1-211

1-211

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 16 JUILLET 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 16 JULI 1998

(Vervolg-Suite)

QUESTION ORALE DE M. PH. CHARLIER AU MINISTRE DE L'EMPLOI ET DU TRAVAIL SUR « LA DATE À LAQUELLE DOIVENT INTERVENIR LES AUGMENTATIONS BARÉMIQUES »

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER PH. CHARLIER AAN DE MINISTER VAN TEWERKSTELLING EN ARBEID OVER « DE DATUM WAAROP DE VERHOGINGEN VAN DE LOONSCHALEN MOET PLAATSVINDEN »

M. le président. ­ L'ordre du jour appelle la question orale de M. Philippe Charlier.

La parole est à M. Philippe Charlier.

M. Ph. Charlier (PSC). ­ Monsieur le président, les augmentations salariales sont principalement régies par les commissions paritaires où sont représentés les divers partenaires sociaux. Ainsi, un grand nombre de commissions paritaires ont prévu, par voie de convention collective de travail, la définition de catégories de travailleurs, les barèmes applicables à chaque catégorie ainsi que les augmentations salariales liées soit à l'ancienneté dans l'entreprise, soit à la date anniversaire du travailleur, ...

Dans le cadre de cette question orale, je veux en fait aborder la problématique des augmentations salariales liées à la date anniversaire du travailleur. Si un certain nombre de conventions collectives de travail prévoient ce type d'augmentation salariale, pratiquement aucune ne précise la date exacte à laquelle l'augmentation doit intervenir.

À la suite de divers contacts avec votre administration, madame la ministre, différentes solutions sont proposées aux employeurs : soit appliquer l'augmentation à la date anniversaire même, en calculant un prorata lorsque la date anniversaire intervient en cours de mois; soit appliquer l'augmentation à partir du premier jour du mois au cours duquel survient la date anniversaire; soit appliquer l'augmentation à partir du premier jour du mois suivant le mois au cours duquel survient la date anniversaire.

À défaut de précision dans la convention collective de travail, quelle solution préconisez-vous ? Envisagez-vous d'imposer à votre administration une interprétation uniforme sur cette question ?

M. le président. ­ La parole est à Mme Smet, ministre.

Mme Smet, ministre de l'Emploi et du Travail, chargée de la Politique d'égalité des chances entre hommes et femmes. ­ Monsieur le président, M. Charlier demande à quel moment les augmentations salariales barémiques liées à l'anniversaire du travailleur doivent effectivement entrer en vigueur.

Plusieurs conventions collectives de travail conclues dans certains comités paritaires prévoient en effet des augmentations salariales barémiques entrant en vigueur au moment où un travailleur atteint un âge déterminé. Certaines de ces CCT prévoient très précisément le moment où cette augmentation de salaire doit être appliquée. D'autres CCT ne prévoient toutefois pas de date précise d'entrée en vigueur de l'augmentation salariale.

Dans ce cas, il peut y avoir discussion au sujet de la date d'entrée en vigueur exacte : l'augmentation salariale est appliquée soit le jour même de l'anniversaire, soit le premier jour du mois au cours duquel le travailleur concerné atteint l'âge prescrit, soit le premier jour du mois suivant le mois durant lequel le travailleur concerné a atteint l'âge prescrit.

Il va de soi que c'est aux partenaires sociaux qui ont conclu la CCT en question de donner l'interprétation correcte des accords dont ils sont convenus dans la CCT. L'inspection sociale n'a imposé ni directive générale ni interprétation. Je suis tout à fait consciente du fait que si la CCT n'est pas claire, ni l'employeur ni le travailleur ne savent avec précision à quel moment il faut appliquer une augmentation salariale déterminée. J'estime personnellement que pour des raisons d'ordre pratique, il n'est souvent pas indiqué d'appliquer une augmentation salariale le jour même de l'anniversaire. Il appartient toutefois aux partenaires sociaux de conclure des accords précis à ce sujet.

J'envisage dès lors de donner aux présidents des comités paritaires les instructions suivantes : dans les comités paritaires où la contestation est possible, il appartient aux partenaires sociaux de clarifier le cas échéant ce point précis de leur convention de travail collective afin que la sécurité juridique puisse être garantie, tant pour les employeurs que pour les travailleurs.

M. le président. ­ L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER VAN GOETHEM AAN DE MINISTER VAN TEWERKSTELLING EN ARBEID OVER « DE 86e INTERNATIONALE ARBEIDSCONFERENTIE »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. VAN GOETHEM AU MINISTRE DE L'EMPLOI ET DU TRAVAIL SUR « LA 86e CONFÉRENCE INTERNATIONALE DU TRAVAIL »

De voorzitter . ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Van Goethem.

Het woord is aan de heer Van Goethem.

De heer Van Goethem (SP). ­ Mijnheer de voorzitter, op 18 juni jongstleden werd de 86e Internationale Arbeidsconferentie te Genève afgesloten met de aanvaarding van een plechtige verklaring over de fundamentele principes en rechten inzake arbeid en de opvolging daarvan.

Velen noemden de conferentie historisch. Het gezag van de Internationale Arbeidsorganisatie op het vlak van de sociale basisrechten werd bevestigd. Waar de Wereldhandelsorganisatie de verantwoordelijkheid heeft over de vrijhandel, heeft de IAO de verantwoordelijkheid over de sociale basisrechten. De internationale gemeenschap heeft dit met een slotverklaring uitdrukkelijk bevestigd. Het is de taak van de IAO om de positieve gevolgen van de vrijhandel ook te vertalen in een sociale herverdeling. Bovendien werd het principe aanvaard dat de lidstaten van de IAO de algemene principes van de sociale basisrechten dienen te respecteren onafgezien de ratificatie.

Graag had ik van de minister vernomen hoe ze de afloop van de 86e Internationale Arbeidsconferentie evalueert. Verder had ik ook nog enkele vragen over een aantal punctuele punten.

De Conferentie aanvaardde ook om jaarlijks een algemeen rapport over de sociale basisrechten uit te brengen. Dit rapport zou de naleving ervan in kaart moeten brengen. De ontwikkelingslanden vrezen echter dat een dergelijk rapport tegen hen zal worden gebruikt in de Wereldhandelsorganisatie. Een dergelijk jaarrapport zou echter ook een uitgelezen hefboom zijn voor de promotie van een samenwerkingsbeleid op dit vlak, of van een verdere uitvoering van de verbintenissen die aangegaan werden tijdens de Sociale Top in Kopenhagen in 1995.

Wat is het standpunt van de Belgische regering terzake ? Is de minister voorstander om een dergelijk jaarrapport aan te wenden voor een positieve discriminatie of beloning van de zogenaamde goede leerlingen op sociaal vlak in het Belgisch samenwerkings- of handelsbeleid ?

Zou een dergelijk rapport ook niet de aanleiding bij uitstek zijn om jaarlijks een uitgebreid parlementair debat te houden over deze bevindingen, over de verhoudingen tussen vrijhandel en de sociale basisrechten, en over de Belgische positie in de IAO en de Wereldhandelsorganisatie ?

De Internationale Arbeidsconferentie heeft zich ook gebogen over een nieuwe conventie inzake kinderarbeid. Wat zijn de gemaakte vorderingen terzake ?

Wat is de eventuele rol van niet-gouvernementele organisaties bij de uitwerking van een nieuw instrument voor de strijd tegen de ergste vormen van kinderarbeid ? In deze strijd zou de IAO positief staan tegenover een extraterritoriale benadering. Dit staat ook in een wetsvoorstel dat de heer Vandermaelen heeft ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Blijkt uit de duidelijke positionering van de IAO inzake arbeid en de Wereldhandelsorganisatie inzake vrijhandel niet de noodzaak van een krachtig orgaan op het niveau van de Veiligheidsraad ?

De voorzitter . ­ Het woord is aan minister Smet.

Mevrouw Smet, minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. ­ Mijnheer de voorzitter, de conferentie waarnaar de heer van Goethem verwijst, wordt als historisch bestempeld omdat zij zonder tegenstemmen en met slechts 43 onthoudingen een verklaring van de IAO betreffende de fundamentele arbeidsprincipes en -rechten en de opvolging ervan heeft aangenomen en omdat zij de basis heeft gelegd voor een nieuw verdrag en een nieuwe aanbeveling over de meest extreme vormen van kinderarbeid.

De verklaring bepaalt dat het geheel van de leden, zelfs wanneer zij de verdragen die als fundamenteel worden beschouwd, niet hebben geratificeerd, wegens het loutere feit dat zij lid zijn van de IAO verplicht zijn de principes inzake de fundamentele rechten die het voorwerp uitmaken van de betreffende verdragen, te promoten en te verwezenlijken. De vier principes zijn : de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het collectief overleg; de uitbanning van elke vorm van gedwongen of verplichte arbeid; de daadwerkelijke afschaffing van de kinderarbeid en de uitbanning van de discriminatie inzake tewerkstelling en beroep.

Aan deze verplichting van de lidstaten beantwoordt een verplichting van de IAO om zijn leden te helpen met zijn diensten van technische samenwerking en zijn raadgevende diensten, met zijn bijzondere bijstand en door het creëren van een gunstig klimaat voor de economische en sociale ontwikkeling.

De verklaring onderstreept dat de arbeidsnormen geen commerciële protectionistische doeleinden mogen dienen en dat een eventueel voordeel van een land in generlei mate in twijfel kan worden getrokken alleen door het feit van de verklaring en van zijn opvolging.

Het mechanisme van de opvolging heeft precies tot voorwerp de door de leden geleverde inspanningen om de fundamentele principes en rechten te promoten, aan te moedigen. Het behelst geen bijkomend controlesysteem.

De opvolging wordt verzekerd door twee procedures. De eerste is gebaseerd op de rapporten die jaarlijks moeten worden opgesteld door de leden die de fundamentele verdragen nog niet hebben geratificeerd. De tweede is een globaal rapport opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. Dit jaarlijks rapport zal handelen over één van de vier categorieën van fundamentele rechten. Dit rapport zal aan de conferentie worden voorgelegd. Het zal een stand van zaken geven en het zal eveneens als basis dienen voor een evaluatie van de efficiëntie van de door de IAO verstrekte hulp aan de betrokken lidstaten en om de prioriteiten inzake actie voor de volgende periode van vier jaar te bepalen.

België gaat uiteraard akkoord met deze bepalingen. Overigens werden al deze grondrechten geratificeerd en omgezet in Belgische wetgeving.

In februari 1997 heeft de Ministerraad een reeks beslissingen in de zin van de verklaring goedgekeurd betreffende de naleving van de sociale normen in de internationale betrekkingen. De minister van Financiën en Buitenlandse Handel, de minister van Economie en de minister van Tewerkstelling en Arbeid kregen in dat kader de volgende opdrachten.

In de eerste plaats moeten zij de inspanningen van ons land voortzetten in de internationale fora om de eerbied voor de sociale basisnormen te bevorderen.

Ten tweede moeten zij met het oog op de sensibilisering van de Belgische publieke opinie in een interkabinettenwerkgroep de mogelijke positieve acties onderzoeken die de sociale normen bevorderen, bijvoorbeeld via een sociaal label.

Ten derde moeten zij met de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking de mogelijkheid onderzoeken om de Belgische overheidshulp voor ontwikkeling te koppelen aan de eerbied van de fundamentele sociale normen in de landen waaraan de ontwikkelingshulp werd verstrekt.

Het idee van een debat in het Parlement betreffende de verschillende actievormen van België in het kader van de IAO, is interessant omdat men zich aldus plaatst op het vlak van het beleid van de internationale arbeidsnormen of fundamentele rechten, van andere activiteiten van de IAO of op het vlak van de ontwikkelingssamenwerking. Ik ben voorstander van een dergelijk debat indien hiervoor voldoende belangstelling bestaat.

Zoals de heer Van Goethem weet, wordt de nieuwe conventie inzake de ergste vormen van kinderarbeid volgens de procedure van een dubbele lezing in twee opeenvolgende arbeidsconferenties besproken. Dit jaar werd de ontwerptekst van de conventie voor de eerste maal ter discussie voorgelegd. Deze tekst moet normaal volgend jaar worden goedgekeurd. Een aantal netelige thema's werden naar volgend jaar verschoven wanneer de conventie voor de tweede maal zal worden besproken. Deze thema's zijn : het al dan niet opnemen van de kindsoldaten in de conventie, de rol van de niet-gouvernementele organisaties bij de uitwerking van nationale actieplannen en een eventueel meer krachtige formulering van de verwijzing naar basisonderwijs in de tekst van de conventie. Over deze knelpunten kon geen akkoord worden bereikt tussen de verschillende groepen van landen.

Er dient naar mijn mening een onderscheid te worden gemaakt tussen de betrokkenheid van de NGO's bij de onderhandelingen enerzijds en bij de toepassing van de nieuwe conventies inzake de ergste vormen van kinderarbeid anderzijds. De eigenlijke onderhandelingen over de nieuwe conventietekst verlopen binnen de traditionele tripartitestructuur van de IAO waarvan werknemers, werkgevers en regeringsafgevaardigden deel uitmaken en waarin de NGO's niet rechtstreeks zijn vertegenwoordigd. Onrechtstreeks hebben de NGO's, vooral via de Global March , die ook in de plenaire vergadering is ontvangen, en via het feit dat ze daar voortdurend hebben rondgelopen en iedereen hebben aangesproken, echter wel een impact op de discussie gehad. De rol van de NGO's bij het ontwerpen en het uitvoeren van de nationale actieprogramma's staat nog ter discussie en zal meer dan waarschijnlijk een van de hete hangijzers van de conferentie van volgend jaar worden. In de voorlopige tekst dit jaar in eerste lezing aangenomen, worden de NGO's enkel vermeld in de aanbeveling bij de nationale mechanismen, belast met het toezicht op de uitvoering van de conventie. Vanuit regeringshoek zal echter worden getracht om de NGO's ook te vermelden in de conventie en hen medezeggenschap te geven bij het opzetten van nationale actieprogramma's.

Wat betreft de laatste suggestie ben ik van oordeel dat men het centrum van behandeling van zaken van de IAO niet mag verplaatsen naar een nieuw orgaan op het niveau van de Verenigde Naties. In sociale en normeringsmateries moet de IAO zijn volledige bekwaamheid en zijn prerogatieven behouden en blijven handelen op basis van morele kracht en niet bij wijze van dwang. Het is duidelijk dat het tripartisme ­ en dit is het enige internationale forum waar het tripartisme functioneert ­ dankzij de vele en vruchtbare uitwisselingen die het mogelijk maakt, tot duurzame vooruitgang leidt, soms zelfs tot spectaculaire en onverwachte vooruitgang, met name in het kader van de controlesystemen van de toepassing van de normen en binnenkort in het kader van de opvolging van de verklaring van de IAO betreffende de fundamentele arbeidsprincipes en rechten. De IAO is zich bewust van de impact van zijn werkzaamheden op de werkzaamheden van andere instanties. Het is zeker dat we in de toekomst tot politieke architectuur moeten komen om de problemen op een globale manier te behandelen.

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Van Goethem.

De heer Van Goethem (SP). ­ Mijnheer de voorzitter, ik had graag vernomen of inbreuken gepleegd op de sociale basisrechten extraterritoriaal kunnen worden berecht.

De voorzitter . ­ Het woord is aan minister Smet.

Mevrouw Smet , minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. ­ Mijnheer de voorzitter, in se klopt het dat de IAO niet afkerig staat tegenover een extraterritoriale bestraffing van de ergste vorm van kinderarbeid. Er moeten echter enkele nuances worden aangebracht. De extraterritoriale bestraffing wordt enkel vermeld in de aanbeveling en heeft dan ook slechts een morele draagwijdte. Bovendien wordt dat principe opgesomd in een lange lijst van mogelijke bijkomende maatregelen die landen eventueel kunnen nemen ter bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid.

De voorzitter . ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.