1-1049/3

1-1049/3

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

7 JULI 1998


Wetsontwerp houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp houdende omzetting in Belgisch gerechtelijk recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE HEER GORIS


De commissie voor de Justitie heeft deze ontwerpen besproken tijdens haar vergaderingen van 7 juli 1998.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De wetsontwerpen strekken ertoe richtlijn 96/9/EG van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken in de Belgische rechtsorde om te zetten.

Die richtlijn heeft tot doel de uiteenlopende nationale wetgevingen inzake rechtsbescherming van databanken met elkaar in overeenstemming te brengen.

Aangezien de richtlijn ertoe strekt de databanken voldoende bescherming te bieden om de vergoeding van de auteur en de producent van de databank te verzekeren, is deze richtlijn een belangrijke maatregel voor de invoering van een regelgevend kader inzake de informatiemaatschappij op Europees niveau.

De harmonisatie van de rechtsbescherming van databanken berust op twee verschillende rechten.

Enerzijds harmoniseert de richtlijn een aantal regels betreffende het auteursrecht die van toepassing zijn op de databanken. Dat recht wil de creativiteit van de auteurs van databanken beschermen.

Anderzijds voert de richtlijn een nieuw recht in dat verschilt van het auteursrecht. Dat recht, dat betrekking heeft op de gehele inhoud van een databank of op een belangrijk deel ervan, heeft tot doel de investering te beschermen die door de producenten van databanken is gedaan voor het verkrijgen, de controle of het voorstellen van de inhoud van databank.

I. Bestaansreden van het recht van de producenten van databanken

De toekenning van een specifieke bescherming aan de producenten van databanken kan worden verklaard door de kenmerken en de kwetsbare plekken van de informatiemarkt.

Enerzijds vereisen het realiseren en het commercialiseren van een databank aanzienlijke investeringen. Immers, de productie van een databank houdt in dat gegevens worden verzameld, geselecteerd en verwerkt, dat instrumenten worden aangemaakt om gegevens op te sporen en dat de inhoud van de databank wordt bijgewerkt.

De Europese Commissie heeft in haar actieplan voor de oprichting van een markt voor informatiediensten vastgesteld dat niet meer dan de helft van de operatoren op de elektronische informatiemarkt winstgevende activiteiten verricht (mededeling van de commissie aan de Raad en aan het Europees Parlement betreffende het Impact-programma, Brussel, 2 september 1992, afdeling (92) 1536 definitief).

Voorts is de rechtsbescherming van databanken thans op bepaalde vlakken zwak.

De bescherming van databanken door het auteursrecht is op tweeërlei wijze begrensd. Enerzijds wordt het originaliteitscriterium beoordeeld aan de hand van de keuze of de rangschikking van de materie. Het belang van een elektronische databank bestaat evenwel juist erin dat zij met betrekking tot een bepaald onderwerp exhaustief is. In dat geval kan moeilijk worden gesteld dat de keuze van de gegevens origineel is. Ingeval wordt vastgesteld dat een databank origineel is, heeft anderzijds de bescherming door het auteursrecht alleen betrekking op de originele structuren van de databank.

Het recht inzake oneerlijke concurrentie voorziet niet in een gepaste rechtsbescherming. Hoewel het kader van deze theorie niet duidelijk is vastgesteld, lijkt het dat zij slechts van toepassing is op concurrerende producenten. Voornoemd recht regelt alleen horizontale betrekkingen en kan derhalve niet worden ingeroepen door een producent van databanken tegen gebruikers die geen concurrent zijn en die de inhoud van de databank voor persoonlijk gebruik reproduceren. De theorie van de parasitaire concurrentie verleent aan de producenten van databanken alleen het recht om a posteriori aan de hoven en rechtbanken te vragen dat zij een concurrent bevelen de opvraging of het hergebruik van gegevens die een parasitaire handeling vormen, stop te zetten.

II. Evenwicht tussen de belangen

Het ontwerp van wet is er tevens op gericht een evenwicht tot stand te brengen tussen de rechten van de producenten van gegevensbanken en het algemeen openbaar belang, inzonderheid op het vlak van het onderwijs, het onderzoek en de toegang tot de gegevens.

Het evenwicht waarin deze wet beoogt te voorzien, bestaat erin uitzonderingen vast te stellen ten behoeve van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een dwingend karakter te verlenen aan deze uitzonderingen en compensatie te bieden door een recht op vergoeding.

III. Wijze van omzetting

Om de Europese richtlijn in Belgisch recht om te zetten is voor een distributieve methode gekozen. De bepalingen betreffende het auteursrecht worden geïntegreerd in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en de bepalingen inzake het recht van de producenten van databanken worden omgezet door middel van een afzonderlijke wet.

II. ALGEMENE BESPREKING

Verscheidene commissieleden onderstrepen het belang van de afbakening van het toepassingsgebied van voorliggende wetsontwerpen ten opzichte van het toepassingsgebied van de wet op het auteursrecht. De bestaansreden van een specifieke behandeling van de rechtsbescherming van databanken moet nader worden verklaard.

De minister wijst erop dat het auteursrecht ontoereikend is, vooral wanneer het gaat om de bescherming van databanken die geen originele structuur gebruiken en zich niet kunnen beroepen op een originele inhoud.

Bij databanken is het criterium van de oorspronkelijkheid, dat met het auteursrecht beschermd kan worden, niet altijd voorhanden. Daarom heeft men een recht sui generis moeten invoeren, dat los staat van het auteursrecht.

Een lid merkt op dat de woorden « banque de données » en « base de données » door elkaar worden gebruikt. Beogen zij wel degelijk hetzelfde ?

De minister antwoordt bevestigend. De term « base de données » is een verfransing van het Engelse woord « database ».

Een lid vraagt of iemand die een databank wenst te beschermen ook bepaalde formaliteiten dient te vervullen, bijvoorbeeld het afleggen van een verklaring, opdat deze bescherming zou kunnen worden tegenworpen aan derden.

De minister antwoordt ontkennend. Het huidig systeem van het auteursrecht werd gewoon overgenomen. Er bestaat dus geen formaliteit als het Amerikaanse copyright.

Noch de registratie, noch de neerlegging van de databank is vereist.

Een lid verwijst naar de definitie van het begrip « producent van een databank » (cf. Stuk Senaat, nr. 1-1049/1, artikel 2, 5º), die zowel voor een natuurlijke persoon als voor een rechtspersoon geldt. De producent van een databank heeft het recht de opvraging en/of het hergebruik van het geheel of van een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van zijn databank te verbieden (art. 4 van het wetsontwerp ­ Stuk Senaat, nr. 1-1049/1). Een databank, die een intellectueel scheppend werk vertegenwoordigt, kan ook worden samengesteld voor rekening van een vennootschap. Wie wordt er in dat geval beschouwd als de producent en wie kan zich verzetten tegen de opvraging of het gebruik van de databank ? Geldt de bescherming voor de vennootschap-werkgever, voor de auteur, of voor de beide partijen ?

Bestaat er op dat punt een onderscheid tussen het auteursrecht en het producentenrecht ?

De minister antwoordt dat de producent en de auteur verschillende rechten genieten. Zowel de auteur, die eventueel een arbeidsovereenkomst met de producent heeft gesloten, als de producent zelf worden beschermd. Hun onderlinge betrekkingen worden geregeld in het ontwerpartikel 19, dat in de wet van 30 juni 1994 een artikel 20ter invoegt.

Een lid wijst erop dat men dus een onderscheid dient te maken tussen wat in de culturele sector onder het auteursrecht stricto sensu valt en het ontwerprecht in een commerciële sector.

Een lid vraagt waarom de duur van het recht van producenten bepaald is op 15 jaar (art. 6 van het ontwerp ­ Stuk Senaat, nr. 1-1049/1).

De minister verduidelijkt dat de bepaling betreffende deze duur, zoals de meeste inhoudelijke artikelen van deze ontwerpen, werd overgenomen uit de richtlijn.

Een lid merkt op dat een databank origineel kan zijn en daardoor beschermd kan worden door het auteursrecht. Indien de databank daarentegen geen echte intellectuele schepping is en oorspronkelijkheid mist in de zin van het auteursrecht, zal ze door de voorliggende ontwerpen beschermd worden.

Het auteursrecht vereist het criterium van de oorspronkelijkheid terwijl de voorliggende ontwerpen bepalen dat het moet gaan om een of andere vorm van samenvoeging of ordening.

Een ander lid haalt het voorbeeld van de telefoongids aan. Wordt de alfabetische indeling beschermd ?

De minister antwoordt bevestigend. Het verzamelen van de namen en de adressen, ze sorteren, nakijken en in een alfabetische volgorde plaatsen, vertegenwoordigt een immens werk dat niet beschermd wordt door het auteursrecht maar wel door het producentenrecht. Hij haalt eveneens het voorbeeld aan van een alfabetisch geordende juridische databank, die geen enkele originaliteit vertoont.

Een lid vraagt of de telefoongids herdrukt mag worden en gebruikt voor commerciële doeleinden. Mag men bij voorbeeld een commerciële mailing doen naar de verwarmingstechnici door gebruik te maken van de gegevens van de telefoongids ?

De minister verwijst naar de toepassing van artikel 4, tweede lid, van het ontwerp (Stuk Senaat, nr. 1-1049/1). Herhaald en systematisch opvragen en/of hergebruiken van niet-substantiële delen van de inhoud van de databank zijn niet toegestaan indien zij strijdig zijn met een normale exploitatie van de databank of indien zij ongerechtvaardigde schade toebrengen aan de rechtmatige belangen van de producent van de databank.

Een lid stipt aan dat laatstejaarsstudenten vaak beroep doen op databanken. Heeft voorliggend ontwerp enig incident op dat vlak ? Ook het wetenschappelijk onderzoek in het algemeen zou kunnen worden geschaad door de bescherming van de databanken en de verplichting tot het betalen van een vergoeding voor het consulteren van deze databanken.

De minister verwijst naar de mogelijke uitzonderingen (zie artikel 7, 2º, en de artikelen 20 en 21, Stuk Senaat, nr. 1-1049/1), bepaald in de wet. Hiertoe behoren het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.

Een lid merkt op dat de minister in zijn inleidende uiteenzetting in de Kamer gewag heeft gemaakt van het onderwijs, het wetenschappellijk onderzoek en de openbare uitlening. De openbare uitlening komt evenwel niet meer voor bij de uitzonderingen bepaald door de artikelen 20 en 21 (Stuk Senaat, nr. 1-1049).

Spreker merkt op dat de definitie van het hergebruik in artikel 2 (Stuk Senaat, nr. 1-1049) de openbare uitlening uitsluit. Moet men aannemen dat deze uitsluiting in artikel 2 tot gevolg heeft dat de openbare uitlening niet voorkomt in de omschrijving van de artikelen 20 en 21 (Stuk Senaat, nr. 1-1049) ?

Bij de uitzonderingen bepaald in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn wordt melding gemaakt van het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Een derde uitzondering in de richtlijn verwijst naar de nationale wetgeving.

De minister merkt op dat men rekening moet houden met verschillende elementen. Artikel 2 (Stuk Senaat, nr. 1-1049) omschrijft het recht van opvraging en het recht van hergebruik. Overeenkomstig de Europese richtlijn valt de openbare uitlening niet onder het recht van opvraging en het recht van hergebruik. Dat geldt natuurlijk alleen ten aanzien van het recht van de producenten van databanken en men kan deze uitsluiting niet verruimen tot het auteursrecht.

Wat de auteursrecht betreft, is voorzien in een specifieke uitzondering voor de databanken die openbaar uitgeleend worden. Aldus wordt het toepassingsgebied van artikel 23 verruimd tot de databanken en de fotografische werken. Er zijn dus maatregelen genomen om de openbare bibliotheken in staat te stellen deze werken uit te lenen aan het publiek.

Een lid wenst een verheldering over de artikelen 7 en 8 van het ontwerp (Stuk Senaat, nr. 1-1049/1). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de substantiële delen en de niet-substantiële delen van de inhoud. Welke zijn de criteria hiervoor ? Wat wordt als substantieel beschouwd en wat niet ?

Een tweede vraag betreft het feit dat artikel 7 bepaalt dat de rechtmatige gebruiker die substantiële delen zonder de toestemming van de producent kan opvragen voor privé-gebruik, ter illustratie bij het onderwijs en om de openbare veiligheid te waarborgen, of om in een administratieve of gerechtelijke procedure aan te wenden. Artikel 8 handelt over niet-substantiële delen van de inhoud en bepaalt dat de producent van een databank de rechtmatige gebruiker niet kan beletten niet-substantiële delen op te vragen en/of te hergebruiken. De rechtmatige gebruiker kan dus ook niet-substantiële delen opvragen of gebruiken. Waarom maakt men dan een onderscheid tussen substantiële en niet-substantiële delen vermits er toch een vrijheid van gebruik bestaat ? Men kan het opvragen of het hergebruiken in ieder geval niet verbieden.

De minister verduidelijkt dat de artikelen 7 en 8 een letterlijke overname zijn van de bepalingen van de Europese richtlijnen (artikelen 8 en 9).

Hierin worden de criteria « substantieel » en « niet-substantieel » gehanteerd. Het gaat om relatieve begrippen die geval per geval beoordeeld worden, hetzij door de partijen in het kader van de onderhandeling over een contract, hetzij voor de hoven en rechtbanken. Het gebruik van de criteria « substantieel » en « niet-substantieel » had als bedoeling de toegankelijkheid van de informatie zo ruim mogelijk te maken.

In de voorgaande voorstellen van richtlijn had het recht van de producent van de databank betrekking op de gehele databank of op een deel ervan. De Lid-Staten waren van mening dat deze bepaling de producenten een te grote bescherming verschafte. Het criterium van het substantieel deel is ingevoerd om deze bescherming te beperken (zie artikel 7, 1, van de richtlijn). Zo ontsnapt het niet-substantiële deel aan de controle van de producent van een databank.

Het criterium dat in aanmerking wordt genomen om te oordelen of het al dan niet om een substantieel deel gaat, is gebaseerd op de schade die berokkend wordt aan de investering van de producent van databanken. Indien hergebruik of opvraging van een deel van de databank schade berokkent aan de investering van de producent, wordt dat deel als substantieel beschouwd.

Een lid stelt vervolgens een vraag over artikel 6 van het ontwerp (Stuk Senaat, nr. 1-1049/1) waarin bepaald wordt dat het recht van de producenten van databanken ingaat vanaf het tijdstip waarop de fabricage van de databank voltooid is. Hoe kan men de datum van voltooiing van de fabricage kennen en vaststellen ? Stemt deze datum overeen met de datum waarop de gegevens ter beschikking worden gesteld van het publiek ? Het komt hem voor dat deze bepaling niet duidelijk genoeg is.

De minister verklaart dat het ontwerp geen specifieke regel bepaalt. Het gemene recht is ter zake van toepassing. Een uiterst voorzichtige producent zou het werk kunnen laten registreren om het een vaste dagtekening te geven. De datum van voltooiing valt niet noodzakelijk samen met de datum waarop de de gegevens ter beschikking worden gesteld van het publiek.

De minister verwijst voor het overige naar het laatste lid van dat artikel, dat de bewijslast voor de datum van voltooiing oplegt aan de producent.

Tenslotte vestigt een lid de aandacht op de wijziging van artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 (Stuk Senaat, nr. 1-1049/1, artikel 24).

Aldus wordt bepaald dat de commissie niet meer wordt voorgezeten door een magistraat, maar wel door een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht. Welk is de ratio legis van deze overheveling van bevoegdheid van de rechterlijke naar de uitvoerende macht ? Bovendien kan de minister weigeren de Koning voor te stellen een beslissing bindend te maken.

In het licht van de waarborg van onpartijdigheid pleit spreker eerder voor het behoud van een commissie met een magistraat aan het hoofd.

Huidig artikel 42 in fine van de auteurswet van 30 juni 1994 bepaalt dat de beslissingen van de commissie, vandaag voorgezeten door een magistraat, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en bovendien bij koninklijk besluit bindend verklaard worden ten aanzien van derden. Het zijn dus niet louter arbitragebeslissingen, maar zij hebben een bindende waarde ten opzichte van derden. Bovendien stelt spreker vast dat de Europese richtlijn nergens gewag maakt van dergelijk artikel. Het komt spreker aldus voor dat de minister deze bevoegdheid via een achterpoort wil naar zich toetrekken.

Het lijkt spreker gevaarlijk de politisering van een beslissing in de wet in te schrijven. Het lijkt hem meer gepast dat de partijen die bij zulk geschil betrokken zijn, beroep kunnen doen op een commissie met een magistraat als voorzitter, waarvan men een grotere neutraliteit mag verwachten.

De minister onderstreept dat het hier niet gaat over de rechtsbescherming van database, maar wel over een technische aanpassing van artikel 42 van de wet van 30 juni 1994. De commissie opgericht in artikel 42 is gelast met de onderhandelingen tussen bepaalde rechthebbenden en schuldeisers over de tarieven van de vergoeding verschuldigd voor het openbaar verspreiden van onder meer geluidswerken, bijvoorbeeld bij kappers of in horecavestigingen. Artikel 42 werd gewijzigd om praktische problemen te vermijden en om tegemoet te komen aan sommige opmerkingen van de magistratuur.

De minister onderstreept dat deze commissie geen gerechtelijke commissie is; het gaat niet om een beroepscommissie die geschillen op een definitieve wijze dient te regelen, zoals de beroepscommissie van de orde van de geneesheren. Het leek dus niet nuttig deze commissie te laten voorzitten door een magistraat, wetend dat de ambtenaren van de administratie van het ministerie van Justitie de nodige onpartijdigheid kunnen betogen.

Betreffende de bevoegdheid van de minister sommige akkoorden te weigeren, werd de bestaande bepaling overgenomen met betrekking tot de paritaire commissie op het vlak van sociaal recht en arbeidsrecht. Indien een akkoord bij voorbeeld te zware strafbedingen inlast, hetgeen indruist tegen de openbare orde volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, moet de minister zulke akkoorden kunnen weigeren. Reeds nu bestaat deze mogelijkheid op basis van de Grondwet.

Bovendien hebben onze magistraten geen proactieve rol in het kader van onderhandelingen. Als de rechter bevoegd is in het kader van een bemiddelingsprocedure (zie arbeidsrecht), dan heeft deze een zuiver neutrale rol. Hij kan enkel het akkoord van de partijen vaststellen en omschrijven in een vonnis. Onze rechters hebben eigenlijk geen enkele opleiding voor een meer actieve rol te spelen in een arbitrage, om de partijen te dwingen tot een akkoord te komen. De huidige versie van het artikel 42 geeft aanleiding tot heel wat problemen op dat vlak.

Daarenboven rees een praktisch probleem door de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gezien de moeilijkheden binnen deze rechtbank, konden er geen magistraten worden aangewezen om deze commissie voor te zitten. De minister onderstreept vervolgens dat de voorgestelde oplossing werd onderschreven door de betrokken partijen.

Daarenboven mag men niet uit het oog verliezen dat de wet van 30 juni 1994 op 1 augustus 1994 in werking is getreden en dat nog geen enkele vergoeding waarvan in artikel 42 sprake is, kon worden geïnd wegens de slechte werking van die commissie. Een van de redenen daarvan is te zoeken bij het voorzitterschap van de commissie. Het laattijdig bijeenroepen van de vergaderingen en andere praktische problemen hebben geleid tot de beslissing om op deze wijze niet langer voort te werken.

Het voorzitterschap is toegewezen aan een vertegenwoordiger van de regering, ook al met het oog op de cohesie. De commissie heeft tot taak de vergoedingen te bepalen die van toepassing zijn op sommige bedrijfssectoren zoals de horeca en het vervoer. Andere bepalingen van de wet van 30 juni 1994 voorzien eveneens in vergoedingen voor reprografie, het fotokopiëren en het kopiëren van geluidswerken en audiovisuele werken.

Deze artikelen machtigen de regering het bedrag van de vergoedingen te bepalen en de wijze waarop ze geïnd worden. Voor die vergoedingen rezen er minder praktische problemen. Over de uitvoeringsbesluiten is met de betrokken kringen langdurig onderhandeld.

Het voorstel tot wijziging van artikel 42 zorgt ervoor dat de minister kan weigeren de Koning voor te stellen een beslissing bindend te verklaren ten aanzien van derden ingeval die beslissing indruist tegen het algemeen belang of kennelijk onwettige bepalingen bevat.

De enige twee beslissingen die de commissie tot op heden genomen heeft, zijn nog steeds niet ten uitvoer gelegd en bevatten bepalingen die kennelijk onwettig zijn.

De eerste beslissing voorziet in een vergoeding die van toepassing is op de horecasector. Er wordt bepaald dat het bedrag van de vergoeding vermenigvuldigd wordt met vijf indien de schuldenaar niet voldoet aan een van de vermelde verplichtingen.

De andere overdreven beslissing bepaalt dat de veiligheidsagenten die tot taak hebben de bijdrage te innen, controles ter plaatse kunnen uitvoeren en de boekhouding van de schuldenaars kunnen inkijken. Privé-bedrijven zouden aldus andere privé-bedrijven intern kunnen controleren.

Een lid kan begrijpen dat praktische redenen en de betrachting van vereenvoudiging leiden tot de wijziging van artikel 42.

Nochtans blijft hij van oordeel dat een aantal belangrijke principes in een rechtstaat in acht moeten worden genomen. Zo dienen bedoelde beslissingen volgens spreker te worden genomen door de magistratuur. Het lijkt hem geen onmogelijke zaak één of twee magistraten te vinden, gespecialiseerd in het auteursrecht om een dergelijke commissie voor te zitten.

Spreker heeft geen bezwaar tegen de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de minister op de commissievergadering, maar blijft ervoor pleiten dat men via de korpschef van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een magistraat aanwijst om deze commissie regelmatig samen te roepen, op een degelijke manier voor te zitten en er de meest neutrale beslissingen te treffen.

De wijziging van de auteurswet heeft daarenboven geen enkel uitstaans met de omzetting van de Europese richtlijn. De wijziging van artikel 42 van de auteurswet zou dan ook moeten gebeuren in een afzonderlijk ontwerp.

De minister onderstreept dat artikel 42 de omzetting is van een vroegere Europese richtlijn die tegen 1 juli 1994 had moeten omgezet zijn. Er moet dus haast gemaakt worden met de tenuitvoerlegging van artikel 42.

Een lid vraagt hoe deze commissie is samengesteld in onze buurlanden.

De minister antwoordt geen gegevens te hebben op rechtsvergelijkend vlak, tenzij voor Frankrijk.

De Belgische wetgeving steunt op de Franse die een paritaire commissie heeft ingesteld, voorgezeten door een lid van de rechterlijke macht. De Franse regeling is in 1985 ten uitvoer gelegd.

III. BESPREKING VAN DE ARTIKELEN

Wetsontwerp houdende omzetting in Belgisch gerechtelijk recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (nr. 1-1050/1)

De artikelen 1 tot en met 4 geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Betreffende artikel 5 preciseert de regering dat een enkele bijkomende bedoeling schuilt achter deze inwerkingtreding op de datum van bekendmaking.

De artikelen 1 tot en met 5, en het wetsontwerp in zijn geheel worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Wetsontwerp houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (nr. 1-1049/1.)

Overeenkomstig artikel 60.3. van het reglement van de Senaat wordt de artikelsgewijze bespreking slechts geopend over artikelen waarop amendementen of subamendementen worden ingediend, alsook over artikelen waarvan de toevoeging bij amendement wordt voorgesteld.

Artikel 24

De heren Goris en Desmedt dienen een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1049/2, amendement nr. 1), dat luidt als volgt :

« Dit artikel schrappen. »

Verantwoording

In de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken wordt nergens een aanpassing in de zin van het voorgestelde artikel 24 voorzien. Deze aanpassing staat m.a.w. los van de omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn.

Een magistraat als voorzitter van de commissie biedt o.i. meer waarborg op neutraliteit voor de betrokken partijen. Wanneer deze taak aan de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht wordt overgelaten kan minstens het vermoeden rijzen dat bepaalde beslissingen door politieke belangen worden beïnvloed.

Zoals blijkt uit de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht hebben de beslissingen genomen door de commissie een grote invloed : zij worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en worden bij koninklijk besluit bindend verklaard t.a.v. derden. Er zijn o.i. geen redenen om de bepalingen van deze wet nu te veranderen.

Het amendement wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Voor beide ontwerpen wordt vertrouwen geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Stephan GORIS. Roger LALLEMAND.