Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-79

ZITTING 1997-1998

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Landsverdediging, belast met Energie

Vraag nr. 1159 van de heer Anciaux d.d. 26 juni 1998 (N.) :
Taalonevenwicht bij de brigadegeneraals.

Tijdens een interpellatie op 25 maart 1998 in de commissie van Landsverdediging van de Kamer betreffende de taalverhoudingen bij de brigadegeneraals, die van 60 % N/40 % F naar 20 % N/80 % F evolueert, antwoordde de geachte minister : « Met inbegrip van de brigadegeneraals en enkele opperofficieren die dienst verrichten buiten de Krijgsmacht tellen we op datum van vandaag precies evenveel Nederlandstalige als Franstalige opperofficieren, namelijk 23. »

In het verslag over de toepassing van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger vermeldde bijlage E nog 19 N of 55,88 % en 15 F of 44,12 % opperofficieren. Op dat ogenblik dienden deze cijfers verhoogd te worden met een niet-vermeld aantal brigadegeneraals, zodat de globale taalverhouding bij de opperofficieren voor het Parlement verborgen werd gehouden.

1. Op wat steunt de geachte minister om voor de opperofficieren een taalverhouding van 50 % N/50 % F in plaats van de algemeen aanvaarde en in het taalverslag weergegeven 60-40-taalverhouding naar voor te schuiven, mede als rechtvaardiging voor het scheeftrekken van de taalverhouding bij de brigadegeneraals ?

2. Waarom wordt het Parlement via het jaarlijks taalverslag niet op de hoogte gehouden van de taalverhouding bij de brigadegeneraals, maar integendeel verwezen naar de categorie van de kolonels ? Zal dit vanaf het volgende taalverslag rechtgetrokken worden ?

3. Hoeveel zal, vanaf september 1998, na de tijdens de vakantie doorgevoerde mutaties, het aantal brigadegeneraals bedragen, per krijgsmachtdeel, per taalstelsel en in het totaal ? Acht de geachte minister deze verhouding gerechtvaardigd ? Waarom wel of waarom niet ? Welke maatregelen zal de minister nemen en binnen welke termijn om de 60 % N/40 % F-verhouding te bereiken ?

4. Hoeveel bedraagt op datzelfde ogenblik het aantal generaals-majoor en luitenant-generaals per krijgsmachtdeel en per taalstelsel en in totaal voor beide graden ? Is deze taalverhouding voor de geachte minister normaal, waarom wel of waarom niet ? Indien niet, wat zal de geachte minister ondernemen en binnen welke termijn om de 60 % N/40 % F-verhouding te bereiken ?

5. Worden in vervanging van de aangestelde brigadegeneraals luitenant-kolonels tot kolonel bevorderd ? Indien ja, wordt de 60 % N/40 % F-taalverhouding hierbij in acht genomen ?

6. Zal de geachte minister een einde stellen aan de willekeurige benoeming van brigadegeneraals en deze zo spoedig mogelijk laten benoemen via het wettelijk voorziene bevorderingscomité ? Indien niet, waarom niet ?