1-166

1-166

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 19 FÉVRIER 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 19 FEBRUARI 1998

(Vervolg-Suite)

WETSVOORSTEL TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 60 VAN HET WETBOEK VAN REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN

Algemene bespreking

Artikelsgewijze bespreking

PROPOSITION DE LOI MODIFIANT L'ARTICLE 60 DU CODE DES DROITS D'ENREGISTREMENT, D'HYPOTHÈQUE ET DE GREFFE

Discussion générale

Discussion des articles

De voorzitter. ­ We vatten de bespreking aan van het wetsvoorstel.

Nous abordons l'examen de la proposition de loi.

Overeenkomstig het reglement geldt de door de commissie aangenomen tekst als basis voor de bespreking. (Zie document nr. 290/4 van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden van de Senaat. Zitting 1997-1998.)

Conformément à notre règlement, le texte adopté par la commission servira de base à notre discussion. (Voir document nº 290/4 de la commission des Finances et des Affaires économiques du Sénat. Session 1997-1998.)

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

Het woord is aan de rapporteur.

De heer D'Hooghe (CVP), rapporteur. ­ Mijnheer de voorzitter, de commissie heeft het voorstel van de heer Philippe Charlier gedurende een half jaar in beraad gehouden om uiteindelijk te oordelen dat een wijziging van de artikelen 55, 60, 611 en 612 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten noodzakelijk is.

Dat wetboek organiseert in artikel 44 de heffing van een recht van 12,5% op de overdracht van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen onder bezwarende titel. Een hele reeks zogenaamde behartenswaardige gevallen geven aanleiding tot een verlaagd tarief van 6%. Dit geldt onder meer voor de verkoop van kleine landeigendommen en bescheiden woningen. Daaraan worden echter een aantal voorwaarden verbonden. Het moet gaan om de enige gezinswoning, waarvan het kadastraal inkomen lager is dan 30 000 frank, een bedrag dat in een koninklijk besluit is vastgelegd. Tot 1989 gold er bovendien een inschrijvingsplicht in de betrokken gemeente. De indiener wil die inschrijvingsplicht weer invoeren. Hij hoopt dat die maatregel tot een daling van de aankoopprijzen van woningen in bepaalde grensgebieden zal leiden. De administratie van Financiën betwijfelt of dit inderdaad het geval zal zijn.

Volgens de regering is er geen reden tot ongerustheid over de verenigbaarheid van het voorstel met het Europese principe van vrij verkeer van personen. Zowel Belgen als niet-Belgen kunnen immers gebruik maken van de maatregelen van het voorstel. Het voorstel kan als onrechtvaardig aangevoeld worden door personen die er nooit gebruik van zullen maken, omdat ze zich niet kunnen inschrijven in de bedoelde gemeenten. Maar ook deze beperking geldt voor iedereen in gelijke mate. De budgettaire impact van de maatregel is niet op voorhand in te schatten. De houding van buitenlandse kopers, bijvoorbeeld, zal steeds onbekend zijn.

De regering achtte het nodig amendementen in te dienen om de omkadering van het wetsvoorstel uit te breiden. Ze stelde voor een aantal andere artikelen van hetzelfde wetboek aan de nieuwe voorwaarden aan te passen, teneinde die uitvoerbaar, controleerbaar en sanctioneerbaar te maken. Ze vond het bovendien aangewezen niet de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand als criterium te gebruiken, maar wel de inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister. In deze registers zijn immers de personen ingeschreven die hun hoofdverblijfplaats hebben in een bepaalde gemeente. Dit vergemakkelijkt de controle.

Alle regeringsamendementen en het aldus gewijzigde voorstel werden door de acht aanwezige commissieleden eenparig aangenomen. De voltallige commissie schaarde zich ook achter het verslag. (Applaus.)

M. le président . ­ La parole est à M. Philippe Charlier.

M. Ph. Charlier (PSC). ­ Monsieur le président, je voudrais tout d'abord remercier le rapporteur, M. D'Hooghe, qui, bien que fort sollicité, a trouvé le temps de nous présenter un rapport brillant.

L'acquisition d'une habitation représente pour un ménage un investissement très important. Outre le prix d'acquisition en tant que tel, et l'emprunt que cela peut nécessiter, le futur propriétaire doit encore payer les droits d'enregistrement et les frais de notaire qui font parfois augmenter l'addition à un point tel que le ménage décide d'abandonner son projet et continue à louer un appartement ou une maison. Mais le Belge a toujours estimé que le fait d'être propriétaire de son habitation était un signe de stabilité et de sécurité matérielle.

Afin de rendre l'acquisition d'une maison plus accessible aux ménages à revenus modestes, le législateur a baissé les droits d'enregistrement à 6% en cas d'achat d'une habitation modeste. Cette réduction n'était accordée que moyennant le respect d'une série de conditions parmi lesquelles le fait de ne pas être propriétaire d'un immeuble en Belgique et d'acquérir une habitation dont le revenu cadastral est inférieur ou égal à 30 000 francs. Il fallait également habiter le bien pendant une durée de trois ans, occupation qui devait avoir commencé dans les cinq années suivant la passation de l'acte authentique d'acquisition.

Mais le législateur, estimant que cette condition d'occupation posait des problèmes de contrôle, l'a supprimée dans la loi du 22 décembre 1989 portant des dispositions fiscales. Il n'avait, à l'époque, pas prévu l'effet pervers d'une telle mesure. Il s'est, en effet, avéré que dans certaines régions caractérisées par des revenus cadastraux souvent inférieurs ou égaux à 30 000 francs, comme c'est le cas dans les Ardennes par exemple, cette diminution de droits d'enregistrement a largement bénéficié aux étrangers acquérant une seconde résidence en Belgique. Des personnes propriétaires d'un ou plusieurs immeubles dans leur pays pouvaient ainsi bénéficier d'une diminution des droits d'enregistrement dont l'objet social est indiscutable.

Nous nous trouvions donc face à une mesure coûtant de l'argent au Trésor et profitant, dans une certaine mesure, à des ménages dont les revenus ne justifiaient aucunement l'octroi d'un tel avantage. S'il est vrai qu'il était déjà possible qu'un étranger disposant de fonds importants et désirant acheter une seconde résidence en Belgique pouvait bénéficier de cette mesure avant la réforme de 1989, il avait néanmoins l'obligation d'habiter trois ans en Belgique. La suppression de cette obligation a eu pour effet de faire augmenter les prix des maisons à revenu cadastral modeste dans certaines régions à la suite de l'augmentation de la demande. L'acquisition d'une maison était donc devenue plus chère pour les ménages à revenus modestes et habitant réellement en Belgique.

Conscient du problème, il m'a semblé utile de réintroduire une obligation d'habitation effective à l'octroi d'une réduction des droits d'enregistrement. L'acquéreur, ou son conjoint, doit dorénavant s'inscrire au registre de la population ou des étrangers à l'adresse de l'immeuble acquis. Cette inscription doit prendre cours dans un délai de trois ans après la passation de l'acte authentique d'acquisition et être maintenue pendant une durée ininterrompue de trois années, sous peine de la perte de la réduction et du versement à l'administration fiscale d'un droit complémentaire et d'un accroissement. Cette inscription permet non seulement de contrôler l'obligation d'habitation mais aussi de ne pas exclure les étrangers habitant en Belgique du régime propre aux habitations modestes.

Mon initiative a été dictée par le souci de faire correspondre une mesure sociale à la réalité telle qu'observée au niveau de l'acquisition d'immeubles à revenu cadastral modeste. Il est en effet indispensable d'être vigilant quant à la portée réelle de telles mesures, du fait qu'elles représentent un coût pour le Trésor belge. Les travaux en commission des Finances et des Affaires économiques ont également été dans ce sens.

Je tiens à remercier le président et les membres de cette commission ainsi que le ministre des Finances pour leur collaboration efficace.

M. le président. ­ Plus personne ne demandant la parole, la discussion générale est close et nous passons à l'examen des articles.

Daar niemand meer het woord vraagt, is de algemene bespreking gesloten en vatten we de artikelsgewijze bespreking aan.

Artikel één luidt :

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Article premier. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.

­ Aangenomen.

Adopté.

Art. 2. Aan artikel 55, eerste lid, 2º, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij artikel 147 van de wet van 22 december 1989, wordt een d) toegevoegd, luidende :

« d) in geval van toepassing van artikel 53, 2º, dat de verkrijger of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed zal bekomen. »

Art. 2. À l'article 55, alinéa 1er , 2º, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, remplacé par l'article 147 de la loi du 22 décembre 1989, il est inséré un d) , rédigé comme suit :

« d) en cas d'application de l'article 53, 2º, que l'acquéreur ou son conjoint obtiendra son inscription dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers à l'adresse de l'immeuble acquis. »

­ Aangenomen.

Adopté.

Art. 3. In artikel 60 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de artikelen 1 van de wet van 27 februari 1978, 39 van de wet van 19 juli 1979 en 149 van de wet van 22 december 1989, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :

« Het voordeel van de in artikel 53, 2º, bedoelde vermindering blijft alleen dan behouden zo de verkrijger of zijn echtgenoot ingeschreven is in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed. Deze inschrijving moet geschieden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van verkrijging en tenminste drie jaar zonder onderbreking behouden blijven. »

Art. 3. À l'article 60 du même Code, modifié par les articles 1er de la loi du 27 février 1978, 39 de la loi du 19 juillet 1979 et 149 de la loi du 22 décembre 1989, l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :

« Le bénéfice de la réduction visée à l'article 53, 2º, n'est maintenu que si l'acquéreur ou son conjoint est inscrit à l'adresse de l'immeuble acquis dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers. Cette inscription doit se faire dans un délai de trois ans prenant cours à la date de l'acte authentique d'acquisition et être maintenue pendant une durée ininterrompue de trois ans au moins. »

­ Aangenomen.

Adopté.

Art. 4. Artikel 611 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 40 van de wet van 19 juli 1979 en gewijzigd bij artikel 150 van de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Indien de vermindering vervalt bij gebreke van exploitatie binnen de termijn en gedurende de tijd bepaald in artikel 60, eerste lid, is de verkrijger, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering verschuldigd.

Indien de vermindering vervalt bij gebreke van inschrijving binnen de termijn en gedurende de tijd bepaald in artikel 60, tweede lid, is de verkrijger, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering verschuldigd.

De minister van Financiën kan evenwel van die vermeerdering geheel of gedeeltelijk afzien. »

Art. 4. L'article 611 du même Code, remplacé par l'article 40 de la loi du 19 juillet 1979, modifié par l'article 150 de la loi du 22 décembre 1989, est remplacé par la disposition suivante :

« En cas de perte de la réduction pour défaut d'exploitation dans le délai et pendant la durée prévus à l'article 60, alinéa 1er , il est dû par l'acquéreur outre le droit complémentaire, un accroissement égal à ce montant.

En cas de perte de la réduction pour défaut d'inscription dans le délai et pendant la durée prévus à l'article 60, alinéa 2, il est dû par l'acquéreur outre le droit complémentaire, un accroissement égal à ce montant.

Le ministre des Finances peut toutefois accorder remise totale ou partielle de cet accroissement. »

­ Aangenomen.

Adopté.

Art. 5 In artikel 612 , ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 26 juli 1952 en gewijzigd bij de artikelen 47 van de wet van 25 juni 1956, 72, 1º, van de wet van 12 juli 1976 en 62, 1º, van de wet van 10 januari 1978 worden de woorden « van de artikelen 60 en 611 » vervangen door de woorden « van de artikelen 60, eerste lid, en 611 , eerste lid ».

Art. 5. À l'article 612 , inséré par l'article 4 de la loi du 26 juillet 1952, modifié par les articles 47 de la loi du 25 juin 1956, 72, 1º, de la loi du 12 juillet 1976 et 62, 1º, de la loi du 10 janvier 1978, les mots « des articles 60 et 611 » sont remplacés par les mots « des articles 60, alinéa 1er , et 611 , alinéa 1er ».

­ Aangenomen.

Adopté.

M. le président. ­ La commission propose un nouvel intitulé ainsi rédigé: proposition de loi modifiant les articles 55, 60, 611 et 612 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.

De commissie stelt volgend nieuw opschrift voor: wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 55, 60, 611 en 622 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Ce texte rencontre-t-il l'accord de l'assemblée ?

Is de Senaat het met die tekst eens ? (Instemming.)

Le nouvel intitulé est approuvé.

Het nieuw opschrift is goedgekeurd.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de loi.

We stemmen later over het geheel van het wetsvoorstel.