1-178

1-178

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 2 AVRIL 1998

VERGADERING VAN DONDERDAG 2 APRIL 1998

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER GORIS AAN DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING OVER « DE GEPLANDE HERVORMINGEN VAN DE SOCIALE DIENST VAN DE KRIJGSMACHT »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. GORIS AU MINISTRE DE LA DÉFENSE NATIONALE SUR « LES RÉFORMES PROJETÉES DU SERVICE SOCIAL DES FORCES ARMÉES »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Goris aan de minister van Landsverdediging.

Het woord is aan de heer Goris.

De heer Goris (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, naar ik verneem heeft de minister van Landsverdediging de bedoeling om in de nabije toekomst bij de syndicale onderhandelingen, zowel in het Comité sector XIV als in het onderhandelingscomité voor het militair personeel, een ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 januari 1978 tot vaststelling van de taak en tot regeling van de organisatie en de werkwijze van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap.

De minister zou tevens de bedoeling hebben een ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen tot regeling van de overname van het Hulp- en Informatiebureau voor gezinnen van militairen, het HIB, door de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie, de CDCSA, ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap.

Uit die ontwerpen blijkt dat het HIB, een instelling van openbaar nut van categorie A, verdwijnt en wordt opgeslorpt door het CDSCA, een instelling van openbaar nut van categorie B. Oorspronkelijk zou bij de herstructurering in één sociale dienst worden voorzien waarin alle componenten zouden worden geïntegreerd.

Kan de minister aangeven waarom die integratie niet meer wordt overwogen voor de VZW Burgerlijke Sociale Dienst ?

Als wettelijke basis voor de wijzigingen wordt artikel 19 van de wet van 10 april 1973 houdende oprichting van een Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap vooruitgeschoven. Het gaat in deze wet louter om een overgangsbepaling. Deze had alleen tot doel de Koning te machtigen om in 1973 verschillende kleine sociale en culturele organismen aan te wijzen die in aanmerking kwamen om in de CDSCA te worden opgenomen. Het lijkt mij uiterst betwistbaar diezelfde overgangsbepaling uit 1973 te gebruiken om de Koning, via een eenvoudig koninklijk besluit, de mogelijkheid te geven iets te realiseren dat eigenlijk de wetgever toekomt.

Wat is het standpunt van de minister ? Wat is zijn antwoord op het negatief advies van de Inspectie van Financiën ?

Ter verduidelijking wens ik enkele cijfergegevens naar voren te brengen die aan duidelijkheid niets te wensen over laten. Als de minister zijn ideeën ten uitvoer brengt, dan moet de sociale dienst van de krijgsmacht ruim 40 000 militairen een sociale ondersteuning bieden met slechts 20 miljoen frank. De burgerlijke sociale dienst van de krijgsmacht, die slechts voor 3 500 eenheden instaat, zou over ruim 12 miljoen frank beschikken. Deze burgerlijke sociale dienst zal in feite en in rechte bestuurd worden door de vakverenigingen die weinig of geen verantwoording dienen af te leggen. Niettemin zijn de 12 miljoen frank afkomstig van het budget van Landsverdediging, maar zal het Parlement zijn controletaak met betrekking tot deze dienst niet ten volle kunnen uitvoeren. De sociale dienst voor de militairen, die over aanzienlijk minder middelen pro capita beschikt, zal evenwel verplicht blijven de besteding van zijn middelen te verantwoorden, en terecht.

Is het waar dat deze voorbereidingen getroffen worden zonder inspraak van de verantwoordelijken van de generale staf ?

Heeft de minister advies gevraagd aan de Raad van State ? Beseft hij dat bij de minste klacht van de Raad van State het kaartenhuisje dat hij met de vakbonden heeft gebouwd, ineenstort ?

Zou de minister niet beter, volgens de regels van een goed bestuur, een wetswijziging terzake aan het Parlement voorleggen en, zoals aanvankelijk werd bepaald, de verschillende diensten onder één koepel brengen ? Het Parlement zou dan zijn controle over de besteding van de middelen ten volle kunnen uitoefenen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Poncelet.

De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. ­ Mijnheer de voorzitter, ik ben inderdaad van plan om zeer spoedig twee ontwerpen van koninklijk besluit betreffende de CDSCA en het HIB aan de bevoegde instanties te bezorgen met het oog op overleg met de vakbonden.

De doorlichting van de overheidsdiensten is ondertussen ook gebeurd bij de CDSCA en het HIB en heeft geleid tot het voorstel om deze twee organen samen te voegen. De Ministerraad heeft dit reeds goedgekeurd. Er deden zich gelijktijdig trouwens wijzigingen voor in de organisatie en de structuur van het departement Landsverdediging, waarmee de sociale dienst van het departement rekening dient te houden.

Het eerste koninklijk besluit wijzigt dat van 10 januari 1978 tot vaststelling van de taak van en tot regeling van de organisatie en de werkwijze van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van de leden van de militaire gemeenschap of de CDSCA. Dit ontwerp wil de bevoegdheden van de CDSCA uitbreiden door deze dienst ook verantwoordelijk te maken voor de individuele sociale hulp en het hotelwezen.

Het tweede ontwerp van koninklijk besluit regelt de overname van het HIB door de CDSCA. De opdrachten inzake individuele sociale hulp, waarvoor momenteel het HIB bevoegd is, maken voortaan immers deel uit van de opdrachten van de CDSCA.

De overname van de activiteiten van de Burgerlijke Sociale Dienst kan op het ogenblik niet met een koninklijk besluit worden verwezenlijkt, maar vergt vooraf een wijziging van de organieke wet van de CDSCA. Na de nodige wetgevende ingrepen zullen de drie sociale diensten nog slechts één enkele Sociale Dienst van Landsverdediging vormen. Dit was steeds de bedoeling van het departement en dit blijft het ook. Hiertoe zal spoedig een wetsontwerp worden ingediend.

Zoals de heer Goris in zijn vraag om uitleg vermeldt, vormt artikel 19 van de organieke wet op de CDSCA de wettelijke basis voor de overname van het HIB.

De reden waarom het HIB in 1973 en ook later niet door de CDSCA werd overgenomen was niet dat deze operatie technisch niet mogelijk was, want dit kon wel op basis van de organieke wet. Artikel 19 hiervan maakt de overname door de CDSCA mogelijk van alle sociale en culturele diensten die bij het departement van Landsverdediging bestaan en die ressorteren onder de minister van Landsverdediging ongeacht hun publiek of hun privaatrechtelijk statuut. Het HIB is zulk een parastataal orgaan van het type A.

Ik wijs erop dat artikel 19 van de organieke wet op de CDSCA niet kan worden beschouwd als een overgangsbepaling. Het betreft hier een bepaling met een permanent karakter. In de jaren 70 werd herhaaldelijk gebruik gemaakt van die bepaling om enkele organen, zoals VZW's en andere verenigingen, samen te voegen en ze door de pas opgerichte CDSCA te laten overnemen. Het artikel is nog steeds van kracht en kan vandaag opnieuw worden toegepast voor de overname van de activiteiten van het HIB door de CDSCA.

Niemand heeft ooit betwist dat de oprichting van een nieuwe Sociale Dienst van Landsverdediging langs wetgevende weg moet plaatsvinden. De ondernomen actie is van een verschillende aard. Het betreft hier een uitbreiding van het werkterrein van de CDSCA. Een dergelijke uitbreiding moet gebeuren via een koninklijk besluit en vergt geen wijziging van de organieke wet op de CDSCA. De activiteiten van de CDSCA worden krachtens artikel 3, paragraaf 2, van de organieke wet vastgelegd bij koninklijk besluit. Dit koninklijk besluit van 10 januari 1978 wordt nu door de invoering van een ontwerp van koninklijk besluit gewijzigd.

De heer Goris beweert ten onrechte dat de activiteiten van de Burgerlijke Sociale Dienst en de manier waarop hij zijn subsidie besteedt, niet aan controle zijn onderworpen. Er is immers bij die dienst een vertegenwoordiger van de minister aangewezen, die bovendien aan de controle van het Rekenhof is onderworpen.

Er dient te worden opgemerkt dat de verantwoordelijken van de generale staf betrokken werden bij de voorbereidende werkzaamheden die geleid hebben tot het opstellen van de ontwerpteksten. Bovendien zal, zoals gebruikelijk na het volgen van de procedures, in overleg met de vakbonden, het advies aan de afdeling wetgeving bij de Raad van State worden ingewonnen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Goris.

De heer Goris (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord, dat mij echter niet geheel tevreden stelt. Zoals de minister benadrukte zijn hervormingen uiteraard nodig. Het is echter ongepast die via koninklijke besluiten uit te voeren. De minister verwees naar artikel 19 dat destijds werd ingevoegd om binnen de sociale dienst van de krijgsmacht bijkomende VZW's te kunnen opnemen. Dit artikel wordt hier verkeerd gebruikt om de CDSCA te kunnen uitbreiden.

De minister blijft beweren dat hij zoals ik voorstander is van een wettelijke regeling. Ik vraag mij dan ook af waarom een wetsontwerp uitblijft. De minister verklaarde dat er binnenkort een wetsontwerp komt, maar intussen werden reeds via koninklijk besluit ernstige veranderingen gerealiseerd. Sommige betrokkenen zijn daarover heel ongerust en begrijpen niet waarom er geen wettelijke regeling komt.

De minister beweert dat er controle is over de Burgerlijke Sociale Dienst. Hij besteedt hier geen aandacht aan het negatieve advies van de inspecteur van Financiën.

De minister verklaarde ook dat verantwoordelijken van de generale staf bij de voorbereidingen van de hervormingen werden betrokken. Ik moet niet noodzakelijk namen hebben maar zou graag weten welke functies het stafpersoneel had dat op de hoogte was van deze hervorming.

Dat de burgerlijke dienst die bestaat uit 3 500 man over 12 miljoen beschikt, is geheel buiten proportie tegenover de 20 miljoen voor de 40 000 militairen die in het oude systeem blijven.

De minister heeft zich in de doeken laten doen door de vakverenigingen en bewijst het militaire personeel en de krijgsmacht helemaal geen dienst. Ik kijk uit naar een wetsontwerp waarmee hij de verschillende sociale diensten van het leger eindelijk, zoals het betaamt, onder één koepel zal brengen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Poncelet.

De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. ­ Mijnheer de voorzitter, ik wacht op het advies van de Raad van State vooraleer verdere informatie te verstrekken.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

Mevrouw Sémer treedt als voorzitter op

(Artikel 16.2 van het reglement)