1-37 | 1-37 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 28 MARS 1996 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 28 MAART 1996 |
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Anciaux aan de minister van Buitenlandse Zaken over « de hypocriete houding van de Belgische Regering in verband met het buitenlands beleid rond vrede en ontwapening ».
Je vous propose d'y joindre la question de Mme Lizin, adressée au même ministre et relative à la construction d'une fabrique d'armes au Kenya. (Assentiment.)
Het woord is aan de heer Anciaux voor het stellen van zijn vraag.
De heer Anciaux (VU). Mijnheer de Voorzitter, in januari 1996 heeft de Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel een exportvergunning ondertekend voor de wapenfabriek FN-Herstal voor een contract van 273 miljoen frank, waarmee FN niet enkel burgerlijke gebouwen in Kenia opzet, maar ook een munitiefabriek uitbreidt. Hiermee wordt enerzijds een bedenkelijk regime ondersteund, waarvan tal van internationale waarnemers zeggen dat het zeker geen democratisch regime is, en anderzijds een reeds zeer labiele regio in Afrika verder explosief gemaakt. Kruidvaten zoals die van Ruanda en Burundi worden op deze wijze gestimuleerd.
Naar verluidt zou de beslissing genomen zijn na een gunstig advies van de administratie van Buitenlandse Zaken. Nochtans kan moeilijk ontkend worden dat dit contract haaks staat op het beleid van preventie van gewapende conflicten, dat België en de minister van Buitenlandse Zaken officieel beleiden. Een klein land als België kan niet alle problemen in de wereld oplossen, maar zelf meespelen in de perfide bewapeningspolitiek is echter misdadig.
Was de minister van Buitenlandse Zaken op de hoogte van deze beslissing ? Heeft hij een gunstig advies gegeven ? Welke stappen zal de minister doen om deze beslissing ongedaan te maken ? Wat blijft er nog over van de geloofwaardigheid van de minister wanneer beslissingen boven zijn hoofd worden genomen ? Kan de minister nog zinvol werk verrichten indien zijn beleid wordt doorkruist door dat van een ander regeringslid ? Dient de minister hier geen politieke consequenties aan te verbinden ? Is de minister het ermee eens dat zulke hypocriete houding van de Regering haar alle krediet ontneemt bij de publieke opinie in binnen- en buitenland ?
M. le Président. La parole est à Mme Lizin pour poser sa question.
Mme Lizin (PS). Monsieur le Président, ma question concerne le même sujet mais la tonalité sera quelque peu différente.
Tout d'abord, le ministre peut-il confirmer les informations publiées dans divers journaux à propos des licences d'exportation octroyées pour la construction d'une fabrique d'armes et de munitions à Eldoret, au Kenya ?
En outre, peut-il nous préciser quelle a été à différents moments l'intervention du Gouvernement belge à cet égard ?
Enfin, le ministère des Affaires étrangères considère-t-il cette politique comme compatible le Sénat en a longuement débattu avec celle que nous souhaitons voir menée, sur le plan diplomatique, dans la région des Grands Lacs ?
De Voorzitter. Het woord is aan minister Derycke.
De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. Mijnheer de Voorzitter, om verdere moeilijkheden bij de interpretatie van dit dossier te vermijden, is het nodig uitvoerig de rol van Buitenlandse Zaken bij de procedure voor het afleveren van de wapenuitvoerlicenties toe te lichten.
Ik ben blij dat de Vice-Premier hier aanwezig is en zelf al geantwoord heeft op de vorige vraag zodat het voor iedereen duidelijk wordt dat wij beiden hetzelfde zeggen. Op het einde van het FN-verhaal dreigen we een hele reeks verwijten te moeten incasseren, terwijl de beslissingen werden genomen in tempore non suspecto.
De verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken bij het uitbreiden van de wapenuitvoervergunningen is de voorbije jaren gewijzigd.
Er vallen twee periodes te onderscheiden. Een eerste periode is de periode waarin de « oude wet » van kracht was. Deze periode is overigens uitgelopen op een regeringscrisis. De eerste beslissingen inzake het contract waarvan vandaag sprake, werden gemaakt in die eerste periode. Volgens de oude wet moesten alle aanvragen voor wapenuitvoervergunningen worden voorgelegd aan een interministerieel comité, dat met consensus besliste. In 1988, de periode waarin dit dossier werd ingediend en grotendeels goedgekeurd, zaten in dit comité onder meer vertegenwoordigers van de ministers van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en ook van de minister van Ontwikkelingssamenwerking, de heer André Geens.
U zult het mij niet kwalijk nemen dat ik dit zeg, mijnheer Anciaux.
In 1991 heeft deze besluitvorming tot onenigheid geleid binnen de laatste Regering-Martens. De Volksunie is toen uit de Regering getreden en uiteindelijk is de Regering over dit conflict gevallen.
Een tweede periode begint op 16 maart 1992. Op dat ogenblik was de « wapencompound » van dit contract al grotendeels uitgevoerd en waren wij reeds beland bij de prefase van het civiele deel van het dossier. In 1992 werd het interministerieel comité door een koninklijk besluit afgeschaft en werd er een nieuwe procedure ingevoerd, die de verschillende gevoeligheden betreffende wapendossiers in de twee landsgedeelten weerspiegelt. Voortaan beslist een Nederlandstalige minister over de dossiers uit Vlaanderen en de dossiers uit Brussel die in het Nederlands worden ingeleid. Een Franstalige minister beslist over de dossiers uit Wallonië en de dossiers uit Brussel die in het Frans worden ingeleid.
Op 5 augustus 1991 werd intussen ook een nieuwe wet op de wapenuitvoer goedgekeurd. De artikelen 4 tot en met 8 van die wet leggen criteria vast voor wapenleveringen. Zo mogen wapenleveringen niet strijdig zijn met de belangen van België of met de internationale doelstellingen die België nastreeft. Zij mogen ook niet bijdragen tot het schenden van mensenrechten. De landen van bestemming mogen evenmin in een burgeroorlog verwikkeld zijn of terreurdaden steunen. Op 5 augustus 1991 stond de wapenfabriek in Kenia er eigenlijk al.
Lors de la formation du Gouvernement actuel et conformément à l'arrêté royal du 16 mars 1992, la compétence pour les dossiers francophones a été attribuée à M. Maystadt, Vice-Premier minister, et à moi-même, pour les dossiers néerlandophones.
Bij mijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken heb ik besloten de rol van mijn departement bij het uitreiken van wapenuitvoervergunningen aan te passen aan de wet van 5 augustus 1991 en aan het koninklijk besluit van 16 maart 1992. Ik wilde immers geen verantwoordelijkheid nemen voor zaken waarover ik uiteindelijk niet besliste. Op 8 december 1995 heb ik in overleg met het kabinet van Vice-Eerste minister Maystadt een interne nota verspreid, waarin de rol van de directeur-generaal van de Politiek wordt beperkt tot het opmaken van een feitelijk verslag over de conformiteit van de aanvraag met de criteria van de wet van 5 augustus 1991. Sedertdien spreekt de directeur-generaal van de Politiek zich niet meer uit over de politieke wenselijkheid van de wapenleveringen. Elke verantwoordelijke minister kan bij het behandelen van een dossier dus wel een beroep doen op de directeur-generaal voor het verkrijgen van de nodige basisinformatie, zodat hij met kennis van zaken zijn verantwoordelijkheid ter zake kan nemen. De minister van Buitenlandse Zaken moet zelfs geen advies geven.
Dans le cas qui nous intéresse les deux ou trois directeurs généraux politiques qui se sont succédé ont donc émis un avis favorable à l'adresse des ministres Urbain et Maystadt. J'ai la conviction que ces directeurs-généraux ont agi en leur âme et conscience, sur la base des éléments objectifs dont ils disposaient.
Begin 1996 werd, zoals Vice-Eerste minister Maystadt benadrukte, geen besteding gevraagd, maar wel de borgstelling van de Delcrederedienst voor het laatste onderdeel van het FN-project. Die werd aanvaard. Het ging om het civiele onderdeel vooral administratieve gebouwen van een militair contract gesloten in 1988. De bouw van de fabriek werd grotendeels gerealiseerd in de periode 1988-1994 en in 1992 was FN al volledig betaald.
Dit project was bovendien gekoppeld aan een dossier over de aanvoer van water en elektriciteit in een vrij onherbergzaam gebied. Cynisch gezien, zou men kunnen zeggen dat deze basisdiensten de plaatselijke bevolking nog voordelen kunnen opleveren.
Wat de vragen van de heer Anciaux en mevrouw Lizin betreft of zulke contracten stroken met ons huidig Afrika-beleid, dat gericht is op preventieve diplomatie en het voorkomen van conflicten, kan ik resoluut het volgende antwoorden. Indien een Vlaamse firma mij vandaag een toelating zou vragen met betrekking tot de export van een wapenfabriek naar Afrika, zou ik deze weigeren. In dit verband vestig ik er overigens de aandacht op dat ik in de hoedanigheid van staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking het verzoek heb afgewezen voor een ABOS-financiering voor de opleiding van het technisch personeel van deze fabriek. Het is evident dat deze fabriek niet als een wapenleverancier in de regio mag dienen zoals Vice-Eerste minister Maystadt vandaag in Kamer en Senaat heeft uitgelegd.
Indien de heer Anciaux de beslissingsverantwoordelijkheid in dit soort zaken opnieuw zou willen leggen bij de federale overheid, kan ik hem antwoorden dat ik in deze materie heel stringent zou optreden. Tot nader order moeten zowel de Vice-Eerste minister als ikzelf de taakverdeling respecteren zoals die tussen Walen en Vlamingen in 1992 werd afgesproken.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Anciaux voor een repliek.
De heer Anciaux (VU). Mijnheer de Voorzitter, vooral het laatste gedeelte van het antwoord van minister Derycke was interessant. Hij gaf de Vice-Eerste minister in feite een morele kaakslag door uitdrukkelijk te verklaren dat hij zo een project in Afrika vandaag niet zou goedkeuren omdat dit de lont aan het kruidvat zou kunnen steken.
De heer Maystadt, Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. Ik ervaar de woorden van minister Derycke niet als een kaakslag. Indien een Waalse firma thans soortgelijke aanvraag van een nieuw project in Kenia zou indienen, zou ik de goedkeuring weigeren.
De heer Anciaux (VU). U zegt dit vandaag, maar destijds hebt u het project toch goedgekeurd.
De heer Maystadt, Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. Ik zou een nieuwe aanvraag weigeren goed te keuren, want de context is vandaag anders.
De heer Anciaux (VU). Toen dit project in 1988 werd opgestart, ging het volgens de Vice-Eerste minister over 2,4 miljard. Voor zover ik weet, gaat het in totaal over 3 miljard.
Bij deze zaak waren een aantal Belgische regeringsleden betrokken die vandaag nog moeilijk in die hoedanigheid ter verantwoording kunnen worden geroepen. Ik denk aan de heren Geens, Tindemans, Eyskens en Urbain. Als toenmalig staatssecretaris was de huidige minister van Buitenlandse Zaken in 1992 echter persoonlijk betrokken bij het ondertekenen van een akkoord in Kenia.
Mijnheer de Voorzitter, graag vernam ik van de minister welke zijn precieze verantwoordelijkheid was als toenmalig staatssecretaris bij het tot stand komen van dit project en welke de inhoud was van het akkoord dat hij in Kenia heeft ondertekend.
De Voorzitter. Het woord is aan minister Derycke.
De heer Derycke , minister van Buitenlandse Zaken. Mijnheer de Voorzitter, in 1992 heb ik in Kenia de bilaterale overeenkomst tussen België en Kenia inzake ontwikkelingssamenwerking ondertekend. Met de toepassing van deze overeenkomst wordt de gehele ontwikkelingssamenwerking met Kenia geheroriënteerd naar de basissector. Op het verzoek van de Keniaanse autoriteiten om de opleiding van Kenianen in België te financieren heb ik geweigerd in te gaan.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Anciaux.
De heer Anciaux (VU). Mijnheer de Voorzitter, de minister beweert dus dat hij destijds geen enkele beslissing heeft genomen inzake het gewraakte project.
Dat neemt niet weg dat het tot de opdracht van de minister van Buitenlandse Zaken behoort om toezicht uit te oefenen op de activiteiten van de Belgische ambassadeurs in het buitenland. De Belgische ambassadeur in Kenia, mevrouw Noppen, heeft een vreemde rol gespeeld bij het tot stand komen van dit project. De naam van deze dame werd genoemd in verscheidene dossiers, onder andere in de zaak-Modulnet. In de nabije toekomst zal moeten blijken of zij al dan niet daadwerkelijk in dit dossier heeft bemiddeld.
Belangrijk om weten is dat de fabriek in Kenia de persoonlijke eigendom is van drie bekende figuren : de heer Moi, president van Kenia, en de heren Biwot en Sartoti, vice-presidenten. Voor zijn democratische ingesteldheid staat dit driemanschap niet hoog aangeschreven, hun betrokkenheid bij een aantal politieke moorden is genoegzaam gekend. Beweren dat tussen dit project en de politieke wereld te Kenia weinig of geen banden bestaan klinkt vreemd als men weet dat de fabriek de persoonlijke eigendom is van drie regeringsleden die met dit project een herstelbeleid trachten te voeren in Afrika. De centrale ligging tegen Uganda, Sudan en Tanzania en de nabijheid van de kruitvaten Ruanda en Burundi is hieraan niet vreemd. De uitrustingsstukken voor deze fabriek werden geleverd onder het label verbruiksgoederen en werden vervoerd naar Eldoret met VN-vrachtwagens. Dit alles doet vragen rijzen.
Binnen dit project wordt op het ogenblik werk gemaakt van opleidingskampen voor het veiligheidspersoneel van de president. Ook dat wijst op meer dan de aanmaak van patronen voor de olifantenjacht. Er zijn overigens al enkele slachtoffers gevallen.
M. le Président. Monsieur Anciaux, puis-je vous demander de conclure ?
De heer Anciaux (VU). Dat mag u zeker vragen, mijnheer de Voorzitter. Kopstukken van de Hutu's sluiten met de steun van president Moi contracten af en zijn zich aan het herbewapenen. Men kan toch moeilijk beweren dat België hierin geen verantwoordelijkheid draagt. De minister sprak over een zwarte lijst. Wat moet er nog meer gebeuren om duidelijk te maken dat Kenia op het ogenblik geen democratie is, dat de mensenrechten er geschonden worden en dat het land de regio in gevaar brengt ? Wat moet er nog meer gebeuren om het land op de zwarte lijst te zetten, ook al werd het project vroeger opgestart en nadert het nu zijn voltooiing ? Ik lach met de uitspraak van de Vice-Premier dat het hier enkel om burgerlijke gebouwen gaat. Hij weet even goed als ik dat geen enkel project zomaar kan worden opgesplitst en dat hier duidelijk militaire doeleinden in het spel zijn. Wat moet er meer gebeuren om zo een land inderdaad op de zwarte lijst te zetten ?
Tot slot vraag ik mij nog het volgende af. Ook al is de minister van Buitenlandse Zaken niet rechtstreeks verantwoordelijk, hoe is het mogelijk dat een project dat fundamenteel ingaat tegen zijn bezorgdheid om te komen tot een stabiele politieke situatie en tot ontwapening, hem ertoe heeft gebracht zijn morele en politieke keuzen opzij te schuiven, enkel en alleen omwille van de economische belangen van een bepaalde firma ? Als hij zegt dat hij dit project nooit zou hebben goedgekeurd, dan geeft hij mij dus eigenlijk gelijk.
M. le Président. La parole est à Mme Lizin pour une réplique.
Mme Lizin (PS). Monsieur le Président, il avait été décidé de ne citer aucun nom d'ambassadeur dans le cadre de cette affaire. Je tiens toutefois à prendre avec fermeté la défense de l'ambassadrice de l'époque, car deux ambassadeurs, dont l'un était d'une autre appartenance politique, lui ont succédé. Elle est donc loin d'avoir été la seule personne concernée par ce dossier.
Il me semble incorrect de faire porter des responsabilités par des fonctionnaires de l'État. Je souhaiterais dès lors que l'on reconnaisse clairement que la responsabilité particulière de notre ambassadrice n'était pas engagée à ce moment-là.
En 1988, le Kenya ne faisait l'objet d'aucune critique et constituait même un paradis pour vacanciers. Les événements qui se sont produits dans la région des Grands Lacs ont entraîné au Kenya une situation de plus en plus difficile qui est à l'origine des problèmes qui se posent au ministre.
En 1996, après les événements du Rwanda, et le génocide en particulier, la poursuite de la négociation, sans un minimum de garanties supplémentaires, est problématique.
Je plaide pour que la discussion à mener avec le gouvernement du Kenya ait lieu en toute connaissance de cause et je suis sûre que le ministre s'y emploie. Des enjeux bien plus importants pour la Belgique que la discussion relative à cette fabrique existent au Kenya. Ils sont essentiels pour la compréhension de ce qui s'est passé au Rwanda.
En conclusion, je souhaiterais que le ministre nous dise comment il envisage aujourd'hui la discussion de l'ensemble des matières avec le Kenya.
M. le Président. La parole est à M. Derycke, ministre.
M. Derycke, ministre des Affaires étrangères. Monsieur le Président, je ne suis plus compétent en matière de Coopération au Développement. Cependant, je constate, sans doute comme le ministre Maystadt, que, dans l'état actuel des choses, cette fabrique pose des problèmes importants.
En 1988, tout allait bien au Kenya et nos relations avec ce pays étaient tout à fait normales. C'est dans ce contexte que les directeurs généraux politiques ont fourni des avis aux ministres compétents.
Depuis un an, la situation a changé, mais cela ne signifie pas que nous devions cesser d'aider ce pays. N'oublions pas que, lorsque des événements se produisent en Afrique centrale, nous devons toujours faire appel au Kenya pour rapatrier nos compatriotes en difficulté au Rwanda et au Burundi. Il y a donc du pour et du contre.
De Voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.