(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Grasduinend, over de verlofperiode heen, waren we onder meer in de gelegenheid om het wetsontwerp door te lezen « tot instelling van een programma voor de terbeschikkingstelling van wetenschappelijke onderzoekers ten bate van de universitaire onderwijsinstellingen en de federale wetenschappelijke instellingen », neergelegd in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 30 april 1997.
Dit wetsontwerp kwam, via evocatieprocedure, in behandeling in de Senaat op 16 juli 1997. Uit het verslag, uitgebracht door collega mevrouw Van der Wildt, onthouden we onder meer dat voor 1997 en 1998 achtereenvolgens 100 en 200 wetenschappers zouden aangeworven worden ter aanvulling van de reeds bestaande onderzoeksteams, dit alles conform de regeerverklaring van 1995.
Gelijktijdig wordt verder gesteld (blz. 9 van het verslag van 16 juli 1997) dat, naast de middelen die de federale overheid vrijmaakt voor het in dienst nemen van onderzoekers ter aanvulling van reeds bestaande onderzoeksteams ook nog een hele reeks fiscale stimuli van kracht zijn om onderzoekers te laten aannemen door ondernemingen. Zo zou er onder meer, en we citeren letterlijk uit het verslag, « een aftrekbaarheid van 40 000 frank per bijkomende onderzoeker zijn en, voor de openbare onderzoekscentra die bijkomende onderzoekers in dienst nemen, een volledige vrijstelling van werkgeversbijdragen ». Bovendien, zo wordt gesteld, laat de geachte minister sinds 1995 regelmatig inventariseren welke uitwerking deze fiscale stimuli hebben op het wetenschappelijk onderzoek.
Gegeven deze waardevolle opmerkingen, laten we graag enkele concrete vragen stellen omtrent deze maatregelen :
1. Over hoeveel onderzoekers gaat het die, op deze manier en met partiėle of volledige vrijstelling van werkgeversbijdragen in dienst werden genomen ?
2. Kan de geachte minister preciseren wat precies wordt bedoeld met « de uitwerking van deze fiscale stimuli op het wetenschappelijk onderzoek » ?
Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna het antwoord op zijn vraag te vinden.
Om de middelen te verhogen die in Belgiė zowel op particulier als openbaar niveau aan wetenschappelijk onderzoek besteed worden, heeft de wetgever een aantal fiscale stimuli uitgewerkt.
Overeenkomstig de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, Titel VI, artikel 185, heeft iedere door de overheidssector beheerde, erkende of gesubsidieerde instelling of dienst recht op vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid voor de aanwerving van bijkomende onderzoekers. Tot nu toe hebben 257 personen die maatregel genoten.
Ingevolge artikel 3 van de wet van 27 oktober 1997 houdende bepalingen in verband met de fiscale stimuli voor de uitvoer en het onderzoek, kan iedere onderneming overigens belastingvrijstelling ten belope van 400 000 frank krijgen voor iedere in dienst genomen bijkomende onderzoeker die voltijds ingezet wordt voor onderzoekontwikkeling van haar wetenschappelijk en/of technologisch potentieel.
Mijn bestuur, te weten de Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden (DWTC), is verplicht een permanente inventaris bij te houden van het wetenschappelijk potentieel van het land, en dit zoals vastgelegd in tussen de Staat, de gewesten en de gemeenschappen gesloten samenwerkingsakkoorden. Het bepalen van de invloed van de nieuwe fiscale stimuli op het wetenschappelijk onderzoek is op dit ogenblik niet mogelijk en zou overigens voorbarig zijn. Een dergelijke inventarisering is op dit ogenblik niet mogelijk. Om afdoend te zijn, is hiervoor namelijk een specifieke studie noodzakelijk over een lange toepassingsperiode van deze nieuwe maatregelen.