Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-73

ZITTING 1997-1998

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen

Vraag nr. 28 van de heer Daras d.d. 13 februari 1996 (Fr.) :
Presentiegeld voor de provinciale mandatarissen.

Een provincieraadslid (Luik) heeft mij op de hoogte gebracht van een probleem in verband met het presentiegeld voor de provincieraad en de vervangingsinkomens (werkloosheidsuitkeringen).

In tegenstelling tot de gemeenteraadsleden worden de provincieraadsleden onderworpen aan een regeling die verband houdt met het feit dat hun prestaties in de openbare vergaderingen van de provincieraad meestal overdag worden geleverd en bijgevolg onverenigbaar zijn met vervangingsinkomens.

Deze toestand brengt financiële sancties van de RVA met zich mee die betrekking hebben op de kostenvergoeding voor de vergaderingen van de provincieraad, alsook maatregelen tot definitieve uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen.

Deze toestand wekt de indruk dat de verschillende mandatarissen niet gelijk zijn wat de deelname aan het openbare leven en de politieke inzet betreft en dat een werkloze helemaal geen belang heeft bij het opnemen van verantwoordelijkheid in het kader van een plaatselijk mandaat, terwijl anderen zonder problemen mandaten en inkomsten cumuleren.

Kan de geachte minister mij zeggen of zij op de hoogte is van dergelijke problemen en welke maatregelen of procedures zullen worden aangewend om dit soort discriminatie weg te werken ?

Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te willen vinden op de gestelde vraag.

Het is juist dat de bepalingen die verenigbaarheid regelen van het genot van werkloosheidsuitkeringen met de uitoefening van een politiek mandaat niet volledig identiek zijn naargelang het uitgeoefend mandaat dit van gemeenteraadslid of dit van provincieraadslid is.

Nochtans kunnen de opgemerkte verschillen telkens verrechtvaardigd worden door billijke motieven.

Bovendien kan niet beweerd worden dat de uitoefening van een mandaat van provincieraadslid onmogelijk wordt gemaakt door het genot van werkloosheidsuitkeringen.

Vooreerst dient eraan herinnerd te worden dat artikel 49 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering inzonderheid bepaalt dat de artikelen 44 tot 48 van dit besluit niet van toepassing zijn bij de uitoefening van een politiek mandaat door een werkloze. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de werkloze zijn mandaat zelfs tijdens zijn werkloosheid kan beginnen en dat hij zijn activiteiten kan uitoefenen op gelijk welk moment van de dag en van de week. Voor de vraag die ons bezighoudt is deze bepaling van toepassing zowel op een mandaat van provincieraadslid als op dit van gemeenteraadslid.

Een eerste onderscheid doet zich voor aangaande de mogelijkheid tot cumul van de inkomsten voortkomend uit het mandaat en de werkloosheidsuitkeringen.

Het reeds aangehaalde artikel 49 vermeldt dat de werkloze die een politiek mandaat uitoefent of een mandaat van voorzitter van een OCMW werkloosheidsuitkeringen kan genieten binnen de beperkingen van artikel 130 van hetzelfde besluit. Deze beperkingen zijn evenwel niet van toepassing op de werkloze die een mandaat uitoefent bedoeld in artikel 46, § 3, van hetzelfde besluit. Het betreft de mandaten van gemeenteraadslid, van lid van een openbaar centrum van maatschappelijk welzijn, en van ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.

Voormeld artikel 130, dat dus van toepassing is op het mandaat van provincieraadslid, voorziet dat het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van het mandaat ­ dat bekomen wordt door het jaarbedrag te delen door 312 ­ dat 30 % van het maximum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werkloze met gezinslast, actueel 402,6 frank overschrijdt. Dit betekent dus dat de inkomsten voortvloeiend uit het mandaat van provincieraadslid volledig cumuleerbaar zijn met werkloosheidsuitkeringen voor zover ze momenteel 125 611 frank per jaar (402,6 × 312) niet overschrijden. Wanneer de inkomsten dit bedrag overschrijden, worden de werkloosheidsuitkeringen verminderd zonder dat zij evenwel minder mogen bedragen dan 5 frank per dag. Dit laat de werkloze die een politiek mandaat uitoefent toe zijn rechten te behouden in bepaalde andere sectoren van de sociale zekerheid zoals de verzekering voor geneeskundige verzorging of de gezinsbijslagen.

Voormeld artikel 130 is dus effectief niet van toepassing op het mandaat van gemeenteraadslid. In toepassing van artikel 46, § 3, van voormeld koninklijk besluit zijn de inkomsten van dergelijk mandaat ongeacht het bedrag volledig cumuleerbaar met werkloosheidsuitkeringen. Deze regel heeft een rechtvaardiging. Gelet op het gemiddeld bedrag van de zitpenningen toegekend aan gemeenteraadsleden en het gemiddeld aantal gemeenteraadszittingen per jaar, lijkt het bijna onmogelijk dat het jaarbedrag van deze zitpenningen toegekend aan een gemeenteraadslid het bedrag zou kunnen bereiken vanaf hetwelk er geen volledige cumul meer bestaat tussen inkomsten voortvloeiend uit een politiek mandaat en werkloosheidsuitkeringen.

Een tweede onderscheid bestaat er aangaande de verplichting van het al dan niet verklaren van de uitoefening van het mandaat op het ogenblik van het begin ervan of op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag.

Daar de uitoefening van het mandaat van provincieraadslid van aard is het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen te beïnvloeden, is de werkloze verplicht dergelijke activiteit aan te geven. Indien hij het niet doet of laattijdig doet, verliest hij niet het recht om de inkomsten uit deze activiteit geheel of gedeeltelijk te cumuleren met werkloosheidsuitkeringen, maar wordt hem in toepassing van artikel 153 van voormeld koninklijk besluit een tijdelijke schorsing van het recht op werkloosheidsuitkeringen opgelegd van 1 tot 13 weken.

De uitoefening van een mandaat van gemeenteraadslid moet niet aangegeven worden daar het niet van aard is het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen te wijzigen.

Dit onderscheid vloeit logisch voort uit het voorgaande.

Een laatste onderscheid bestaat er aangaande de verplichting om zich aan de werklozencontrole te onderwerpen.

Het werkloze gemeenteraadslid geniet van een vrijstelling van controle voor de dagen waarop hij zich er niet kan aanmelden omdat hij zijn mandaat uitoefent. Hij dient dan aan zijn stempelkaart een bewijsstuk van deze gebeurtenis te hechten en zich de eerste werkdag die volgt aan te bieden op de controle.

Het werkloze provincieraadslid geniet niet automatisch van een vrijstelling van controle, maar hij dient een vrijstelling te vragen bij de bevoegde werkloosheidsdirecteur.

Er dient echter opgemerkt te worden dat dit in de praktijk weinig problemen stelt, gelet op de controle die tweemaal per maand uitgeoefend wordt.