1-966/5 | 1-966/5 |
30 JUNI 1998
Evocatieprocedure
Art. 10bis (nieuw)
Een artikel 10bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 10bis. In artikel 333 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) In het tweede lid de woorden « bedoeld in artikel 354, eerste lid, » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 354, eerste en tweede lid, en in artikel 358, § 1, 1º, 2º, 3º en 4º, »;
B) Het derde lid doen vervallen. »
Verantwoording
In de huidige procedure kan de administratie een aanvullende onderzoekstermijn verkrijgen op voorwaarde dat de belastingplichtige voorafgaand en schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van de bijzonderheden van de aanwijzingen die deze verlenging noodzaken. Deze verplichting is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.
Het is echter net door het verrichten van bijkomend onderzoek dat de fiscus nauwkeurige aanwijzingen van fraude kan inzamelen. De bepaling heeft dus veel weg van een vicieuze cirkel : ofwel begint de administratie met een onderzoek om nauwkeurige aanwijzingen van fraude in te zamelen, maar dan schendt ze de verplichting om voorafgaandelijk de belastingplichtige in te lichten; ofwel stuurt ze op basis van de summiere informatie die ze reeds heeft een bericht aan de belastingplichtige om hem in kennis te stellen van toekomstige onderzoeksdaden maar dan repliceert de belastingplichtige dat de voorafgaande kennisgeving niet voldoende nauwkeurig is.
Het voorstel dat in dit amendement vervat zit, wil dus het onderscheid tussen de gewone en de verlengde aanslagtermijn behouden, maar het derde lid van artikel 333 WIB, doen vervallen, zodat de verplichting van de voorafgaande nauwkeurige kennisgeving van aanwijzingen van fraude niet meer als gevolg heeft dat de facto de administratie gemuilkorfd wordt in de strijd tegen de fiscale fraude.
De onderzoeksmachten zullen daarnaast ook bij de toepassing van de bijzondere aanslagtermijnen gelden. Momenteel geven de bijzondere aanslagtermijnen in artikel 358 WIB, de fiscus niet het recht om bijkomend onderzoek te verrichten. De administratie moet het nu dus stellen met gegevens die blijken uit bijvoorbeeld de inlichtingen uit het buitenland en die zijn dikwijls onvoldoende gespecificeerd. Dit vloeit voort uit het feit dat artikel 333 WIB, slechts verwijst naar artikel 354 WIB, en niet naar artikel 358.
Art. 18
De voorgestelde wijzigingen met betrekking tot artikel 354 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 aanvullen met een 1ºbis , luidende :
« 1ºbis. Het tweede lid wordt aangevuld met een tweede zin, luidende :
« Ingeval van niet-aangifte wordt voor de toepassing van dit artikel onweerlegbaar vermoed dat zulks gedaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. »
Verantwoording
De verlengde aanslagtermijn die wordt ingesteld in het bewuste tweede lid van artikel 354 veronderstelt dat de administratie kan aantonen dat er bij de belastingplichtige een bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden aanwezig was. Onder druk van onder andere het legaliteitsbeginsel wordt deze bepaling uiterst restrictief geïnterpreteerd door de rechtspraak. Het bewijs van « kennelijke fraude » dat zij vereist, betekent dat de wetsovertreding moet gepaard gaan met een bewijs van een duidelijk intentioneel element. « Nalatigheid », « materiële vergissing », « onjuistheid te goeder trouw » worden in deze materie vrij licht aanvaard als verschoning. Dit leidt in de praktijk tot de onbruikbaarheid van deze bepaling in de strijd tegen de fiscale fraude.
| Jacques D'HOOGHE. |
Art. 9
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
In het kader van het parlementair debat over het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen, heeft de kamercommissie voor Financiën het amendement nr. 58 van volksvertegenwoordigers Schoeters en Suykens goedgekeurd.
Het aangenomen amendement nr. 58, thans artikel 9 van het ontwerp nr. 966/1, voorziet in een ingrijpende wijziging van artikel 327 van het WIB.
§ 5 daarvan zou door de volgende bepaling worden vervangen :
« De Commissie voor het Bank- en Financiewezen informeert onmiddellijk de minister van Financiën wanneer zij vaststelt dat een instelling waarover zij controle uitoefent, een bijzonder mechanisme heeft opgezet dat tot doel of tot gevolg heeft belastingontduiking door derden aan te moedigen. »
Volgens de teksten die thans van kracht zijn, moet de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (hierna de CBF) onmiddellijk de minister van Financiën inlichten wanneer zij vaststelt (rechtstreeks of via het verslag van een bankrevisor) dat in een door haar gecontroleerde bank een mechanisme bestaat « dat tot doel of tot gevolg heeft inbreuken te organiseren op de fiscale wetgeving en dat een medeplichtigheid insluit, tussen de instelling en de cliënt, met het oog op belastingontduiking ».
Volgens de geldende tekst betreft de meldingsplicht van de CBF uitsluitend de inbreuken op de fiscale wetgeving die een medeplichtigheid van de kredietinstelling insluiten in strafrechtelijke zin.
Het amendement nr. 58 beoogt de schrapping van de voorwaarde van medeplichtigheid tussen een financiële instelling en de cliënt en voorziet tevens in een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied en de inhoud van de meldingsplicht van de CBF.
De voorgestelde tekst bevat een definitie van de bijzondere mechanismen in prudentiële zin, wat erop neerkomt dat hij betrekking heeft op alle mechanismen waarvan sprake is in artikel 57, § 3, van de bankwet van 22 maart 1993.
Het toepassingsgebied van deze laatstgenoemde bepaling is veel ruimer, aangezien het niet alleen gaat om de gedragingen die aanleiding tot strafrechtelijke vervolging kunnen geven, maar tevens om andere gedragingen die, ook al vallen ze niet onder het strafrecht, niet gerechtvaardigd zijn in het kader van de normale en correcte uitoefening van het bankiersberoep.
Het begrip « bijzonder mechanisme » in prudentiële zin werd reeds geruime tijd geleden gedefinieerd in de omzendbrieven van de CBF, waarvan de meest recente (DI 97/9) op 18 december 1997 aan de kredietinstellingen werd toegezonden. Dit rondschrijven bevat een enuntiatieve lijst van de verrichtingen en gedragingen van de kredietinstellingen die, ook al zijn het als zodanig geen inbreuken op de strafwet of de fiscale wetgeving, toch als bijzondere mechanismen worden beschouwd.
Voorbeelden van werkwijzen die als bijzondere mechanismen worden beschouwd en dus verboden zijn voor de Belgische banken, zijn :
het geval waarin een bank de cliënt de toekenning van een krediet of een kredietverhoging meedeelt, zonder in hetzelfde document melding te maken van alle waarborgen die de cliënt voor de bank als kredietwaarborg heeft aangebracht;
het geval waarin een bank het bestaan van sub-rekeningen niet vermeldt, wanneer een cliënt bij die bank verschillende rekeningen heeft geopend die dienst doen als één rekening;
als op het borderel geen melding wordt gemaakt van de kruiselingse aankoop- en verkooporders voor financiële instrumenten.
Zoals reeds uit deze voorbeelden blijkt, is het perfect mogelijk dat een verrichting als een bijzonder mechanisme wordt beschouwd en voor de bank verboden is, ook al is de verrichting op zichzelf niet onwettig of strafbaar. In voorkomend geval is er geen sprake van een inbreuk op de fiscale wetgeving en wellicht zal er ook nooit sprake van zijn.
Doordat het amendement nr. 58 de voorwaarde van medeplichtigheid schrapt en het optreden van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen uitbreidt tot de bijzondere mechanismen in prudentiële zin, zoals hierboven uiteengezet, beoogt het amendement een aanzienlijke uitholling van het fiscale bankgeheim. Dat betekent met andere woorden dat in onze wetgeving een regel voor gedragsbeoordeling wordt ingevoerd die veel verder gaat dan de loutere naleving van de wetsbepalingen op fiscaal gebied.
Deze wijziging van artikel 327, § 5, van het WIB 92 en de aantasting van het bankgeheim zijn geenszins wenselijk om de hierna vermelde redenen.
1. Overeenstemming met de bestaande teksten
Als verantwoording voor het door de heren Schoeters en Suykens voorgestelde amendement nr. 58 tot wijziging van artikel 327, § 5, van het WIB 92 wordt het volgende vermeld :
De beoogde schrapping van de medeplichtigheid is een aanpassing overeenkomstig de door het koninklijk besluit van 20 december 1996 ingevoerde nieuwe formulering van artikel 318 van het WIB 1992 waarin onder meer de voorwaarde van medeplichtigheid werd geschrapt.
Het klopt inderdaad dat het koninklijk besluit van 20 december 1996 in de tekst van artikel 318, tweede lid, de voorheen daarin vermelde voorwaarde van medeplichtigheid heeft geschrapt, maar dat neemt niet weg dat de thans voorgestelde tekst veel verder gaat dan een loutere aanpassing aan de bepalingen van artikel 318, tweede lid, van het WIB 92.
Het koninklijk besluit van 20 december 1996 was in feite niet meer dan een aanpassing van bepaalde voorwaarden het bankgeheim kon worden opgeheven, maar dat betekent nog geen schrapping van het bankgeheim zoals amendement nr. 58 op verholen wijze beoogt. In diezelfde wetgeving werden de woorden « bijzondere mechanismen » trouwens vervangen door de woorden « mechanismen van belastingontduiking », die een veel striktere notie vormen.
Het lijkt overigens duidelijk dat de laatste versie van de tekst van artikel 318 WIB 92 nog steeds verwijst naar mechanismen van belastingontduiking waarbij klaarblijkelijk naar de al dan niet actieve rol van de financiële instelling wordt verwezen. Het lijkt niet voldoende dat een bepaalde belastingplichtige buiten elke bancaire verrichting om, bijzondere mechanismen zou aanwenden, om de belasting te ontduiken opdat het fiscale bankgeheim wordt opgeheven.
Dat betekent dus dat de verantwoording van het amendement van volksvertegenwoordigers Schoeters en Suykens (verwijzing naar artikel 318 WIB 92) niet klopt.
Een lezing van andere wetgevingen leert bovendien dat deze zeker niet zo ver gaan als de tekst van het huidige artikel 9.
Zo is het criterium voor de meldingsverplichting voor financiële instellingen met betrekking tot het witwassen van geld (wet van 11 januari 1993) inderdaad ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend.
Het amendement mag dan al voor de tekst van artikel 327, § 5, verwijzen naar de tekst van artikel 318, tweede lid, van het WIB 92, maar in de praktijk gaat het veel verder dan de overige teksten ter zake.
Er moet bovendien vermeden worden om, onder het mom van de verwijzing naar één enkele tekst, al dan niet goed begrepen (artikel 318 WIB 92), een amalgaam van verplichtingen voor de financiële instellingen te creëren die niet op elkaar afgestemd lijken.
1. Een financiële instelling is reeds strafbaar voor eventuele nuttige hulp bij fiscale fraude (overtreding van de fiscale wetboeken);
2. Een financiële instelling is bovendien reeds strafbaar voor het in ontvangst nemen, beheren, bewaren, etc. van gelden van fiscaal verdacht oorsprong (artikel 505 van het Strafwetboek);
3. Er kan bovendien inbreuk gemaakt worden op het fiscaal bankgeheim in geval er sprake is van een mechanisme van belastingontduiking (artikel 318 WIB 92).
4. Er is een meldingsverplichting voor de financiële instellingen aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking in geval van het witwassen van vermogensvoordelen uit ernstige, georganiseerde fiscale fraude (Wet van 11 januari 1993).
5. Thans zou een meldingsverplichting voor de CBF worden ingevoerd voor het bestaan van mechanismen die louter tot gevolg zouden hebben belastingontduiking door derden aan te moedigen.
2. Onverenigbaarheid van het voorgestelde amendement met het Europees recht inzake de betrekkingen tussen de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en de Belgische banken
Het overeenkomstig de tweede bankenrichtlijn aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen opgelegde beroepsgeheim stelt de Belgische wetgever niet in staat om aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de verplichting op te leggen aan de minister van Financiën gedragingen te melden, ongeacht of het gaat om inbreuken of niet, die ze vaststelt in het kader van haar controle op de kredietinstellingen.
Sedert de inwerkingtreding van de wet van 22 maart 1993 wordt het beroepsgeheim van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen bekrachtigd in artikel 40 van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935, waarvan het eerste lid vermeldt :
« De leden van de Commissie voor Bank- en Financiewezen en de leden van haar personeel dienen het beroepsgeheim in acht te nemen (...) buiten de gevallen waarin ze in rechte dienen te getuigen. »
Het aldus aan de vertegenwoordigers van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen opgelegde beroepsgeheim is een beroepsgeheim in de echte zin van het woord, dat kan worden vergeleken met het beroepsgeheim dat bij artikel 458 van het Strafwetboek is ingesteld.
Krachtens artikel 93 van de wet van 22 maart 1993 geldt de uitzondering waarin voornoemd artikel 40, eerste lid, voorziet, alleen wanneer in strafzaken voor de rechter wordt getuigd.
Die verduidelijking is opgelegd door de eerste bankenrichtlijn (77/780/EEG), waarvan artikel 12, § 1, bepaalt dat alle lidstaten van de Europese Unie en dus ook de Belgische wetgever de bevoegde autoriteiten inzake controle op de kredietinstellingen het verbod moeten opleggen de vertrouwelijke inlichtingen die ze beroepshalve ontvangen, bekend te maken.
In artikel 16 van de tweede bankenrichtlijn wordt echter bepaald dat de lidstaten mogen voorzien in uitzonderingen op dit principe, maar alleen in gevallen die onder het strafrecht vallen, wat klaarblijkelijk betekent dat de bekendmaking van inlichtingen, meer bepaald via getuigenis voor de rechter, alleen in het kader van strafrechtelijke procedures is toegestaan.
Vermits het voorgestelde amendement de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ertoe verplicht verrichtingen of gedragingen die geen inbreuken op het strafrecht zijn, te melden aan het ministerie van Financiën, is het in strijd met de verplichtingen die de tweede bankenrichtlijn inzake beroepsgeheim oplegt.
De Raad van State heeft reeds de gelegenheid gehad om dit probleem te analyseren en merkte in 1992 op dat de destijds van kracht zijnde tekst van artikel 327, § 5, onverenigbaar was met de bepalingen van de richtlijn 77/780/EEG (Parl. Stuk, Senaat, nr. 616/1 (1992-1993), pag. 263 e.v.).
Volgens de Raad van State kan redelijkerwijs niet worden aangenomen dat de verwijzing naar het strafrecht in de tweede bankenrichtlijn in ruime zin mag worden geïnterpreteerd, dusdanig dat de verwijzing zou slaan op alle regels die in tal van wetten van fiscaal, sociaal of administratiefrecht door middel van strafrechtelijke sancties de overige sancties eigen aan die rechtstakken versterken.
Aangezien de tekst van het amendement nr. 58 nog minder conform het Europees recht is dan de vroegere versie van artikel 327, § 5, WIB 92, zou een nieuw advies van de Raad van State het vorige advies alleen maar bevestigen.
3. Aantasting van de samenwerking tussen de controle-autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie en van derde landen
De meldingsplicht die het huidige artikel 9 oplegt aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zal de samenwerking tussen de Commissie en haar tegenhangers in landen binnen en buiten de Europese Unie erg nadelig beïnvloeden. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen kreeg reeds kritiek van buitenlandse controle-autoriteiten toen haar in het verleden andere gelijkaardige verplichtingen werden opgelegd.
De toevoeging van die `verruimde' meldingsplicht aan de andere verplichtingen van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen kan bijzonder nadelige gevolgen hebben voor haar betrekkingen met de andere controle-autoriteiten. De sfeer van wantrouwen die in die betrekkingen kan sluipen, dreigt erg nadelig te zijn voor het imago van België en van de autoriteit die met de controle op de banken is belast, op een erg belangrijk ogenblik nu de mondialisering van het financiewezen toeneemt en een goede verstandhouding tussen controle-autoriteiten noodzakelijk is voor een efficiënte prudentiële controle.
4. Discriminatie tussen kredietinstellingen naar Belgisch recht en kredietinstellingen die in België werkzaam zijn onder het stelsel van het vrij verrichten van diensten
In economisch opzicht zullen de in België gevestigde banken ernstig worden benadeeld ten opzichte van de buitenlandse instellingen die in België diensten aanbieden onder het stelsel van het vrij verrichten van diensten.
De buitenlandse instellingen die in België werkzaam zijn onder het stelsel van het vrij verrichten van diensten, vallen inderdaad niet onder de toepassing van artikel 327, § 5, van het WIB 92 zoals gewijzigd bij het huidige artikel 9.
Dat betekent dat de buitenlandse banken die in België onder dit stelsel werkzaam zijn, de verplichting inzake melding aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen niet zullen ondergaan wanneer een bijzonder mechanisme wordt vastgesteld dat tot doel of tot gevolg heeft belastingontduiking aan te moedigen.
Wegens de aantasting van het bankgeheim van de kredietinstellingen die door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen worden gecontroleerd, is het meer dan waarschijnlijk dat de meeste cliënten van deze Belgische instellingen zullen overstappen naar buitenlandse instellingen die hun discretie wel garanderen.
Dat betekent dus dat het huidige artikel 9 een overantwoorde discriminatie creëert tussen de Belgische instellingen en de buitenlandse instellingen die in België werkzaam zijn onder het stelsel van het vrij verrichten van diensten.
Zo'n discriminatie kan al snel leiden tot een concurrentievervalsing waarvan de gevolgen onherstelbaar zijn voor de Belgische kredietstellingen. Dat geldt des te meer omdat er een scherpe concurrentie is tussen de financiële centra die in de loop van de komende maanden nog zal toenemen in het kader van de EMU. Als op eigen houtje wordt gehandeld, los van elk initiatief inzake gemeenschappelijke en daadwerkelijke Europese harmonisatie, vallen onvermijdelijk negatieve effecten te vrezen. Een massale overstap van de cliënten bij de Belgische banken naar buitenlandse banken zal niet alleen een aanzienlijke weerslag hebben op het concurrentievermogen van de Belgische banken, maar ook nadelig zijn voor de ontvangsten van de Schatkist.
Bovendien mag niet uit het oog verloren worden dat er in mei 1998 door de Europese Commissie een ontwerp van richtlijn is goedgekeurd waarbij de belastingen over de roerende vermogens en de daarmee gepaard gaande verplichtingen van de financiële instellingen jegens de fiscale overheden, op Europees vlak worden geregeld. Het lijkt dan ook niet geschikt dat België thans eenzijdige stappen zou ondernemen die het Belgische bankwezen alleen concurrentieel nadeel zouden toebrengen en die het wankele evenwicht dat tussen de diverse lidstaten wordt bereikt over de harmonisering ter zake, nog meer kan destabiliseren.
Kortom, minstens voor het imago van België is het absoluut noodzakelijk dat het intern recht in overeenstemming is met de Europese richtlijnen. Daarenboven mag het concurrentievermogen van het Belgisch financieel centrum niet uit het oog worden verloren, nu de Europese Muntunie voor de deur staat, en bijgevolg moet elke bepaling die dit vermogen kan aantasten, worden verworpen.
Art. 23
Dit artikel vervangen als volgt :
« De artikelen 367 tot en met 375 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 11 op het ontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (Zie Stuk Senaat, nr. 1-967/5, 1997-1998, blz. 2 tot 5).
Art. 24
Dit artikel vervangen als volgt :
« In Titel VII van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 352 WIB een nieuw Hoofdstuk Vbis ingevoegd, met als opschrift : « Vbis. Hiërarchische controle. »
Verantwoording
Idem.
Art. 25
Dit artikel vervangen als volgt :
« Onder het nieuwe Hoofdstuk Vbis wordt een nieuw artikel 352bis in hetzelfde wetboek ingevoegd, luidende :
« Art. 352bis. § 1. Verklaart de belastingplichtige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag kan worden ingevorderd zich binnen de bij artikel 346 of artikel 351 gestelde termijn niet akkoord met de voorgenomen aanslag, opcentiemen, verhogingen of boeten, dan mogen deze, op straffe van nietigheid, slechts worden gevestigd nadat een gemotiveerde beslissing van de directeur der belastingen aan de belastingplichtige ter kennis gebracht is, behoudens in de volgende gevallen :
de aanslag wordt gevestigd op basis van de gegevens die blijken uit de aangifte of waarmee de belastingplichtige zich onvoorwaardelijk akkoord verklaard heeft;
de rechten van de Schatkist verkeren in gevaar wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn.
§ 2. De bevoegde directeur der belastingen is deze van het ambtsgebied waarin de aanslag, de verhogingen of de boeten gevestigd zouden worden. De bevoegde directeur der belastingen mag deze opdracht delegeren aan een ambtenaar die minstens de graad van eerstaanwezend inspecteur heeft en die niet betrokken was bij de voorgaande procedure lastens de belastingplichtige. »
Verantwoording
Idem.
Art. 26
Dit artikel vervangen als volgt :
« Onder hetzelfde Hoofdstuk wordt een nieuw artikel 352ter ingevoegd :
« Art. 352ter. § 1. De dienst die het wijzigingsbericht bedoeld in artikel 346 of in artikel 352 verzonden heeft, zal het dossier onmiddellijk voorleggen aan de directeur der belastingen. Van de voorlegging aan de directeur der belastingen wordt kennis gegeven aan de belastingplichtige bij een ter post aangetekende brief.
§ 2. De belastingplichtige kan de motivering van zijn niet-akkoord ter kennis brengen van de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar of deze motivering aanvullen zolang de beslissing hem niet ter kennis gebracht is. De belastingplichtige beschikt over een minimumtermijn van één maand vanaf de kennisgeving bedoeld in § 1 van dit artikel, waarin de directeur geen beslissing kan nemen.
§ 3. Op zijn verzoek wordt de « belastingplichtige gehoord en krijgt hij inzage van het gehele administratieve dossier. »
Verantwoording
Idem.
Art. 27
Dit artikel vervangen als volgt :
« Onder hetzelfde Hoofdstuk wordt een nieuw artikel 352quater ingevoegd, luidende :
« Art. 352quater. Teneinde de behandeling van het geschil te verzekeren beschikt een ambtenaar van de administratie der directe belastingen, met minstens de graad van eerstaanwezend inspecteur, over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn bij de artikelen 315 tot 318, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346. »
Verantwoording
Idem.
Art. 28
Dit artikel vervangen als volgt :
« Onder hetzelfde Hoofdstuk wordt een nieuw artikel 352quinquies ingevoegd, luidende :
« Art. 352quinquies. § 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de aangekondigde wijzigingen en nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag kan worden ingevorderd.
§ 2. Wanneer de aangekondigde wijzigingen na vestiging ten name van dezelfde belastingschuldige voor één of meer aanslagjaren een correlatieve overbelasting zou doen ontstaan, oordeelt de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar van ambtswege mee over de voor deze aanslagjaren gevestigde aanslagen, zelfs indien de termijnen hiervoor verstreken zouden zijn. In voorkomend geval geldt de beslissing van de directeur der belastingen of zijn gedelegeerde als ontheffing.
§ 3. De aanslag, opcentiemen, verhogingen of boeten kunnen maar gevestigd worden op de inkomsten en andere gegevens vastgesteld door de beslissing van de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar. Het is hem niet toegelaten bij zijn beslissing opdracht of toelating te geven tot vestiging op basis van gegevens die niet in het wijzigingsbericht bedoeld in artikel 346 of in artikel 351 aangekondigd werden.
§ 4. De kennisgeving van de beslissing geschiedt bij ter post aangetekende brief. »
Verantwoording
Idem.
Art. 29
Dit artikel vervangen als volgt :
« In Titel VII, Hoofdstuk VI, Afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 358bis ingevoegd, luidende :
« Art. 358bis. Zo een hiërarchische controle overeenkomstig Hoofdstuk Vbis van Titel VII aangevat wordt door kennisgeving aan de belastingplichtige overeenkomstig artikel 352ter, § 1, vóór het intreden van de verjaring, kan de aanslag op basis van de in het wijzigingsbericht bedoeld in artikel 346 of in artikel 351 vermelde gegevens waarvoor de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar toelating tot vestiging gegeven heeft, gevestigd worden tot uiterlijk de laatste dag van de zesde maand vanaf het verstrijken van de van toepassing zijnde aanslagtermijn. »
Verantwoording
Idem.
Art. 30
Dit artikel vervangen als volgt :
« In Hoofdstuk VII van Titel VII, onder Afdeling 1, wordt artikel 366 vervangen als volgt :
« Artikel 366. § 1. De belastingplichtige kan een schriftelijke aanvraag om kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in gevallen als bedoeld in artikel 257 indienen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de onroerende voorheffing gevestigd is of zal worden.
§ 2. De aanvraag moet worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van de kennisgeving van de aanslag.
§ 3. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet uitspraak bij met redenen omklede beslissing.
§ 4. De kennisgeving van de beslissing geschiedt bij een ter post aangetekende brief. »
Verantwoording
Idem.
Art. 19
In dit artikel de woorden « , hetzij binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor gerechtelijk verhaal, hetzij », doen vervallen.
Verantwoording
Idem.
Art. 20
In dit artikel de woorden « tegen een beslissing van de bevoegde directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar » vervangen door de woorden « tegen een aanslag ».
Verantwoording
Idem.
Art. 32
In het voorgestelde artikel 376, § 1, 2º, WIB 92, de woorden « een bezwaarschrift » vervangen door de woorden « een gerechtelijk verhaal ».
Verantwoording
Idem.
Art. 33
Dit artikel aanvullen met de volgende bepalingen :
« Artikel 378.
De gerechtelijke uitspraak mag noch een aanvullende aanslag vestigen, noch een compensatie verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
Artikel 379.
De directeur der belastingen legt onmiddellijk na de inleidingszitting een eensluidend verklaarde uitgifte van al de stukken met betrekking tot de betwisting neer ter griffie. »
Verantwoording
Idem.
Art. 35
In de voorgestelde tekst van artikel 409, WIB 92, de woorden « van bezwaar, » doen vervallen.
Verantwoording
Idem.
Art. 36
In de voorgestelde tekst van artikel 410, WIB 92, de woorden « van bezwaar, » doen vervallen.
Verantwoording
Idem.
Art. 41
De voorgestelde tweede wijziging doen vervallen.
Verantwoording
Idem.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 15)
Art. 27
In het voorgestelde artikel 371, WIB 92, de woorden « bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs worden » doen vervallen.
Verantwoording
Artikel 27 van het wetsontwerp, dat artikel 371 van het WIB 1992 vervangt, wil de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift laten afhangen van het feit of het bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs werd ingediend.
Deze vereiste heeft geen enkele zin dan een overbodige formaliteit in de wet in te schrijven. Ook nu is het zo dat de belastingplichtige zelf moet bewijzen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Een voorzichtige en goed geïnformeerde belastingplichtige zal derhalve steeds met een aangetekend schrijven of met een ontvangstbewijs werken.
Het is echter volkomen overbodig om dit in de wet in te schrijven. Deze verplichting sanctioneert alleen diegenen die weliswaar tijdig een bezwaarschrift indienen, doch die, niet zo goed geïnformeerd zijnde, vergeten dit bij aangetekend schrijven te doen. De gewestelijke directeur is verplicht, volgens de huidige tekst, om het bezwaarschrift onontvankelijk te verklaren.
Het amendement heeft derhalve tot doel de belastingplichtige vrij te laten om zich te organiseren opdat zijn bezwaarschrift binnen de termijn ontvangen wordt, op de manier die hem het best lijkt. Zo moet het bijvoorbeeld mogelijk zijn dat de belastingplichtige zijn bezwaarschrift neerlegt, met gewone post verstuurt, via gerechtsdeurwaarder ter kennis brengt, toezendt per koerierdienst enz.
Art. 31
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 11 op het ontwerp nr. 967. (Zie Stuk Senaat, nr. 1-967/5, 1997-1998, blz. 2 tot 5).
Art. 32
Het voorgestelde artikel 376, WIB 92, aanvullen met een § 5, luidende :
« § 5. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar beveelt ambtshalve de ontheffing die voortvloeit uit een bezwaarschrift dat wordt geacht te zijn ingewilligd bij toepassing van artikel 375, § 1, derde lid, binnen zes maanden vanaf de dag waarop deze stilzwijgende beslissing niet meer vatbaar is voor de in dat artikel bedoelde vordering. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 27.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 25)
Art. 41
De voorgestelde tweede wijziging vervangen als volgt :
« 2º § 2 wordt opgeheven. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 27.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 21)
Art. 32
In het voorgestelde artikel 376, WIB 92, het 2º van § 1 doen vervallen.
Verantwoording
Het geplande artikel 376, § 1, 2º, van het WIB 92 belet de directeur een ambtshalve ontheffing te verlenen wanneer nopens de grond reeds een beslissing werd genomen.
Dit is niet meer verantwoord in de hypothese dat de directeur, volgens de geest van het ontwerp, geen rechtsbevoegdheid meer heeft. Hij wordt niet meer geacht zijn bevoegdheid tot herziening van de aanslag te hebben uitgeput bij het nemen van de beslissing ten gronde.
Art. 49
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
In de artikelen 49 tot 53 van het ontwerp nr. 966/1 wordt gepoogd de verjaringstermijnen inzake BTW af te stemmen op de aanslagtermijnen inzake directe belastingen. De gewone verjaringstermijn inzake BTW van vijf jaar wordt afgeschaft en vervangen door termijnen van drie, vijf en zeven jaar.
Deze zogenaamde gelijkschakeling van de verjaringstermijnen is aan hevige en unanieme kritiek onderhevig van alle daarover geconsulteerde fiscalisten.
Deze kritieken hebben onder meer betrekking op :
het feit dat een verjaringstermijn kan worden gestuit, een aanslagtermijn inzake directe belastingen niet; wat tot gevolg heeft dat wanneer inzake BTW de verjaring wordt gestuit, de termijnen nooit gelijklopend zullen zijn;
het feit dat de zevenjarige termijn inzake BTW de facto neerkomt op een eeuwigdurende termijn, aangezien de onderzoekstermijn inzake BTW in principe onbeperkt blijft, in tegenstelling tot wat geldt inzake directe belastingen;
het feit dat er inzake BTW een bepaling wordt ingevoerd (voorafgaande verwittiging van het gebruik van de verlengde verjaringstermijn), die inzake directe belastingen de verlenging van de onderzoekstermijn aankondigt, en niets te maken heeft met de verlenging van de aanslagtermijnen.
Art. 50
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 31.
Art. 51
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 31.
Art. 52
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 31.
Art. 53
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 31.
| Leo DELCROIX. |
Art. 83
Tussen het voorgestelde derde en vierde lid van dit artikel een nieuw lid invoegen, luidende :
« Niettemin zullen de bezwaarschriften die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 december 2000 geen beslissing werd genomen, worden geacht op die datum te zijn ingewilligd. »
Verantwoording
Het aantal huidige geschillen is aanzienlijk en de termijn van 18 maanden die voortaan geldt om te beslissen over de bezwaarschriften die vanaf 1 juli 1998 worden ingediend, zal een bijkomende achterstand van de geschillen veroorzaken indien er ook geen termijn wordt vastgesteld om hierover te beslissen.
Er wordt voorgesteld om aan de gewestelijke directeurs tot 31 december 2000, zijnde 2,5 jaar, de tijd te laten om de oude achterstand in te halen.
| Leo DELCROIX. Johan WEYTS. |
(Subsidiair amendement op amendement nr. 27)
Art. 31
In het voorgestelde artikel 375, WIB 92, het tweede lid van § 1 vervangen als volgt :
« De kennisgeving van de beslissing geschiedt bij ter post aangetekende brief, ten laatste 18 maanden na de datum waarop het bezwaarschrift werd ingediend.
Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing binnen de termijn bepaald in het vorige lid, wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd, onverminderd het recht van de administratie om de vordering van artikel 1385decies en volgende van het Gerechtelijk Wetboek in te dienen. »
Verantwoording
Volgens het huidige ontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (nieuw artikel 1385undecies, Gerechtelijk Wetboek) kan de directeur na 18 maanden worden aangemaand om te beslissen; als hij dit niet doet en het uitblijven van een beslissing motiveert binnen zes maanden na deze aanmaning, wordt de beslissing geacht negatief te zijn en kan een rechtsvordering worden ingesteld. De beslissing wordt geacht positief te zijn indien het ontbreken van een beslissing niet is gemotiveerd.
Zo'n formule verhoogt niet alleen het aantal stappen in de procedure maar beperkt evenmin het volume van de rechterlijke geschillen aangezien de administratie niet wordt aangemoedigd om binnen korte termijn of zelfs maar binnen de termijn van 18 of 24 maanden te beslissen.
De tijdens het onderzoek in de bevoegde Kamercommissie ingevoerde verplichting om het gebrek aan beslissing te motiveren (zoniet wordt ze als positief beschouwd), is slechts in schijn een verbetering. Motieven om niet te beslissen zijn immers vaak gemakkelijk te vinden (gebrek aan manschappen, tijd, enz.) en betwistingen omtrent de geldigheid ervan dreigen stof te worden voor een beroep bij de Raad van State en tegelijktertijd voor fiscale vorderingen voor de rechtbanken van eerste aanleg.
Opmerkelijk is bovendien dat het ontwerp in strijd is met wat gewoonlijk in fiscale zaken wordt aangenomen, namelijk dat bij gebrek aan een beslissing, deze als positief wordt beschouwd. Dit geldt onder meer voor de fiscale « ruling » (artikel 345 van het WIB 1992 en overeenstemmende artikelen in de andere fiscale wetboeken), de vervanging van de factuur door een ander document (artikel 6 van het (BTW-)KB nr. 1 van 29 december 1992) en het bezwaarschrift tegen een gemeentelijke of provinciale taks (artikel 10 van de wet van 24 december 1996).
Tenslotte creëert de formule een volledige scheeftrekking ten opzichte van de procedure inzake BTW-geschillen, terwijl een van de bedoelingen van de hervorming is de geschillenprocedures in de twee takken van de fiscaliteit, die vaak met elkaar verbonden zijn, op elkaar af te stemmen en aldus te vereenvoudigen.
Het amendement beoogt dat bij gebrek aan een beslissing binnen 18 maanden na het bezwaarschrift, de beslissing positief wordt geacht, waarbij de administratie de mogelijkheid behoudt de zaak voor het gerecht te brengen om het geschil te beslechten, zoals dit het geval zal zijn voor de belastingplichtige. Hetzelfde beginsel gaat thans, mutatis mutandis, op voor de provinciale en gemeentebelastingen.
Dit heeft tot gevolg dat de administratie bij een laks optreden en bij het uitblijven van een beslissing (van afwijzing) wordt gesanctioneerd doordat zij haar uitvoerbare titel jegens de belastingplichtige verliest. Dit kan de belastingplichtige die ernstige motieven heeft jegens een onterechte aanslag, heel wat kommer en kwel gedurende de rest van de procedure besparen.
Dit moet er de administratie toe aanzetten om een beslissing te nemen. Ofwel een afwijzende, ofwel een inwilligende.
Jegens belastingplichtigen die eventueel als dilatoir ervaren bezwaarschriften zouden indienen, moet het toch mogelijk zijn om in enkele pennentrekken de manifest ongegronde grieven af te wijzen ?
De eventuele stilzwijgende aanvaarding van een bezwaarschrift impliceert een belastingontheffing; dit wordt verwezenlijkt door de wijziging van artikel 376 van het WIB 1992, dat aan de directeur vanaf het ogenblik dat de stilzwijgende aanvaarding definitief is geworden (en niet aan de rechtbank is voorgelegd) zes maanden de tijd laat om die uit te voeren.
De wijziging van artikel 41 heft de regel van de opschorting van de nalatigheidsinteresten op, die niet meer gerechtvaardigd is in de hypothese van een stilzwijgende positieve beslissing na 18 maanden.
Worden deze amendementen aanvaard, dan kunnen ook de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek worden aangepast die zouden worden ingevoerd in het ontwerp van wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken; daartoe wordt parallel een amendement nr. 12 ingediend dat artikel 8 van dit ontwerp volledig herschrijft (Zie Stuk Senaat, nr. 1-967/5, 1997-1998).
Art. 45
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 445 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het tweede lid worden tussen het woord « wordt » en het woord « ingevorderd », de woorden « gevestigd en » ingevoegd;
2º in het derde lid worden de woorden « De minister van Financiën of zijn gemachtigde doet » vervangen door de woorden « De door de Koning aangewezen ambtenaren doen. »
Verantwoording
De amendementen nrs. 38 tot en met 56 worden hierna samen verantwoord, aangezien ze één geheel uitmaken.
In de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers werden op 22 december 1997 het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen en het wetsontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken ingediend. Deze ontwerpen beogen in essentie een onpartijdige rechterlijke beoordeling in twee aanleggen in het leven te roepen ter beslechting van fiscale geschillen. In de Memorie van Toelichting wordt zijdelings verwezen naar de internationaalrechtelijke verplichting van België om zijn rechtsonderhorigen een eerlijk proces te waarborgen (artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 (1) van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten).
Het strekt van de regering en de minister van Financiën tot eer dat zij de waarborgen van een eerlijk proces toepasselijk willen maken op de fiscale procedure, wetende dat het Belgische Hof van Cassatie, in overeenstemming met de huidige rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vooralsnog oordeelt dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet van toepassing is op de belastingheffing als zodanig en de geschillenregeling daaromtrent.
Een pregnante vaststelling is in dit verband dat de voornoemde internationale verdragsartikelen wél van toepassing zijn op administratieve fiscale sancties met een strafkarakter. Heel wat van de administratieve sancties behoren daartoe. Dit verdient de nodige aandacht. De Raad van State merkte dit al op in haar advies (nrs. 1341/1-1341/2, zitting 1997-1998, blz. 71-72).
Een andere achtenswaardige gebeurtenis is gelegen in twee relatief recente arresten van het Arbitragehof. Op 14 juli 1997 velde het Arbitragehof inderdaad twee arresten (nr. 40/97 en nr. 45/97) waarin de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboetes toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten zij het zeer gedeeltelijk ongrondwettelijk werden verklaard. Er werd immers geoordeeld dat de administratieve afhandeling van een sanctie, waarbij de administratie géén bevoegdheid heeft om een geldboete te milderen wegens haar onevenredig karakter of wegens verzachtende omstandigheden, discriminatoir is in vergelijking met de strafrechtelijke procedure.
Het spreekt voor zich dat het doelstelling van de wetgever moet zijn om wetgeving uit te vaardigen die in overeenstemming is met de internationaalrechtelijke verplichtingen van België en met de rechtspraak van het Arbitragehof.
De door de regering ingediende wetsontwerpen voldoen niet geheel aan die vereiste.
De regering meent immers aan de geschetste problemen tegemoet te kunnen komen door de rechtbank van eerste aanleg bevoegd te maken om over de administratieve sancties te oordelen. Deze beoordelingsbevoegdheid zou naar verluidt vervat zijn in de omschrijving « geschillen over de toepassing van een belastingwet ». De regering meent dat daardoor aan de vereiste van rechterlijke controle is voldaan. In een handomdraai besliste zij om de politiek nogal delicate kwijtscheldings- en milderingsbevoegdheden van de minister van Financiën af te schaffen.
Het is echter nog maar de vraag of de tekst van de voorgestelde ontwerpen tot gevolg heeft dat de rechtbanken een daadwerkelijke controle over de hoegrootheid en de opportuniteit van de opgelegde geldboetes verkrijgen. Ook een rechtbank kan immers slechts de wet toepassen en nagaan of de belastingambtenaar die een geldboete heeft toegepast, de wettelijke schalen correct heeft toegepast. Zo zou de oplegging van een geldboete van 200 % (sic) van niet aan de Schatkist afgedragen BTW onvermijdelijk zijn ingeval er sprake is van bedrieglijk opzet. De rechtbank zou immers moeten vaststellen dat de wet door de betrokken belastingambtenaar correct is toegepast.
Nochtans worden in de fiscale praktijk op deze excessieve beboeting dagelijks milderingen toegepast. Dit gebeurt meestal niet door de minister van Financiën persoonlijk zoals bepaalde media het wensen af te schilderen, doch door de daartoe bevoegde ambtenaren (meestal een Gewestelijk Directeur, na advies door de plaatselijke controlediensten). In tal van dossiers leidt dit tot een evenwichtige en vlotte afdoening van geschillen tussen de belastingadministratie en de schatplichtige, zonder overbodige gerechtelijke procedures, dito faillissementen, etc.
Als de administratieve kwijtschelding van geldboetes zou komen te vervallen, zijn de gevolgen onoverzichtelijk. Op die wijze zou bijvoorbeeld geen enkele belastingplichtige zijn toestand inzake BTW of successierechten nog spontaan recht kunnen zetten. De toepassing van een boete van 200 % is zonder tegemoetkoming van de administratie immers wettelijk niet te vermijden in de gevallen waarin er met opzet een verkeerde aangifte was ingediend (wat in veel gevallen zo is).
De in de wetsontwerpen voorziene integrale afschaffing van deze administratieve milderingsbevoegdheid gepaard gaande met de bevoegdheidstoebedeling aan de rechtbank van eerste aanleg om te oordelen over de « geschillen over de toepassing van een belastingwet », lijkt dus helemaal niet aan de in de Memorie van Toelichting gestelde objectieven tegemoet te komen, integendeel.
De voorgestelde amendementen willen aan dit probleem tegemoetkomen. Het is tot stand gekomen door rekening te houden met de volgende objectieven en omstandigheden :
behoud van de onderkende verdiensten van het systeem van administratieve boeteafhandeling (door bij wijze van amendering alleen de bepaling over de bevoegdverklaring van de rechtbanken aan te passen en de afschaffing van de administratieve beoordelingsbevoegdheid gestand te houden, zou er een toevloed aan gerechtelijke geschillen ontstaan over te hoog geachte administratieve boetes, die vermeden had kunnen worden);
de creatie van de mogelijkheid tot betere omkadering van het administratieve boetestelsel; de bevoegdheid om over de administratieve geldboetes te oordelen wordt toebedeeld aan daartoe door de Koning aangewezen ambtenaren in plaats van aan de « minister van Financiën »; in de praktijk kan de administratieve beboeting bijvoorbeeld afgehandeld worden door de directies van de nieuwe geïntegreerde controlecentra en/of door de Gewestelijke directeurs;
inachtneming van de waarborgen van artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO-Verdrag; toekenning van een daadwerkelijke rechterlijke controlebevoegdheid; afschaffing van de ongelimiteerde cumulatiemogelijkheid tussen strafrechtelijke en administratieve sancties;
de rechtspraak van het Arbitragehof.
De voorgestelde teksten werden gespiegeld aan de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboetes toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, die in de loop der jaren zijn deugdelijkheid heeft bewezen. Uiteraard wordt rekening gehouden met de opmerkingen van het Arbitragehof bij deze wet.
In alle betrokken fiscale wetboeken worden gelijkaardige wetsartikelen ingevoegd.
Behoud van kwijtscheldingsmogelijkheid van geldboetes
De schrapping van de bevoegdheid van de minister van Financiën om te beslissen over de kwijtschelding van geldboetes, wordt ongedaan gemaakt. Er wordt echter voor geopteerd om deze bevoegdheid toe te bedelen aan de door de Koning aangewezen ambtenaren. In eerste instantie kan de Koning deze bevoegdheid toewijzen aan de ambtenaren die heden ten dage gebruikelijk over deze verzoekschriften uitspraak deden (Gewestelijk directeur). Op termijn kan er eventueel voor geopteerd worden om deze bevoegdheid aan de directeurs van de controlecentra te verlenen of om speciale boete-inspecteurs te benoemen.
Behoud van de dadingsbevoegdheid
Ook de in de wetsontwerpen geplande schrappingen van de bevoegdheid van de administratie om dadingen te treffen, die in de meeste fiscale wetboeken terug te vinden is, wordt ongedaan gemaakt. Zoniet zou de administratie zelfs geen bevoegdheid meer hebben om haar eigen vergissen recht te zetten. De informele rechtzettingsprocedure, die nochtans goed werkte in bijvoorbeeld het BTW-stelsel, dient niet te worden afgeschaft. Iedere administratieve filter voorafgaand aan het rechterlijk geschil voor de rechtbank van eerste aanleg, zou daarmee verdwijnen. Dat lijkt niet de bedoeling van de regering of van de wetgever te zijn.
De verzoening van het administratieve sanctiestelsel met de strafrechtelijke vervolging
Fundamenteel is de toevoeging aan alle fiscale wetboeken van een artikel dat de uitwerking vormt van de onontkoombare onverenigbaarheid van de strafrechtelijke vervolging cq. veroordeling en de oplegging van een administratieve geldboete.
Als deze onverenigbaarheid niet op wettelijke wijze wordt geregeld, bestaat het gevaar dat de gerechtshoven bij toepassing van artikel 14, 7º, van het verdrag inzake Burgelijke en Politieke Rechten, tot de nietigheid van de lààtst definitief geworden sanctie zouden moeten besluiten. De facto houdt dat een keuzerecht in voor de belastingplichtige. Naargelang hij al dan niet zijn rechtsmiddelen uitput, kan hij zelf een keuze maken tussen ofwel de oplegging van een geldboete of belastingverhoging ofwel een correctionele straf. De instandhouding van een wettelijke lacune, waardoor de beslissing over de stafmaat aan de belastingplichtige overgelaten wordt, lijkt niet verkieslijk.
Technisch is het voorgestelde artikel in grote lijnen een overname, mutatis mutandis , van het artikel 5 van de wet van 30 juni 1971. Algemeen wordt aan het openbaar ministerie de bevoegdheid verleend om te beslissen om al dan niet te vervolgen. De beslissing van het openbaar ministerie om te vervolgen, sluit echter van rechtswege de toepassing van administratieve sancties uit.
Net zoals in voornoemde wet wordt dus in principe voorrang verleend aan de strafgerechten. Dit lijkt het best verzoenbaar met de strafprocesrechtelijke en fiscale traditie.
Dat een administratieve sanctie geen uitwerking kent wanneer een straftoemeting genoegzaam rekening houden met het feit dat geen administratieve boete is opgelegd, en de strafmaat daaraan aanpassen. Desgewenst kunnen zij zelf een correctionele geldboete opleggen, die tot 500 000 frank kan belopen, of de verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel uit het fiscale misdrijf uitspreken, of een zwaardere gevangenisstraf uitspreken.
Er wordt overigens ook voorzien dat de administratie, wanneer het parket tijdig beslist om niet te vervolgen, nog altijd kan beslissen om een geldboete of een belastingverhoging op te leggen. Zij dient in dat geval natuurlijk de aanslagtermijnen te respecteren.
De toevoeging « van rechtswege », betekent dat de belastingplichtige niet noodzakelijk een rechtsmiddel moet aanwenden tegen de oplegging van een geldboete of belastingverhoging. Indien hij weet heeft van een strafvervolging, welke ook de termijn is waarbinnen ze wordt ingesteld, zijn de administratieve boete en belastingverhoging terugbetaalbaar.
Hoewel de beslissing om te vervolgen in principe aan het openbaar ministerie wordt overgelaten, wordt in de amendementen ook in de schoot van de administratie een belangrijk beslissingsmoment behouden. Er wordt bovendien meer gewicht aan toegekend. Het gaat met name om de beslissing om aan het parket al dan niet aangifte te doen van een fiscaal misdrijf, bedoeld in artikel 29 van het Strafwetboek.
Dat de mogelijkheid om deze aangifte te doen wordt gekoppeld aan de beslissing om al dan niet een boete of belastingverhoging op te leggen, heeft tot belangrijk gevolg dat de aangifte van een fiscaal misdrijf een weloverwogen beslissing wordt. Ofwel wordt een administratieve boete of belastingverhoging opgelegd, ofwel wordt een strafklacht ingediend. Dit verhoogt enerzijds het sérieux en het belang van de administratieve sanctie. Anderzijds wordt aan de beslissing om het parket op de hoogte te brengen van een fiscaal misdrijf, afhankelijk gemaakt van de beslissing om voorlopig geen boete of belastingverhoging op te leggen. Als er geen kans is dat een strafvervolging wordt ingediend, lijkt dit zinloos.
Doordat er minder strafklachten zullen worden ingediend, zal dit de parketten trouwens toelaten om met des te meer aandacht de ingediende klachten te onderzoeken. De beslissing om een vervolging in te stellen zal met des te meer aandacht worden genomen. Thans is de beslissing om te vervolgen dikwijls een toevalstreffer.
De koppeling tussen de strafklacht en de boeteoplegging betreft weerom geen gunstmaatregel. De administratie kan perfect een hoge administratieve sanctie opleggen wanneer zij een hoge geldboete passender acht dan een strafrechtelijke vervolging en de aangifte bij het parket. In dat geval kan de discussie over de opportuniteit van de administratieve boete aan de Rechtbank van Eerste Aanleg worden overgelaten. De Rechtbank van Eerste Aanleg houdt in dat geval overigens ook rekening met het feit dat géén strafvervolging is ingesteld.
De rechterlijke controle over de opportuniteit van de geldboete
De wijziging aan de voorgestelde tekst van artikel 569 Gerechtelijk Wetboek tenslotte moet toelaten onverkort de bedoeling van de wetgever te verduidelijken om de fiscale administratieve sancties, hoe ook geheten (administratieve boetes, fiscale geldboeten, belastingverhogingen, enz.), niet alleen op hun wettigheid te toetsen maar tevens op hun opportuniteit.
Art. 45bis (nieuw)
Een artikel 45bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 45bis. Artikel 449 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Het openbaar ministerie beslist of het, de ernst ervan in acht genomen, de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten al dan niet vervolgt.
Strafvervolging sluit van rechtswege administratieve sancties uit, ook wanneer de vervolging niet tot een strafrechtelijk veroordeling heeft geleid.
Na de beslissing tot oplegging van een belastingverhoging of van een geldboete kan aan de procureur des Konings over de gesanctioneerde feiten geen kennisgeving in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering meer worden gedaan. Onverminderd het tweede lid, kan na een aangifte in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen beslissing tot oplegging van belastingverhoging of geldboete meer worden genomen, tenzij het parket aan de administratie kennisgeeft van de beslissing om niet te vervolgen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 45ter (nieuw)
Een artikel 45ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 45ter. Aan artikel 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt vóór het huidige eerste lid als nieuw eerste lid de volgende tekst toegevoegd :
« Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 10 000 frank tot 500 000 frank of met één van die straffen alleen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 54
Dit artikel aanvullen met de volgende leden :
« In artikel 84, eerste lid van hetzelfde Wetboek worden de woorden « De minister van Financiën » vervangen door de woorden « de door de Koning aangewezen ambtenaren ».
In artikel 84, tweede lid van het zelfde Wetboek worden de woorden « De minister van Financiën beslist » vervangen door de woorden « De door de Koning aangewezen ambtenaren beslissen » en het woord « treft » door het woord « treffen ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 48bis (nieuw)
Een artikel 48bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 48bis. Artikel 73 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Het openbaar ministerie beslist of het, de ernst ervan in acht genomen, de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten al dan niet vervolgt.
Strafvervolging sluit van rechtswege administratieve geldboeten uit, ook wanneer de vervolging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid.
Na de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan aan de procureur des Konings over de gesanctioneerde feiten geen kennisgeving in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering meer worden gedaan. Onverminderd het tweede lid, kan na een aangifte in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen beslissing tot oplegging van administratieve geldboete meer worden genomen, tenzij het parket aan de administratie kennisgeeft van de beslissing om niet te vervolgen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 48ter (nieuw)
Een artikel 48ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 48ter. Aan artikel 73bis van hetzelfde Wetboek wordt vóór het huidige eerste lid een nieuw eerste lid toegevoegd, luidende :
« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 10 000 tot 500 000 frank of met één van die straffen alleen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 60
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 61
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 219 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) in het eerste lid, de woorden « de minister van Financiën » vervangen door de woorden « de door de Koning aangewezen ambtenaren »;
B) in het tweede lid worden de woorden « Hij beslist » vervangen door de woorden « Zij beslissen » en het woord « gaat » vervangen door het woord « gaan ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 65bis (nieuw)
Een artikel 65bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 65bis. Artikel 260 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Het openbaar ministerie beslist of het, de ernst ervan in acht genomen, de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten al dan niet vervolgt.
Strafvervolging sluit van rechtswege administratieve geldboeten uit, ook wanneer de vervolging niet tot een strafrechtelijk veroordeling heeft geleid.
Na de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan aan de procureur des Konings over de gesanctioneerde feiten geen kennisgeving in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering meer worden gedaan. Onverminderd het tweede lid, kan na een aangifte in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen beslissing tot oplegging van administratieve geldboete meer worden genomen, tenzij het parket aan de administratie kennisgeeft van de beslissing om niet te vervolgen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 65ter (nieuw)
Een artikel 65ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 65ter. Aan artikel 260bis van hetzelfde Wetboek wordt vóór het huidige eerste lid een nieuw eerste lid toegevoegd, luidende :
« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 10 000 tot 50 000 frank of met één van die straffen alleen ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 66
Dit artikel aanvullen met de volgende leden :
« In artikel 141, eerste lid van het Wetboek der successierechten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, worden de woorden « de minister van Financiën » vervangen door « de door de Koning aangewezen ambtenaren ».
In artikel 141, tweede lid van hetzelfde wetboek worden de woorden « Hij beslist » vervangen door de woorden « Zij beslissen » en het woord « gaat » door het woord « gaan ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 66bis (nieuw)
Een artikel 66bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 66bis. Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Het openbaar ministerie beslist of het, de ernst ervan in acht genomen, de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten al dan niet vervolgt.
Strafvervolging sluit van rechtswege administratieve geldboeten uit, ook wanneer de vervolging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid.
Na de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan aan de procureur des Konings over de gesanctioneerde feiten geen kennisgeving in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering meer worden gedaan. Onverminderd het tweede lid, kan na een aangifte in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen beslissing tot oplegging van administratieve geldboete meer worden genomen, tenzij het parket aan de administratie kennisgeeft van de beslissing om niet te vervolgen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 66ter (nieuw)
Een artikel 66ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 66ter. Aan artikel 133bis van hetzelfde Wetboek wordt vóór het huidige eerste lid een nieuw eerste lid toegevoegd, luidende :
« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 10.000 tot 500.000 frank of met één van die straffen alleen ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 68
Dit artikel aanvullen met de volgende leden :
« In artikel 74, eerste lid van het Wetboek der zegelrechten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, worden de woorden « de Minister van Financiën » vervangen door de woorden « de door de Koning aangewezen ambtenaren ».
In artikel 74, tweede lid van hetzelfde wetboek worden de woorden « Hij beslist » vervangen door de woorden « Zij beslissen » en het woord « gaat » door het woord « gaan ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 68bis (nieuw)
Een artikel 68bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 68bis. Artikel 66 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Het openbaar ministerie beslist of het, de ernst ervan in acht genomen, de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten al dan niet vervolgt.
Strafvervolging sluit van rechtswege administratieve geldboeten uit, ook wanneer de vervolging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid.
Na de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan aan de procureur des Konings over de gesanctioneerde feiten geen kennisgeving in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering meer worden gedaan. Onverminderd het tweede lid, kan na een aangifte in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen beslissing tot oplegging van administratieve geldboete meer worden genomen, tenzij het parket aan de administratie kennisgeeft van de beslissing om niet te vervolgen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 68ter (nieuw)
Een artikel 68ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 68ter. Aan artikel 66bis van hetzelfde Wetboek wordt vóór het huidige eerste lid een nieuw eerste lid toegevoegd, luidende :
« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 10 000 tot 500 000 frank of met één van die straffen alleen ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 39.
Art. 73
Dit artikel wordt aangevuld met de volgende leden :
« In artikel 2024 , eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1951 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, worden de woorden « de Minister van Financiën vervangen door « de door de Koning aangewezen ambtenaren ».
In artikel 2024 , tweede lid van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « Hij beslist » vervangen door de woorden « Zij beslissen » en het woord « gaat » door het woord « gaan ».
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 73bis (nieuw)
Een artikel 73bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 73bis. Artikel 207 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Het openbaar ministerie beslist of het, de ernst ervan in acht genomen, de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten al dan niet vervolgt.
Strafvervolging sluit van rechtswege administratieve geldboeten uit, ook wanneer de vervolging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid.
Na de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan aan de procureur des Konings over de gesanctioneerde feiten geen kennisgeving in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering meer worden gedaan. Onverminderd het tweede lid, kan na een aangifte in de zin van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, geen beslissing tot oplegging van administratieve geldboete meer worden genomen, tenzij het parket aan de administratie kennisgeeft van de beslissing om niet te vervolgen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 73ter (nieuw)
Een artikel 73ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 73ter. Aan artikel 207bis van hetzelfde Wetboek wordt vóór het huidige eerste lid een nieuw eerste lid toegevoegd, luidende :
« Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 10 000 frank tot 500 000 frank of met één van die straffen alleen. »
Verantwoording
Zie verantwoording bij amendement nr. 38.
Art. 31
Het voorgestelde artikel 375, § 2, WIB 92 doen vervallen.
Verantwoording
Gezien de directeur der belastingen zich bij de afhandeling van een bezwaarschrift dient te beperken tot de elementen vervat in het oorspronkelijk bezwaarschrift, wordt het risico van een lichtzinnig ingediend bezwaarschrift relatief groot. Gezien in het geval van schrapping van § 2 van het artikel 375 WIB, bezwarende elementen die in de loop van het onderzoek zouden aan het licht komen, ook kunnen in aanmerking genomen worden voor de vestiging van de belasting, zal dit minder eerlijke belastingplichtigen afschrikken. De rechtmatige belangen van eerlijke belastingplichtigen blijven evenwel gevrijwaard. De juridische overwegingen voor de huidige § 2 vervallen, nu de directeur niet langer over rechterlijke macht beschikt.
| Jacques D'HOOGHE. |
(1) Wellicht per verschrijving wordt in de Memorie van Toelichting verwezen naar het artikel 10 van dat Verdrag.