(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De bekrachtiging door België op 16 april 1986, van het eerste aanvullend protocol bij de Conventies van Genève van 12 augustus 1949 impliceert krachtens artikel 82 het creëren van een structuur van juridische raadgevers voor de Strijdkrachten : Raadgevers in het Recht van de Gewapende Conflicten (RRGC).
Het algemene order J/797 B regelt terzake de RRGC, de opdrachten, de structuur en bevoegdheid, alsmede vorming en training. Ook de bevoegdheden van de RRGC op de verschillende niveaus van bevelvoering worden bepaald : op het niveau Generale Staf, het niveau van de Staven van de Krijgsmacht, het niveau van de Grote Commando's en Eenheden en in het bijzonder inzake deelneming aan buitenlandse operaties.
De aanwending van Raadgevers in het Recht van Gewapende Conflicten in thans uiterst noodwendig, niet alleen omwille van de wettelijke verplichtingen terzake en omwille van humanitaire overwegingen als dusdanig, maar tevens omdat blijkt dat militairen zeker van buitenlandse opdrachten terdege geïnformeerd moeten zijn over gedrags- en inzetregels, waarvan de basisgegevens vervat zijn in het recht van de gewapende conflicten.
De behoefte van de Krijgsmacht aan een degelijke inzet van RRGC is dus een essentiële militaire beleidsfactor geworden, zowel qua inhoudelijk belang als qua imago van de Belgische Strijdkrachten.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord gekregen op de volgende vragen :
1. Voldoet het huidige vormingsprogramma voor Raadgevers in het recht van de gewapende conflicten, aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie (KHID) nog aan de gestelde behoeften ?
2. Hebben de instructeurs aan het KHID de nodige kwalificaties in het recht van gewapende conflicten, op het ogenblik dat zij de instructieopdracht aanvatten ?
3. Kunnen de instructeurs gedurende een voldoende termijn hun functie in het departement Humanitair Recht aan de KHID uitoefenen, zodat zij voldoende deskundigheid en ervaring in die materie kunnen verwerven en overdragen ?
4. Hoeveel Raadgevers in het Recht van Gewapende Conflicten werden er reeds gevormd aan het KHID, zowel binnen het beroeps- als reservekader ?
5. Bekleden al deze militairen een functie, als RRGC, overeenstemmend met de doelstellingen vervat in de AO-J/797 B ?
6. Kunnen de RRGC voldoende deelnemen aan binnen- en buitenlandse vervolmakingsvormingen en oefeningen ? Is er daaromtrent een programmatie ?
7. Worden bij buitenlandse operaties de bevelhebbers geadviseerd, op een structurele wijze, inzake de toepassing van het RGC en de inzetregels ? Ontvangt het personeel, op een structurele wijze, onderricht en training inzake RGC en inzetregels, zeker voorafgaand aan buitenlandse zendingen ?
8. Is er steeds een RRGC specifiek functioneel tijdens buitenlandse zendingen van Belgische detachementen ? Worden er terzake ook reserve-officieren-RRGC ingezet ? Zo ja, kan u de zendingen van de laatste drie jaar aanduiden, waaraan een officier met RRGC-kwalificatie de functie vervulde ?
9. Vervullen bij gelegenheid de « gerechtelijke detachementen-militair auditoraat » de rol van RRGC tijdens buitenlandse zendingen ?
10 Gelet op de recente ontwikkelingen binnen de Belgische wetgeving (wet op ernstige inbreuken op de Geneefse Conventies, wet op de anti-persoonsmijnen, enz.) bestaat er de intentie het belang van de Raadgevers in het Recht van de Gewapende Conflicten meer te valoriseren ? In dit verband verwijs ik graag naar het algemene order J/818 van 5 februari 1998 met betrekking tot de bestraffing van ernstige inbreuken tegen het Internationaal Humanitair Recht (IHR). Welke maatregelen worden terzake voorzien ?