(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
In het eerste jaarverslag van het College van de federale ombudsmannen wordt een overzicht gegeven van de onderzoeken van de bij hen aanhangig gemaakte dossiers. Hierbij wordt per ministerie een overzicht gegeven van de behandelde dossiers. De meerderheid van de klachten in het ministerie van Binnenlandse Zaken betreffen de algemene directie van de Dienst vreemdelingenzaken.
Wat betreft de verblijfsaanvragen gebaseerd op artikel 9, alinea 3, van de vreemdelingenwet en het uitvoeringsbesluit van 18 oktober 1981 (regularisatie op grond van buitengewone omstandigheden) wordt op bladzijde 78 aangestipt dat bepaalde verzoekers stellen dat er twee maten en gewichten worden gehanteerd. Zij menen dat in identieke omstandigheden bepaalde personen wel een regularisering krijgen en anderen niet.
Verder stelt het jaarverslag : « Het niet voorhanden zijn van de criteria die de Dienst vreemdelingenzaken bij de regularisatie van het verblijf hanteert, spoort de vreemdelingen aan om zo'n aanvraag in te dienen in de hoop aan de criteria te beantwoorden. Het komt ons voor dat een loutere verwijzing naar het socio-economisch onderzoek van de gemeente, waarvan de verzoeker nooit inzage heeft gekregen, niet volstaat. »
Graag zou ik van de geachte minister op de volgende vragen een antwoord verkregen hebben :
1. Wat is de reactie van de geachte minister op de beweringen van bepaalde verzoekers dat er twee maten en gewichten worden gehanteerd ?
2. Waarom zijn de criteria op basis waarvan een regularisatie van het verblijf wordt gebaseerd niet voorhanden ? Welke maatregelen gaat de geachte minister nemen opdat in deze situatie verandering komt ?
3. Is de geachte minister het eens met het oordeel van het College van de federale ombudsmannen dat een loutere verwijzing naar het socio-economisch onderzoek van de gemeente niet volstaat ? Welke maatregelen gaat de geachte minister nemen opdat in deze situatie verandering komt ?
Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid de volgende inlichtingen te verstrekken.
1. Hiervoor verwijs ik het geachte lid naar het antwoord dat ik verstrekt heb op zijn parlementaire vraag nr. 865 van 10 februari 1998 (bulletin van Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 1-76 van 30 juni 1998).
2. In het Belgisch Staatsblad van 14 november 1997 is de omzendbrief van 9 oktober 1997 verschenen betreffende de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De bedoeling van deze omzendbrief is enige uitleg te verschaffen aangaande het opzet van artikel 9, derde lid, alsmede aangaande de toepasselijke procedure.
Elk verzoek tot regularisatie wordt aan een individueel en daadwerkelijk onderzoek onderworpen op basis van objectieve criteria die echter niet veralgemeend kunnen worden, gezien de grote verscheidenheid aan situaties die zich kunnen voordoen.
Ik verwijs in dit verband naar het antwoord dat ik verstrekt heb op de parlementaire vraag nr. 247 van 21 maart 1996 van de heer volksvertegenwoordiger Detienne (bulletin van Vragen en Antwoorden , Kamer, nr. 45, blz. 6173-6175).
3. Het socio-economisch onderzoek van de gemeente vormt in principe een voldoende basis om een beslissing te treffen aangaande de verblijfsaanvraag. Bovendien kan de verzoeker, indien hij dit wenst, de nodige attesten en bewijzen overmaken die de wil en de mate van integratie kunnen staven.