het aantal gelijkgestelde werknemers (leerlingen en studenten zoals aangegeven in punt 1) volgens het derde lid van dit artikel. De twee aantallen moeten samengevoegd worden om het totaal aantal werknemers te kennen.
5 en 6. Zoals reeds vermeld in het antwoord op de vorige vragen zullen de vertegenwoordigers van de organiserende instanties en de bevoegde gemeenschapsoverheden te gepaste tijde uitgenodigd worden om de werkzaamheden dienaangaande voort te zetten en, zo nodig, de betreffende regelgeving aan te passen.