1-203

1-203

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 2 JUILLET 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 2 JULI 1998

(Vervolg-Suite)

WETSVOORSTEL ­ PROPOSITION DE LOI

Inoverwegingneming ­ Prise en consideération

De voorzitter. ­ Aan de orde is thans de bespreking over de inoverwegingneming van het wetsvoorstel van de heer Happart betreffende de vertegenwoordiging van de federale, gemeenschaps- en gewestassemblees in de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad.

Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken, mij daarvan vóór het einde van de vergadering kennis te geven.

Indien intussen van geen bezwaren blijkt wordt het voorstel in overweging genomen en verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

L'ordre du jour appelle la discussion sur la prise en considération de la proposition de loi de M. Happart relative à la représentation des assemblées fédérales, communautaires et régionales au sein du Conseil interparlementaire consultatif de Benelux.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai cette proposition comme prise en considération et envoyée à la commission des Affaires institutionnelles.

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER VANDENBROEKE AAN DE EERSTE MINISTER OVER « HET WEGVALLEN VAN DE VASTE VERDEELSLEUTEL VAN HET VOOR DE GEMEENSCHAPPEN BESTEMD BTW-BEDRAG »

QUESTION ORALE DE M. VANDENBROEKE AU PREMIER MINISTRE SUR « LA SUPPRESSION DE LA CLÉ FIXE DE RÉPARTITION DU MONTANT DE LA TVA AFFECTÉ AUX COMMUNAUTÉS »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke.

Het woord is aan de heer Vandenbroeke.

De heer Vandenbroeke (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, de eerste minister zal het mij niet kwalijk nemen dat gisteren in de Kamer reeds een soortgelijke vraag werd gesteld. Als gemeenschapssenator dacht ik hierop toch te moeten terugkomen.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ De heer Vandenbroeke hoeft zich niet te verontschuldigen. Ik moet hem daarentegen danken voor de bereidwilligheid waarmee hij de behandeling van deze vraag een week liet uitstellen. Daardoor had ik de gelegenheid om aan een belangrijke vergadering in Parijs deel te nemen.

De heer Vandenbroeke (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, tot en met dit jaar wordt het bedrag van de BTW, dat bestemd is voor de gemeenschappen en moet dienen voor de financiering van het onderwijs, forfaitair verdeeld. De financieringswet bepaalt dat 57,55% van dat bedrag aan de Vlaamse Gemeenschap toekomt en 42,45% aan de Franse Gemeenschap. Vanaf volgend jaar vervalt deze vaste verdeelsleutel. In de financieringswet staat letterlijk te lezen : « Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt deze verdeelsleutel aangepast aan de verdeling van het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde objectieve criteria. »

De nieuwe verdeelsleutel zou dus van kracht worden op 1 januari 1999 en reeds worden toegepast voor het schooljaar 1998-1999. Het is dus aangewezen om hem zo vlug mogelijk definitief vast te leggen. Om hun onderwijsbegroting te kunnen opstellen dienen beide gemeenschappen immers te weten welk bedrag aan BTW-gelden zij op hun begroting voor volgend jaar kunnen inschrijven.

Daarom zou ik aan de eerste minister graag enkele concrete vragen stelden.

Kwam dit onderwerp reeds aan bod op de interministeriële conferentie ?

Werd reeds bepaald hoe de verdeling van het aantal leerlingen volgens bij wet vastgestelde objectieve criteria moet worden begrepen ?

Zal de aanpassing van de financieringswet effectief van kracht worden op 1 januari 1999 zodat er bij de aanstaande begrotingsopmaak rekening mee kan worden gehouden ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan de eerste minister.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Mijnheer de voorzitter, omdat de heer Vandenbroeke aanvaard had de behandeling van zijn vraag met een week uit te stellen, werd de primeur terzake weggesnoept door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De bepalingen van de financieringswet die college Vandenbroeke heeft geciteerd, zullen inderdaad worden toegepast.

Beide gemeenschappen hebben mij gevraagd hoe dit probleem zal worden aangepakt. Van mijn kant heb ik hen verzocht mij de nodige cijfers over de leerlingenaantallen ter beschikking te stellen. Deze gegevens werden intussen overgezonden en zullen ter sprake komen bij de bespreking van de begroting, zoals ik ook in de Kamer reeds heb bevestigd.

Op de vraag hoe de bij wet vastgestelde objectieve criteria moeten worden geïnterpreteerd, moet ik het antwoord schuldig blijven. Dit blijft hoe dan ook de hamvraag.

Als ik mijn oor te luisteren leg zowel aan Vlaamse als aan Waalse zijde, dan hoor ik verklaringen die perfect passen in mijn definitie van objectieve criteria, met name criteria die de nagestreefde doeleinden dienen. Aangezien elk van beide gemeenschappen zich tot doel hebben gesteld om meer te ontvangen dan wat ze tot nu toe kregen, zoeken ze naar criteria die hen recht geven op meer. Het zal dus zeer moeilijk zijn gemeenschappelijke objectieve criteria te vinden, tenzij zij exact hetzelfde resultaat opleveren als vandaag. Voor deze moeilijke discussie geeft de wet geen elementen. Zij bepaalt alleen dat men op basis van het aantal leerlingen moet werken. Er kan dan worden gediscussieerd over de vraag of het aantal jongeren van een bepaalde leeftijd automatisch gelijk is aan het aantal leerlingen. Dit zal een van de elementen van de discussie zijn.

Tot slot ga ik ervan uit dat we dit punt zullen oplossen tijdens besprekingen in het kader van het opstellen van de begroting. Ik ben mij er in elk geval van bewust dat de gemeenschappen vóór 1 januari 1999 moeten weten waaraan ze zich te houden hebben bij het opmaken van hun begroting.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een repliek.

De heer Vandenbroeke (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat ik met veel plezier en « sportiviteit » mijn vraag aan de eerste minister heb uitgesteld.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Mijnheer Vandenbroeke, daarom apprecieer ik u meer dan uw fractieleider in de Kamer, die het een schandaal vond dat de vraag werd uitgesteld.

De heer Vandenbroeke (VU). ­ Mijn fractieleider in de Kamer is blijkbaar minder sportief dan ik, mijnheer de premier.

Concreet wil ik hier nog één zaak meegeven. Zoals men wellicht weet, heb ik buiten de politiek nog een ander leven. Ik ben ook verbonden aan de universiteit van Gent en ik weet een en ander over statistiek. Vanuit die achtergrond lijkt het mij heel eenvoudig om objectieve criteria vast te leggen. Neem gewoon alle jongeren van minder dan 18 jaar. Ik begrijp echt niet goed waarom de Franstaligen daar tegen zijn, want rekening houdend met de evolutie van de nataliteit zal dit in de toekomst in hun voordeel spelen. We hebben dan meteen een objectief criterium. Ik kan me voorstellen dat het anders een heel moeilijke discussie wordt.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.