(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De VU heeft samen met vele anderen steeds gesteld dat de werkgelegenheidsproblematiek een multidimensionele aanpak vereist. Degenen die stellen dat enkel een loonkostenverlaging noodzakelijk is, hebben het naar onze mening bij het verkeerde eind. Ook de anderen die alle heil verwachten van arbeidsherverdeling zitten mis. In de recente ondertekening van het verdrag van Leuven hebben wij die ideale mix van tewerkstellingsbevorderende maatregelen herkend. Ook u, als bevoegde minister, heeft dit verdrag van Leuven onlangs ondertekend.
Dat neemt echter niet weg dat voor bepaalde arbeidsintensieve sectoren, waar zeer veel laaggeschoolden werkzaam zijn, de loonkosten verstikkend zijn. We denken in eerste instantie aan de kledingindustrie. De hoge loonkosten vormen in deze sector een acuut en nijpend probleem.
Een mogelijke oplossing hiervoor zou een selectieve loonkostenverlaging zijn voor de lage loondecielen, of voor de laaggeschoolden (in de mate dat die te definiëren zijn). Daarbij moeten de werkgeversbijdragen voor die categoriën drastisch verlaagd worden; aan het nettoloon mag niet worden geraakt.
De vragen die ik hieromtrent aan de geachte minister wil richten, zijn de volgende :
1. Zijn er concrete plannen om op de gestelde manier de loonkosten te verlagen in de nabije toekomst ?
2. Geeft de begroting 1998 haar daartoe de nodige budgettaire ruimte ? In de voorgaande jaren was het immers steeds de Maastricht-norm die dit onmogelijk maakte. Na de realisering van die (3 %)-norm, komt er terug ruimte vrij. Zal deze worden gebruikt voor de genoemde selectieve loonlastverlaging ?
3. Zijn er andere steunmaatregelen gepland voor de kledingindustrie ?
Antwoord : Het werkgelegenheidsbeleid van de regering steunt op vier pijlers die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, met name arbeidskostverlaging, arbeidsherverdeling en -versoepeling, doelgroepenbeleid en nieuwe behoeften. Met de huidige economische vooruitzichten op middellange termijn is het mogelijk om met eerbiediging van het Europees convergentieplan in 1998 een bijkomende verlaging van de patronale lasten toe te passen. Bovenop de 9 miljard frank voor Maribel, waarvan 2,6 miljard frank voor de sociale Maribel, is vanaf 1 juli 1998 een bijkomende lastenverlaging voorzien van 12 miljard frank op jaarbasis.
De regering komt zo voor 1998 haar engagement na om ieder jaar van 1998 tot 2000 een bijkomende vermindering van de sociale lasten toe te kennen om uiteindelijk tegen 2000 een lastenvermindering van 100 miljard frank te realiseren. Dit engagement zal in overleg met de sociale partners worden geconcretiseerd.
We stellen thans een loonkostenverschil vast in vergelijking met onze drie buren van ongeveer 3 % enkel door het niveau van de patronale sociale zekerheidsbijdragen. Dit stemt overeen met ongeveer 100 miljard frank. Door de voormelde inspanning wordt de impact van de patronale bijdragen op de loonkost op het niveau van onze buren gebracht.
Specifieke steunmaatregelen voor bepaalde sectoren, zoals de kledingsindustrie zijn onmogelijk, omwille van de strikte Europese regels terzake.
De arbeidsintensieve kledingsector wordt gekenmerkt door een werknemerspopulatie waarvan lage loontrekkers en arbeiders een belangrijk deel uitmaken.
De sector kan dan ook gebruik maken van de bestaande werkgelegenheidsmaatregelen die zich specifiek op deze categorieën van werknemers richten, met name het nieuwe Maribelstelsel en de lage loonmaatregel. De in deze maatregelen voorziene vermindering van de bijdragen voor de sociale zekerheid drukken de loonkost, zonder aan de nettolonen te raken, zoals door het geachte lid wordt gevraagd.
Het is de ambitie van de regering om het stelsel van de bijdrageverminderingen te vereenvoudigen. Er is trouwens een werkgroep opgericht die rekening houdend met bemerkingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over de praktische toepassingsmoeilijkheden en met suggesties van administraties en kabinetten mogelijkheden voor vereenvoudiging onderzoekt.