(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Tot en met de jaren tachtig van vorige eeuw was het gebruikelijk dat bij paardenprijskampen en -tentoonstellingen hier te lande drie rassen werden onderscheiden, namelijk het Vlaams, het Ardennens en het Brabants trekpaard. De meest verspreide soort, zeker naar het einde van de vorige eeuw toe, was het Brabants trekpaard.
Een precisering dienaangaande geeft onder meer de Franse auteur Loncey in zijn in 1886 uitgegeven publicatie « Les chevaux de trait ». Voor België onderscheidt hij namelijk de drie opgesomde koudbloedrassen : het Vlaamse, het Ardennense en het Brabantse. Wel is het zo dat, rond de eeuwwisseling, niet langer afstammelingen van het Vlaamse ras in België bekend waren. Enkel in de Verenigde Staten en Canada kwamen ze nog voor, daar er toen vrij massale aankopen van (Belgische) trekpaarden vanuit de Nieuwe Wereld plaatsvonden.
Onlangs, om precies te zijn sinds 1993, werden enkele specimen van het Vlaams trekpaard opnieuw vanuit Canada ingevoerd. Sindsdien en dankzij een gerichte stamboekwerking werd voor een verdere uitbouw gezorgd. Vandaag trouwens staat de VZW Het Vlaams Paard- Stamboekwerking (VPS) borg voor de verdere verspreiding.
Thans is het zo dat, bij invoer, raszuivere paarden die in een Belgisch erkend paardenstamboek worden ingeschreven en die er toegelaten zijn voor de voortplanting, worden begunstigd met een nulrecht. Door bovengenoemde VZW werd de aanvraag tot zo'n erkenning ingediend. Naar we mochten vernemen, zou deze erkenning evenwel uitblijven. Als argument wordt daarbij aangegeven dat het Vlaams trekpaard niet tot een Belgisch erkend paardenstamboek kan worden gerekend. Of anders gesteld : het wordt niet als een « levend cultureel erfgoed » beschouwd !
De geschetste vraagstelling is van die aard dat ze vooraf, op federaal gebied, moet uitgeklaard worden. Pas op dat ogenblik kunnen, desgewenst, de nodige aanzetten gegeven worden om tot een passende finalisatie te komen binnen het Vlaams Parlement.
Gegeven deze tweeslachtigheid in de benadering van de vraagstelling, verzoeken we de geachte minister om enkele concrete antwoorden :
1. Is het waar dat het Vlaams paardenras niet in zijn authenticiteit wordt herkend en erkend ? Klopt het dat daarom het nulrecht niet wordt toegepast ?
2. Een eerste en noodzakelijke stap is de erkenning van de VZW Het Vlaams Paard als officieel stamboek door het federale ministerie van Landbouw en de opname van het Vlaamse trekpaard in de inventaris van de bedreigde rassen. Wanneer mag dienaangaande een hopelijk gunstig, onderbouwd antwoord worden verwacht ?
3. Hoe komt het dat, gegeven de wetenschappelijke historiciteit van de vraagstelling, de federale erkenning van de VZW Het Vlaams Paard als officieel stamboek door het ministerie van Landbouw zo lang op zich laat wachten ?
4. Welke verdere argumenten zijn er, gegeven de toelichting, nog nodig om de opname van het Vlaamse trekpaard in de inventaris van de bedreigde rassen meteen te finaliseren ?
Antwoord : De lange voorbeschouwingen op uw schriftelijke vraag vergen enige uitleg over de geschiedenis van de trekpaarden.
Vóór de oprichting van de paardenstamboeken in België werd een andere betekenis gehecht aan het begrip : paardenras. De inlandse paarden werden toen genoemd naar hun gebruikswijze : werk- en trekpaarden (chevaux de labour et de trait), volbloeden (pur-sang) (hoofdzakelijk voor de koersen) en rij- en legerpaarden (chevaux de selle et d'armes) die ook wel halfbloeden (demi-sang) konden genoemd worden. Meerdere auteurs melden dat er in de verschillende (landbouw)streken trek- en werkpaarden voorkomen, waarvan het type sterk verbonden was met de vruchtbaarheid van de bodem. In de provincies Oost- en West-Vlaanderen werden zware paarden gefokt en gehouden omdat de bodem er zeer vruchtbaar (zwaar) was. Door al wie niet in die twee Vlaamse provincies woonde, werden deze paarden Vlaamse paarden genoemd. Alle trekpaarden werden, wat hun naamgeving of identificatie betreft, geassocieerd met de provincie en/of de landbouwstreek waar ze werden gehouden.
Reeds zeer vlug na de Belgische onafhankelijkheid werd een officiële reglementering uitgevaardigd voor de verbetering van het paardenras onder meer door de instelling van de openbare dekdienst en de toekenning van fokpremies. Opmerkelijk is dat er eerst geen enkel onderscheid werd gemaakt tussen paarden wat hun ras of gebruikstype betreft. Rond 1840 wordt in de reglementering een zwaar trekpaard vermeld (voor de verschillende provincies die geheel of gedeeltelijk tot de vruchtbare landbouwstreken behoren) en een licht trekpaard waarmee dan onder meer het Ardenner trekpaard wordt bedoeld.
Gelet op de zeer grote economische en strategische betekenis van paarden was de handel in paarden zeer sterk ontwikkeld zodat de lokale paardentypes zeer sterk vermengd werden. Tot bij de oprichting van het stamboek van het Belgisch trekpaard vonden mijn diensten geen aanwijzingen noch officiële documenten die aantonen dat de Vlaamse paarden zich als ras hebben onderscheiden van de andere trekpaarden. De verwijzing naar de rol die de Vlaamse paardenfokkers (van de Denderstreek) in de opbouw van het Belgisch trekpaard hebben gespeeld, bewijst nog niet het werkelijk bestaan van een Vlaams paardenras omdat hun paarden, bij afwezigheid van enige registratie van allerlei herkomst konden zijn.
Bij de oprichting van het stamboek van het Belgisch trekpaard werden de trekpaarden zonder enig onderscheid van ras of herkomst ingeschreven. Verklaringen over de oorsprong of afstamming werden zonder verwijzing naar enig officieel document in het stamboek overgenomen. Door een stelselmatige selectie gingen alle mogelijke typen of variaties over in één Belgisch trekpaardtype, waarvan de stamlijnen tot 1886 kunnen geretraceerd worden.
Alle ingeschreven trekpaarden kunnen aldus geretraceerd worden. Deze (stamboom)retracering stelt ons niet in staat hieruit een phenotypische vergelijking van het trekpaard anno 1997 te maken met dat van het jaar 1886. Onder invloed van de jarenlange selectie heeft het erfelijk patroon van het trekpaard een grondige wijziging ondergaan omdat de exterieur- en de gebruikseigenschappen van paarden onder druk van allerlei factoren aanzienlijk zijn gewijzigd. De kans dat het Belgisch trekpaard van 1886 genetisch kan gereconstitueerd worden is statistisch oneindig klein.
Wat geldt voor het Belgisch trekpaard, geldt evenzeer voor de buitenlandse trekpaardenrassen die uit het Belgisch trekpaard zijn ontstaan. Dit is ook het geval voor het zogenaamde Vlaamse paard, dat eigenlijk een Belgian Draft Horse (Belgian) is. Dit paard stamt af van de talrijke Belgische trekpaarden die sedert meer dan een eeuw naar de VS werden uitgevoerd.
Het is daarenboven geselecteerd volgens een Amerikaans fokdoel dat volledig verschilt van wat in ons land zowel vóór als na de oprichting van het Belgische stamboek, werd voorgehouden. Volgens de bestaande regels en afspraken onder stamboeken zijn de trekpaarden, waarvan de afstamming gecertifieerd is door het Belgian Draft Horse Corporation, van het Belgian Draft Horse-ras en dus geen Vlaamse paarden.
Gelet op wat hierboven uitvoerig wordt uiteengezet, wordt op de gestelde vragen als volgt geantwoord.
1. De uit de VS ingevoerde ingeschreven trekpaarden kunnen niet als Vlaamse paarden worden erkend omdat het paarden zijn van het Belgian Draft Horse-ras. Alle paardenrassen die in de Europese Unie niet zijn erkend, mogen bij de invoer uit derde landen niet genieten van het nultarief. The Belgian is in de Europese Unie nog niet erkend.
2. Indien een fokkersvereniging zich tot doel stelt via de klassieke stamboekwerking een trekpaard, dat afstamt van een buitenlands trekpaardenras, te verbeteren volgens de doelstellingen van het buitenlands stamboek, kan zij hiertoe een aanvraag voor erkenning indienen. Eénzelfde fokdoelstelling veronderstelt éénzelfde paardentype en ook dezelfde rasbenaming. Logischerwijze wordt ook gerefereerd naar de foktechnische en administratieve regelmentering van het moederstamboek. Een internationaal bekend en gevestigd paardenras mag niet ineens onder een andere rasbenaming erkend worden. Iedere aanvraag zal door mijn diensten in het licht van de hierboven gestelde regels welwillend onderzocht worden.
3. In het licht van de hierboven vermelde overwegingen en de geldende regels van de paardenstamboekwerking moet men vaststellen dat de aanvraag voor erkenning niet de realiteit weergeeft.
4. Aangezien het Vlaamse paard niet meer bestaat, kan het ook niet meer gered worden. Indien echter the Belgian wordt bedoeld, dan kan men stellen dat dit paard geenszins in zijn bestaan wordt bedreigd aangezien het alleen in de VS al een effectief telt dat een veelvoud is van wat men aan Belgische trekpaardvariëteiten op het Europese continent aantreft.