1-139 | 1-139 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 13 NOVEMBRE 1997 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 13 NOVEMBER 1997 |
De voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel.
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, mijn vraag heeft betrekking op een materie waarvoor zowel de federale als de gemeenschapsoverheden bevoegd zijn, namelijk het niet-opnemen van studiebeurzen in het secundair onderwijs, zowel in Wallonië als in Vlaanderen.
Alle informatiecampagnes ten spijt laten ongeveer een kwart van de gerechtigden de studietoelagen onbenut. Bovendien blijkt het vooral om de sociaal zwakkere en minst gegoede gezinnen te gaan.
Het zou wellicht efficiënter zijn om de fiscale administratie te belasten met een meldingsplicht eerder dan studietoelagen te laten aanvragen. Zodoende zouden de gemeenschapsadministraties, bevoegd voor de uitbetaling van de studiebeurzen, de lijsten van rechthebbenden onmiddellijk van de fiscale administratie kunnen ontvangen.
Is de vice-eerste minister het ermee eens dat het probleem van de « non-take up » dringend moet worden verholpen ?
Is hij het ermee eens dat meldingsplicht voor de fiscale administratie de daartoe aangewezen methode is ?
Zou het mogelijk zijn over deze complexe problematiek in overleg te treden met de gemeenschappen ?
De voorzitter. Het woord is aan vice-eerste minister Maystadt.
De heer Maystadt, vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. Mijnheer de voorzitter, om voor de toekenning van een studietoelage in aanmerking te komen, moet een aanvraag worden ingediend. Alleen wanneer de diensten bevoegd voor de uitkering van de studietoelagen, met het oog op het onderzoeken van de aanvraag, informatie inwinnen bij de administratie der Directe Belastingen, is deze laatste ontheven van het beroepsgeheim ingesteld bij artikel 337 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van 1992. Met toepassing van de vigerende wettelijke bepalingen kan bijgevolg niet worden ingegaan op de suggesties van de vraagsteller.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een repliek.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, hoewel ik weet dat deze problemen gevoelig liggen omdat ze te paard zitten op zowel federale als gemeenschapsbevoegdheden, had ik toch gehoopt dat de fenomenale omvang van de niet-opname de vice-eerste minister tot enige bezinning zou hebben aangezet. Met de invoering van een meldingsplicht voor de fiscale administratie, wordt enkel en alleen een administratieve procedure omgekeerd, wat niet noodzakelijk een aanslag dient te vormen op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het antwoord van de vice-eerste minister heeft me dan ook ontgoocheld.
De heer Maystadt, vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse handel Mijnheer de voorzitter, ik kan het geachte lid enkel suggereren om terzake een wetsvoorstel in te dienen.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.