1-44 | 1-44 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 9 MAI 1996 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 9 MEI 1996 |
De Voorzitter . Aan de orde is de vraag om uitleg van mevrouw Thijs aan de Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over « de toepassing van het Akkoord van Schengen ».
Het woord is aan mevrouw Thijs.
Mevrouw Thijs (CVP). Mijnheer de Voorzitter, twee maanden geleden was deze vraag zeer actueel. Vandaag wordt er in de pers aan dit onderwerp veel minder aandacht geschonken, dit betekent echter niet dat de problemen zijn opgelost. Ik dank de Vice-Eerste minister dat hij vandaag aanwezig is om mijn vraag te beantwoorden.
Op 14 juni 1985 kwamen de Staten van de Benelux, de bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek in Schengen tot een akkoord inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen. Inmiddels traden Italië, Spanje en Portugal eveneens tot het akkoord toe. Bij de uiteindelijke toepassing van het Akkoord van Schengen bleek echter dat het opheffen van de interne grenzen niet zo vanzelfsprekend is. De weg naar Schengen lag en ligt nog altijd vol obstakels. Vooral Frankrijk draagt op dit vlak een grote verantwoordelijkheid.
De ontsnappingsclausule, die bepaalt dat de grenscontroles opnieuw kunnen worden ingevoerd wanneer de openbare orde of de nationale veiligheid in gevaar komen, werd door de Fransen gretig gehanteerd. Eind juni van vorig jaar deed Frankrijk een beroep op artikel 2.2 omdat de illegale immigratie en de drugshandel nog onvoldoende werden bestreden en omdat de gezamenlijke computer met politiegegevens nog niet goed functioneerde. Anderhalve maand later had Frankrijk een echte reden om weer grenscontroles in te voeren, namelijk de golf van terreuraanslagen. Inmiddels is deze dreiging echter verdwenen. Toch vond Frankrijk opnieuw een argument om dwars te liggen : het Nederlandse drugsbeleid. Volgens het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken kunnen de grenscontroles pas worden opgeheven wanneer de hoeveelheid drugs uit Nederland, die onder andere langs ons land worden vervoerd, en het aantal Franse drugsslachtoffers afnemen, al weet ik niet hoe men dat zal bepalen.
Even was er hoop op beterschap, maar enkele weken later boorde de Franse premier Alain Juppé die hoop de grond in, door te verklaren dat de grenscontroles niet kunnen worden afgeschaft zolang het drugsbeleid in Europa niet geharmoniseerd is. Een paar dagen later besliste Frankrijk wel om de grenscontroles af te schaffen, maar enkel voor de grenzen met Spanje en Duitsland, alsof er via Spanje, vanuit Afrika, en via Duitsland, geen drugs Frankrijk binnenkomen. Frankrijk hanteert de ontsnappingsclausule wel zeer à la carte . Het is duidelijk dat Frankrijk het in de praktijk heel moeilijk heeft met het Schengen-Akkoord, met alle gevolgen vandien.
Via de pers kregen wij de indruk dat de minister tegelijk warm en koud blaast. De ene keer ergert hij zich aan het feit dat Frankrijk hardnekkig weigert het Schengen-Akkoord in al zijn consequenties uit te voeren, de andere keer stelt hij zich tegenover Frankrijk verzoenend op.
In de TV-uitzending Ter Zake stelt de minister dat er positieve resultaten zijn, onder meer door het gebruik van de Schengen-computer. Dat is ook zo, naar ik 14 dagen geleden heb kunnen vaststellen toen ik in Frankrijk was. Maar als de journalist van Ter Zake opmerkt dat er toch een vertrouwenscrisis is, antwoordt de minister dat hij niet die indruk heeft.
De afschaffing van de personencontroles aan de binnengrenzen vormt het kernstuk van de Schengen-samenwerking. In het jaarrapport betreffende de uitvoeringsovereenkomst wordt de nadruk gelegd op het creëren van een ruimte zonder binnengrenzen. Indien de minister er echt in gelooft, en daaraan twijfel ik niet, dan moet hij Frankrijk overtuigen om nu mee in de boot te stappen.
Soms heb ook ik de neiging om de Franse minister gelijk te geven, maar toch ben ik van oordeel dat wie een akkoord ondertekent, de moed moet hebben om het uit te voeren.
Naar aanleiding van deze vraag om uitleg deed ik ook een rondvraag betreffende de relaties tussen België en Frankrijk. Tot mijn verwondering vernam ik dat er tussen België en Frankrijk in het kader van het Schengen-Akkoord een bilateraal akkoord zou bestaan. Er zou een akkoord bestaan rond briefwisseling waar bijvoorbeeld het Operationeel Invalspunt aan de Grenzen, kortweg OIPG, van Kortrijk gebruik zou kunnen maken om informatie uit te wisselen. Volgens de politionele diensten zou het echter maar om ontwerpen van akkoorden gaan. De informatie die de minister hierover aan de pers heeft gegeven, is niet erg duidelijk. Is er een akkoord ? Zo ja, waarover gaat het ?
Ik heb de volgende vragen voor de minister.
Ten eerste, Frankrijk blijkt in het kader van het Schengen-Akkoord een vrij onbetrouwbare partner die zich om de haverklap beroept op de ontsnappingsclausule. Daardoor blijft de bestrijding van de grenscriminaliteit voor ons land moeilijk. Welke stappen heeft België al gedaan om aan deze dubbelzinnige houding een einde te maken ? Welke inspanningen doet de Belgische Regering om dat Schengen-Akkoord eindelijk naar behoren te laten functioneren ?
Ten tweede, kan Frankrijk zich zomaar blijven beroepen op artikel 2.2 ? Het drugsbeleid van een bepaald land kan misschien aanzien worden als een gevaar voor de openbare orde, maar dan mogen alle Schengen-landen opnieuw hun grenzen sluiten. Om de haverklap Schengen ontvluchten, kan toch niet de bedoeling zijn ?
Ten derde, in mijn onderzoek naar de verhouding België-Frankrijk heb ik heel wat moeite ondervonden. Waarover gaat het bilateraal akkoord tussen België en Frankrijk, als dat tenminste bestaat ? Moet het Parlement daar dan niet van in kennis worden gesteld ? Volgens mijn informatie is dit nog niet gebeurd.
Ten vierde, wat mogen de politionele diensten volgens dat akkoord doen ? Respecteert dit akkoord de geest van het Schengen-Akkoord of bevat het bijkomende restricties ? (Applaus.)
M. le Président . La parole est à M. Hatry.
M. Hatry (PRL-FDF). Monsieur le Président, il est très facile, dans un débat relatif à l'Accord de Schengen, de chercher, puis de trouver, un bouc émissaire. Or, aucun État n'est irréprochable en ce qui concerne l'application des dispositions contenues dans cet accord.
Je voudrais tout d'abord parler des États qui ont refusé d'adhérer à cet accord. Il s'agit, d'une part, de la Grande-Bretagne et, par conséquent, de l'Irlande , en raison de sa situation géographique, du Danemark et, d'autre part, de nouveaux États membres, notamment la Suède et la Finlande, qui ont signé un accord de libre circulation avec les autres pays scandinaves, ce texte les mettant dans l'incapacité, même s'ils le souhaitent, de respecter les dispositions décidées à Schengen.
D'autres États ont signé l'accord et se présentent comme des élèves modèles en affirmant leur intention d'en respecter l'esprit, ce qu'ils ne font pas dans la pratique. La Belgique, par exemple, exerce non un contrôle par sondage mais un contrôle systématique, passeport après passeport, à l'aéroport de Bruxelles-National, vis-à-vis des résidents ou des nationaux de l'Union européenne.
L'Accord de Schengen est très important car il est en quelque sorte la préfiguration du troisième pilier de l'Union européenne, pilier aujourd'hui encore intergouvernemental mais dont nous espérons qu'à terme, il deviendra communautaire. Or, un nombre très réduit d'États peut se vanter d'adopter un comportement conforme à l'esprit et à la lettre des dispositions convenues à Schengen.
Je désapprouve une décision visant à isoler un pays dont la fibre est peut-être plus nationaliste mais qui exprime clairement en tout cas vis-à-vis de la frontière sud de notre pays ce que beaucoup d'autres États pensent, certains agissant d'ailleurs comme le gouvernement français mais sans le déclarer. Mon but, ici, n'est pas de défendre le gouvernement français, mais je refuse de m'inscrire dans un système visant à isoler un pays parce qu'il ne respecterait pas l'esprit ou la lettre de l'Accord de Schengen. Une telle attitude me semble à la fois incorrecte et maladroite.
Par ailleurs, sous la législature précédente, j'ai observé, à ma grande surprise, un fait curieux. Les règles relatives à l'obtention de visas devraient, me semble-t-il, être communiquées aux citoyens. Or, les dispositions prévues par l'Accord de Schengen en la matière s'apparentent jusqu'à présent à un véritable secret d'État. Le Parlement a renouvelé sans succès ses efforts pour essayer d'obtenir des informations du Gouvernement à ce sujet. Au début de cette législature, enfin, nous avons appris qu'en ce qui concerne les 189 pays le chiffre augmente de mois en mois actuellement membres des Nations unies, les États signataires de l'Accord de Schengen subissent des contraintes en matière de visas pour environ 80 d'entre eux.
Mais cela, c'est le principe, et il existe de nombreuses exceptions, certaines favorables et d'autres défavorables. Aussi, monsieur le Vice-Premier ministre, la politique de Schengen à l'heure actuelle devrait être l'objet de l'attention du Gouvernement afin qu'à la conférence intergouvernementale on arrive à créer davantage de clarté et à adopter une politique réellement commune.
J'admets qu'il existe d'autres priorités, comme l'Europe du citoyen. Il est en effet fondamental de faire accepter les traités européens par tous nos concitoyens européens. Il importe aussi de créer des institutions aptes à accueillir de nouveaux membres et de réaliser une politique étrangère qui ne nous ridiculise pas. Mais, avant tout, nous devons faire partie du premier groupe de pays à entrer dans l'Union économique et monétaire.
Il n'empêche que mettre l'Accord de Schengen en évidence est utile mais identifier un pays comme étant le coupable est une erreur et ne correspond en tout cas pas à la réalité.
Je tenais à faire ce commentaire au sujet de la demande d'explications de Mme Thijs que j'ai écoutée avec beaucoup de plaisir et qui m'a donné l'occasion de prendre position sur certaines affirmations que je ne partage cependant pas dans l'ensemble.
De Voorzitter. Het woord is aan Vice-Eerste minister Vande Lanotte.
De heer Vande Lanotte, Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Mijnheer de Voorzitter, België beoordeelt het Akkoord van Schengen in het algemeen positief. Buiten de landen die de heer Hatry citeerde, zijn ook Oostenrijk en Griekenland als waarnemers tot het akkoord toegetreden en zullen zij eerlang lid worden. Ook de vijf noordse landen zullen binnenkort waarnemer worden. Zij waren bij de vorige bijeenkomst van de Schengen-landen voor het eerst aanwezig. Die vijf noordse Staten zijn zeer goed uitgerust om op vrij korte termijn mee te werken aan het Schengen-Akkoord. Zoals bekend heeft België tijdens zijn voorzitterschap zeer hard gewerkt om die Staten bij het akkoord te krijgen. Dit zal immers leiden tot een versterking ervan.
Het Schengen-Akkoord heeft betrekking op het vrije verkeer en op samenwerking tussen de deelnemende landen inzake politioneel beleid, asielbeleid en visumbeleid. Wij kunnen zeggen dat op het ogenblik 98 pct. van het akkoord wordt uitgevoerd. De samenwerking inzake asielbeleid en visumbeleid kent helemaal geen problemen. Ook wat het vrije verkeer en de politionele samenwerking betreft, zijn er geen problemen tenzij aan de grens van België en Luxemburg met Frankrijk. En ook hier is er enkel een probleem inzake grensoverschrijdend verkeer over land. Wat het luchtverkeer betreft, past Frankrijk het Schengen-Akkoord immers helemaal toe. Deze kleine uitzondering is gênant, maar mag toch niet overheersen bij onze algemene evaluatie van het akkoord.
Het Schengen-Akkoord is geleidelijk aan in toepassing getreden. België heeft daar zeer veel begrip voor. Het was immers logisch dat er moeilijkheden rezen. Nederland heeft als eerste aangekondigd dat het in Schiphol het Schengen-Akkoord niet op de voorziene datum kon toepassen. Daarna heeft Frankrijk bezwaren aangehaald. Op dat ogenblik is het Belgisch voorzitterschap met tien concrete voorstellen naar voor gekomen, die een oplossing moesten bieden voor de problemen. Maand na maand hebben wij hierover vergaderd. Wij hebben hard geprobeerd nieuwe werkwijzen voor te stellen. Wij zijn daar ook in geslaagd. Negen maanden nadat het akkoord van start was gegaan, was de werking ervan dan ook aanzienlijk verbeterd. Ik heb dat ook op de televisie gezegd.
In maart 1995 is er tussen Vice-Eerste minister Wathelet en mijzelf langs Belgische zijde en de Franse minister Pasqua een soort van kaderakkoord gesloten. Dat akkoord is niet echt operationeel. Op het terrein bestonden er echter concrete afspraken. Wij hebben gedurende een jaar gewerkt om dat akkoord van maart 1995 te concretiseren. Hierbij hebben wij soms wel warm en koud moeten blazen. Wij hebben immers herhaaldelijk vastgesteld dat wij, wanneer wij warm bliezen, een vooruitgang in de samenwerking boekten, zodat de situatie weer kon afkoelen.
België heeft de evaluatie van het akkoord en de samenwerking voortdurend gestimuleerd. Wij hebben mensen uitgenodigd, teksten opgesteld, voorstellen gedaan. Het argument dat Frankrijk gebruikt inzake het drugsbeleid is niet steekhoudend. Ons land heeft een aantal kritieken op het Nederlandse drugsbeleid. Wij hebben die ook aan Nederland meegedeeld. Dit heeft ons echter nooit verhinderd met dat land samen te werken. Ook in de toekomst zal dat het geval zijn. Wij hebben kritieken op andere landen en andere landen hebben kritiek op ons. Er is echter een verschil tussen kritiek hebben op het beleid van een land en die kritiek gebruiken om samenwerking af te wijzen. Wij stellen bovendien vast dat wij in onze samenwerking met Nederland resultaten bereiken die wij niet bereiken met Frankrijk.
België heeft, meer dan welk land ook, redenen om op zijn strepen te staan. Aan onze grens met Frankrijk is er immers een vrij belangrijk probleem van grenscriminaliteit. Ons land heeft daarvan echt nadelen ondervonden. Wij hebben in onze strijd daarentegen niet veel hulp gekregen van Frankrijk. Wij hebben dus eigen manschappen en financiële middelen moeten inzetten overigens met resultaat want de criminaliteitscijfers zijn sterk gedaald. De criminaliteit veroorzaakt door de Kappa-bendes ligt nu onder het Vlaams gemiddelde.
Men kon gewagen van een knelpunt of een kookpunt naargelang men spreekt in termen van karakter of temperament toen Frankrijk naar aanleiding van de problemen met de GIA losweg verklaarde dat deze organisatie vanuit ons land opereerde. België werd ervan beschuldigd de Algerijnse fundamentalisten te « kweken » die in Frankrijk opereerden, wat het echter nooit heeft kunnen bewijzen. In de periode toen zich in Frankrijk veel overvallen op waardetransporten voordeden, verklaarde een Frans minister dat ook deze overvallen vanuit België werden georganiseerd.
Op dat ogenblik was voor ons de maat vol. Wij kunnen tegen wat kritiek, maar kunnen niet aanvaarden dat Frankrijk telkens weer beweert dat wij verantwoordelijk zijn voor hun problemen. Als Frankrijk erop staat grenscontroles uit te voeren, dan moet dat maar, zelfs als wij dat niet kunnen appreciëren en daar een prijs voor moeten betalen. Als Frankrijk de grenscontroles maar wil afschaffen als ons land aan bepaalde voorwaarden voldoet, dan moeten de Franse grenscontroles voorlopig maar behouden blijven. Die grenscontroles zijn overigens niet efficiënt, vervelen de bevolking en geven een vals gevoel van veiligheid. De misdadigers die heel recent van Roubaix naar Kortrijk zijn gevlucht, zijn niet aangehouden als gevolg van de Franse grenscontroles, maar wel door ons netwerk van patrouilles.
Er zijn verschillende basisteksten voor het akkoord met Frankrijk. België heeft voor een operationeel centrum en telefoonlijnen gezorgd en er zijn ook afspraken gemaakt tussen de politiediensten van het land. Frankrijk staat nog niet zover. Met andere woorden, wij willen alleen een akkoord met Frankrijk ondertekenen als Frankrijk ons verzekert dat het zijn deel van het akkoord zal naleven, en bereid is mee te werken aan een regeling inzake het achtervolgingsrecht. In een overeenkomst om de eer te redden en de schijn op te houden hebben wij geen zin. Een overeenkomst zoals Frankrijk met Duitsland heeft gesloten, kunnen wij wel missen. Wij zullen alleen een goed akkoord ondertekenen. Overigens hebben wij dat akkoord op het ogenblik niet meer nodig, omdat wij zelf een grensregioplan hebben opgesteld, dat geen grenscontroles inhoudt, maar dat toelaat in enkele minuten een dertigtal punten in de nabijheid van de grens met Frankrijk strak te controleren. Dit systeem dat wij al hebben uitgetest, werkt vrij behoorlijk en wij zullen het nog proberen te verbeteren.
Wij zijn bereid met Frankrijk over een akkoord te praten, maar onder correcte voorwaarden en niet onder enige bedreiging.
Ik kan absoluut niet waarderen dat Frankrijk België tegen Nederland probeert op te zetten. Ons werd op een zeker ogenblik zelfs voorgesteld grenscontroles aan de grens met Nederland te houden. Dat doen wij niet, want wij willen met Nederland samenwerken.
Ik herhaal dat de resultaten die wij hebben geboekt, er mogen zijn. De Noordfranse criminaliteit blijft heel aanzienlijk en vormt een bedreiging voor de grensregio. Wij hebben de grenscriminaliteit in ons land echter behoorlijk onder controle en blijven tot samenwerking met Frankrijk bereid, maar niet zoals gezegd onder opgelegde voorwaarden.
De Voorzitter. Het woord is aan mevrouw Thijs.
Mevrouw Thijs (CVP). Mijnheer de Voorzitter, ik dank de Vice-Eerste minister voor zijn antwoord. Ook ik ben ervan overtuigd dat de fout niet aan Belgische zijde moet worden gezocht. Toch erken ik dat de controles aan de Franse buitengrenzen zeer goed georganiseerd zijn en nauwgezet worden opgevolgd. De Fransen zijn blijkbaar wel heel erg blij met de ondertekening van het Schengen-Akkoord. Het komt dan toch vreemd voor dat de grenzen tussen België en Frankrijk behouden blijven.
Volgens de Fransen is de grenscriminaliteit voor een groot deel te wijten aan het drugstoerisme tussen Frankrijk en Nederland. Vanuit het noorden van Frankrijk is het immers maar twee uur rijden tot de Nederlandse bevoorradingspunten. Hoe zal de politiesamenwerking, die aan Belgisch zijde reeds behoorlijk is georganiseerd, verdergezet kunnen worden als de grenzen met België gesloten blijven ? Dat lijkt mij toch problematisch.
De heer Hatry zegt dan wel dat men van Frankrijk niet de zondebok voor het mislukken van het Schengen-Akkoord mag maken, ik heb steeds geleerd dat een gegeven woord of een ondertekend akkoord in al zijn consequenties moet worden gerespecteerd. Frankrijk heeft zijn woord gegeven en moet, consequent, de binnengrenzen openlaten.
De Voorzitter. Het woord is aan Vice-Eerste minister Vande Lanotte.
De heer Vande Lanotte, Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Mijnheer de Voorzitter, de Noordfranse criminaliteit vindt haar oorsprong in de rampzalige sociale situatie in de banlieues. De Franse overheid heeft een concentratiebeleid gevoerd en betaalt daarvoor nu de tol. Alle grote slaapsteden hebben te kampen met een werkloosheid van 30 tot 40 pct. Een dergelijke werkloosheid genereert criminaliteit. Dat is een algemeen gekend verschijnsel. Algemeen gekend is ook dat de drugs hun kop opsteken na de misdadigheid en niet omgekeerd.
Verder wil ik toch nog beklemtonen dat de grenzen niet gesloten zijn. De Belgische grenzen staan open voor de Franse politie. Zij zijn altijd welkom bij ons. Bij de arrestatie in Kortrijk van de uit het Franse Roubaix weggelopen individuën bevonden er zich trouwens vier Franse politieagenten in ons midden. Deze samenwerking vormde niet het minste probleem. Franse politiemensen zijn hier welkom, gangsters niet. Wij bestrijden de grenscriminaliteit niet met het uitvoeren van grenscontroles, maar wel door gerichte acties.
De Belgische politiemensen zijn echter niet officieel welkom in Frankrijk. Of zij er in de praktijk ook nooit eens een kijkje gaan nemen, durf ik hier niet beweren. De samenwerking met de Franse autoriteiten verloopt wel uiterst moeizaam. Deze slagen er niet in dezelfde openheid aan de dag te leggen ten overstaan van onze diensten zoals onze diensten tegenover hen. Ik kan dat alleen vaststellen. Ik kan daarvoor niet de oorlog verklaren. De Grondwet laat me dat niet langer toe. Dat neemt niet weg dat de feitelijke samenwerking toch nog vrij behoorlijk is.
De Voorzitter. Het woord is aan mevrouw Thijs.
Mevrouw Thijs (CVP). Mijnheer de Voorzitter, ik stel vast dat de samenwerking tussen de Franse en de Italiaanse douane-autoriteiten wel vlot verloopt. Hoe komt het dan toch dat dit tussen België en Frankrijk zo moeilijk ligt ?
De heer Vande Lanotte, Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Mevrouw, dat weet ik echt niet.
De Voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.