(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Op 13 juni 1997 stelde ik u onder nr. 63 (bulletin van Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 1-50 van 22 juli 1997, blz. 2523) de volgende vraag betreffende het in rand vermelde onderwerp :
« Begin april 1997 heeft een burger en straathoekwerker van het « quartier de Pierreuse » in Luik de Luikse afdeling van de dienst gebouwen aangeschreven om te vragen dat de hoofdingenieur deelneemt aan een vergadering van het buurtcomité van de « Pierreuse » om de opeenvolgende stadia van de toekomstige uitbreidingswerken van het justitiepaleis te Luik toe te lichten.
De betrokken ambtenaar heeft zijn toezichthoudende minister, te weten de minister van Ambtenarenzaken, dan om toestemming gevraagd.
In zijn brief van 23 april 1997 aan die ambtenaar stelt de minister van Ambtenarenzaken voor dat de ambtenaar in kwestie, overigens een voormalig senator, zich tot het begeleidingscomité richt aangezien er in Luik een begeleidingscomité bestaat voor de werken van de « place Saint-Lambert », waarvan alle politieke partijen deel uitmaken. Hij zou dan antwoorden op het verzoek van dat begeleidingscomité dat tot hem was gericht en dat dezelfde teneur had als dat van het buurtcomité van de « Pierreuse ». Zo zegt de minister van Ambtenarenzaken dat die informatie via zijn politieke verantwoordelijke ten goede komt van de bevolking in haar geheel.
Kan de geachte minister mij het volgende meedelen :
Kunnen alle burgers, ongeacht hun politieke gezindheid, informatie ontvangen over de projecten die de overheid heeft aangevat ?
Welk statuut hebben de begeleidingscomités die door de gemeentelijke overheden zijn opgericht ? Kunnen die begeleidingscomités informatie meedelen waarvoor men zich tot de bevoegde overheid dient te wenden ?
Wordt de oprichting en de werking van die comités geregeld door enige wetgevende tekst of regeling (ministeriële nota of richtlijn bijvoorbeeld) ? »
Tot op heden mocht ik dienaangaande nog geen antwoord ontvangen. Derhalve ben ik zo vrij deze vraag opnieuw aan u voor te leggen. Mag ik aandringen op een spoedige mededeling van uw standpunt ?
Antwoord : In antwoord op de door het geachte lid gestelde vraag heb ik de eer hem volgende gegevens mede te delen.
a) Op de eerste vraag van het geachte lid, kan ik een categoriek positief antwoord geven. Ik hoef inderdaad niet te verwijzen naar artikel 4 van de wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1994) om te bevestigen dat ik het als een inaliënabel en essentieel recht van elke burger beschouw te kunnen genieten van inlichtingen omtrent projecten die door de overheid worden op stapel gezet.
Om die reden wens ik deze laatste de meest actuele en uitgebreide informatie te geven en daarom vroeg ik het geachte lid zijn vragen te richten tot het begeleidingscomité dat samengesteld is uit alle partijen die belang stellen in het beschouwde project.
Deze laatste weet waarschijnlijk even goed als ik, misschien zelfs beter, dat de uitbreidingen van Justitie kaderen in een globaal en complex renovatieproject van de hele plaats en dat dit project meerdere actoren, zowel openbare als privé, doet tussenkomen.
Ik heb natuurlijk niet deelgenomen aan de oprichting van het begeleidingscomité in kwestie, maar het lijkt mij dat, gezien de ingewikkeldheid van de technieken, de financiële middelen, plannings en andere inpedimenta die in het werk worden gesteld, dit begeleidinscomité, dat een algemeen zicht kan hebben op het geheel, de beste informatiebron is die er maar kan zijn.
Dient er overigens nog gepreciseerd te worden dat dit begeleidingscomité voor elke vraag die gesteld wordt, zich kan wenden tot het Comité van Technici, dat meermaals per jaar samenkomt, naar keuze, hetzij op aanvraag, hetzij volgens de kalender van vooruitgang der werken.
b) Ik weet niet onder welk statuut het begeleidingscomité optreedt, maar ik weet wel dat er weinig Luikenaren en zeker geen enkele beleidsverantwoordelijke is die er het bestaan niet van kent; telkens er in het verleden een vraag naar informatie tot gericht werd, heeft dit comité, naar men mij zegt, zijn vraagstellers veel beter geholpen dan een enkele geďsoleerde ambtenaar, hoe goed hij ook mocht zijn, van een van de gerechtelijke entiteiten die ter plaatse optreden, had kunnen doen.
c) Voor zover ik weet bestaat er geen enkele wetgeving of bepaling tot regeling van de oprichting of werking van dergelijke comités, maar is dat een reden om te weigeren er een beroep op te doen als blijkt dat ze een betrouwbaar antwoord kunnen geven op elke echte vraag die hen gesteld zou worden.