Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-58

ZITTING 1997-1998

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Justitie

Vraag nr. 249 van mevrouw de Bethune d.d. 24 januari 1997 (N.) :
Armoedeproblematiek.

Het voorbije jaar 1996 werd door de VN uitgeroepen als « Internationaal jaar van de uitbanning van armoede ».

In het Algemeen Verslag over de Armoede kunnen we lezen dat er nood is aan een andere, globale kijk op de armoedeproblematiek.

Joseph Wrésinski, oprichter van de vierde wereldbeweging, ziet het zo : « Waar mensen gedoemd zijn in armoede te leven, worden de rechten van de mens geschonden. We zijn hen verplicht ons aaneen te sluiten om die rechten te doen eerbiedigen. »

Graag had ik van de geachte minister een antwoord bekomen op de volgende vragen :

1. Wat zijn de raakvlakken tussen uw bevoegdheden en de problematiek van de mensen die in armoede leven ?

2. Welke maatregelen hebt u reeds genomen inzake armoedebestrijding ?

3. Hebt u initiatieven genomen in het kader van het « Internationaal jaar van de uitbanning van armoede » ? Zo ja, welke ? Werden hiervoor op de begroting middelen uitgetrokken ? Zo ja, hoeveel ?

4. Worden de mensen die in armoede leven zelf op een actieve manier (door overleg of door het geven van advies) betrokken bij het beleidsvoorbereidend werk binnen uw departement ?

Antwoord : Van de tien thema's die in het Algemeen Verslag over de Armoede aan bod komen, zijn er vier thema's die, zoals ze zijn uitgewerkt, een raakvlak hebben met mijn bevoegdheid, namelijk het gezinsleven, de huisvesting, de rechtsbedeling en de schuldenlast.

Inzake het gezinsleven schenkt het verslag bijzondere aandacht aan de problematiek van de kinderen die in het kader van de jeugdbescherming geplaatst zijn ingevolge de armoede van hun ouders. In uitvoering van de beslissingen van de interministeriële conferentie voor sociale integratie van 30 november 1995, heb ik een werkgroep opgericht met het oog op de evaluatie van de wet van 30 mei 1987 betreffende de verlatenverklaring van minderjarigen. Deze werkgroep, waaraan onder meer werd deelgenomen door vertegenwoordigers van verenigingen die de belangen van de armen behartigen, kwam tot het besluit dat de betrokken wetgeving de maatschappelijke uitsluiting van de minstbegoede gezinnen lijkt in de hand te werken. Dit heeft de regering ertoe aangezet een wetsontwerp goed te keuren tot opheffing van artikel 370bis van het Burgelijk Wetboek, met behoud evenwel van de instelling van de familiale opvang mits enkele aanpassingen.

Wat de huisvesting betreft, heeft de wet van 13 april 1997 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de huurwetgeving (Belgisch Staatsblad van 21 mei 1997) een aantal misbruiken willen wegwerken die bij toepassing van de woninghuurwet van 20 februari 1991 aan het licht waren gekomen, waarbij bijzondere aandacht werd geschonken aan de meest kwetsbare groepen. Vooral de bepalingen inzake de contracten van korte duur werden grondig aangepast. Ik verwijs eveneens naar de bepaling die aan bepaalde rechtspersonen die een huis huren, zoals een OCMW, de mogelijkheid biedt het goed in onderhuur te geven aan personen die moeilijkheden hebben om een woning te vinden. Bijzondere aandacht ging ook uit naar de kwaliteit van de woning, waarvoor ik verwijs naar het koninklijk besluit van 8 juli 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan ten minste moet voldaan zijn wil een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats in overeenstemming zijn met de elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid (Belgisch Staatsblad van 21 augustus 1997).

Samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken heb ik een wetsontwerp ingediend om de procedure van uithuiszetting te humaniseren (Stuk, Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 1151/1 - 96/97). Het bepaalt dat het OCMW op de hoogte moet worden gebracht van elke eis tot uithuiszetting en dat deze slechts ten vroegste één maand na de betekening van het vonnis zal kunnen worden ten uitvoer gelegd.

Wat de rechtsbedeling betreft heeft de Ministerraad van 25 juli 1997 gewijd aan de justitie zijn goedkeuring gehecht aan de voorstellen die ik, ingevolge de regeringsmededeling van 25 maart 1997, heb gedaan in mijn oriëntatienota « Een betere rechtshulp voor maatschappelijk mindergegoede personen ».

Op het niveau van de eerstelijnsrechtshulp wordt voorzien in de oprichting in ieder gerechtelijk arrondissement van een « justitiehuis », dat ermee belast is algemene juridische informatie, eventueel zelfs eerste hulp, te verstrekken en zo nodig door te verwijzen naar een gespecialiseerde instantie. Deze dienstverlening zal gratis zijn voor minvermogenden en bepaalde bevolkingsgroepen zoals jongeren. In elk justitiehuis zal ook een « commissie rechtshulp » worden opgericht ten einde onder meer de dienstverlening te organiseren en te optimaliseren.

Het aanbod inzake tweedelijnsrechtshulp, die bestaat in het geven van omstandig juridisch advies en eventueel van bijstand in een gerechtelijke procedure, wordt in ieder gerechtelijk arrondissement uitgebreid. Deze hulp zal worden verstrekt, via het bureau van consultatie en verdediging van de Orde van advocaten, door advocaten die zich daartoe hebben bereid verklaard en gespecialiseerd zijn in materies die voor de minstbedeelde personen belangrijk zijn. Deze dienstverlening zal uitsluitend worden voorbehouden aan mindergegoeden en aan bepaalde bevolkingsgroepen; zij zal gratis zijn tenzij de inkomsten van de betrokkene een bijdrage rechtvaardigt. Bij weigering zal beroep kunnen worden ingesteld. De wet van 13 april 1995 tot wijziging van de artikelen 455 en 455bis van het Gerechtelijk Wetboek heeft het mogelijk gemaakt dat pro deo-zaken ook kunnen worden toebedeeld aan advocaten die zijn ingeschreven op het tableau van de orde. Deze regeling is in voege getreden op 1 september 1997 overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 mei 1997 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning, het tarief en de wijze van uitbetaling van de vergoeding verleend aan de advocaten (Belgisch Staatsblad van 2 september 1997).

De verdere uitbouw van een eigentijdse informaticastructuur (die onder meer de raadpleging van wetteksten vergemakkelijkt) moet eveneens bijdragen tot een meer toegankelijke rechtshulp. De wetsvoorstellen die ertoe strekken voor minvermogenden de geldelijke last van een gerechtelijke procedure te verlichten, zullen de nodige steun krijgen. Voor de verwezenlijking van dit alles zullen de nodige budgettaire middelen worden voorzien in het meerjarenplan voor justitie.

Wat ten slotte de schuldenlast betreft, verwijs ik naar het wetsontwerp betreffende de collectieve schuldenregeling, dat ik samen met mijn collega's van Economie en Financiën heb ingediend (Stuk, Kamer van volksvertegenwoordigers, nrs. 1073/1 en 1074/1 - 96/97). Het ontwerp heeft tot doel een oplossing te vinden voor schuldenaars niet-handelaars met een overmatige schuldenlast en het mogelijk te maken dat hun schuldeisers geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald. Zij zullen een beroep kunnen doen op de rechter, die een schuldbemiddelaar zal aanstellen om met de schuldeisers te onderhandelen over een minnelijke schikking en, bij gebreke daarvan, zelf een regeling zal uitwerken. De regeling moet er in ieder geval toe strekken de financiële toestand van de schuldenaars te herstellen en tegelijkertijd te waarborgen dat zijzelf en hun gezinsleden een menswaardig leven kunnen leiden.