1-108 | 1-108 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 15 MAI 1997 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 15 MEI 1997 |
De voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke aan de minister van Buitenlandse Zaken.
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, onlangs kreeg de directeur van het Archief en Museum voor de Socialistische Arbeidersstrijd, de heer Steenhaut, de gelegenheid om in Moskou een aantal archivalia met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog in te kijken. Het gaat hierbij om een paar duizend dossiers van Oostfronters van wie de lotgevallen tot op heden onzeker of onbekend zijn en om dossiers van Belgische krijgsgevangenen die in Oost-Duitsland verbleven en door de Russen werden weggevoerd.
Gezien het belang van deze archivalia, vinden wij het concreet volgen ervan aangewezen. Bovendien heeft de overheid menselijk gezien de opdracht ervoor te zorgen dat de familieleden van de verdwenen persoon zo spoedig en nauwkeurig mogelijk over hun eventuele lotgevallen worden geïnformeerd.
Daarom heb ik de volgende twee vragen. Is de minister op de hoogte van het bestaan van deze archivalia in Moskou en van de mogelijkheid tot inzage en het maken van fotokopieën of microfilms ? Is het niet mogelijk vanuit het departement van Buitenlandse Zaken een commissie ad hoc te vormen om de inhoud van deze documenten te onderzoeken ?
De voorzitter. Het woord is aan minister Derycke.
De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. Mijnheer de voorzitter, aangezien de heer Vandenbroeke zelf geschiedkundige is, zal hij het mij niet kwalijk nemen dat ik mijn antwoord begin met een korte situatieschets. Zijn vraag gaat over de documenten die opgeslagen zijn in het vroegere OSOB-archief, het bijzonder archief, te Moskou, dat pas in 1992 voorzichtig en geleidelijk door de Russische autoriteiten voor buitenlandse onderzoekers werd opengesteld. Dit archief bevat een groot aantal documenten die betrekking hebben op België. Wij kunnen deze grosso modo in drie categorieën onderverdelen.
In een eerste categorie vinden wij de documenten van Belgische oorsprong die door de Nazi-autoriteiten tijdens de bezetting in beslag werden genomen en op het einde van de Tweede Wereldoorlog in de handen vielen van de Sovjettroepen. Volgens het internationaal recht en op basis van de akkoorden die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog tussen de geallieerden werden gesloten, kan ons land aanspraak maken op restitutie van deze documenten. België doet dat dan ook, maar aan Russische kant is er in het parlement een sterke tegenkanting tegen elke vorm van restitutie. Op dat vlak hebben regering en parlement dus een verschillende houding en juridisch is deze kwestie dan ook nog niet uitgeklaard. Wel stel ik vast dat de Russische regering bereid is te zoeken naar een oplossing om restitutie van de archieven mogelijk te maken.
In een tweede categorie vinden wij de documenten over België van Nazi-oorsprong. Ze hebben een verschillende herkomst. Er zijn rapporten van het ministerie van Economie en het Reich over de Belgische economie, documenten van de Duitse veiligheidsdiensten in verband met spionageactiviteiten in België in de jaren vóór de oorlog en documenten van de administratie van de Waffen SS met betrekking tot financiële en materiële hulp aan Vlaamse en Waalse Waffen SS-vrijwilligers en hun familie.
Een laatste categorie heeft betrekking op documenten van Sovjetoorsprong, afkomstig van de Algemene Directie inzake Krijgsgevangenenzaken, het genaamde GUPVI van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In concreto bevat het de dossiers van 2 014 Belgen die door het Rode Leger werden gevangen genomen. In meer dan 95 % van de gevallen gaat het om soldaten van de Waffen SS-eenheden Langemark en Wallonie. De overgrote meerderheid van de Belgische krijgsgevangenen, 1 833 van de 2 014 om precies te zijn, overleefden de gevangenschap en werden na de oorlog gerepatrieerd; de laatste vier in 1956. Van de overige 181 krijgsgevangenen stierven er 177 in gevangenschap en werden er vier door de Sovjettroepen in Duitsland aan andere geallieerde instanties overgedragen.
Het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, beter bekend onder de vroegere benaming Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, een autonoom centrum opgericht bij het Algemeen Rijksarchief, is sinds 1995 in het bezit van een overzichtslijst van de 2 014 individuele dossiers. Het centrum heeft hiertoe te Moskou de steekkaarten van de verschillende individuele dossiers gekopieerd. Oostfronters en hun familieleden kunnen steeds bij het centrum terecht om na te gaan of hun dossier of dat van hun verwant zich onder de 2 014 dossiers bevindt. Ook mijn departement beschikt over deze lijst.
Momenteel zijn er onderhandelingen aan de gang tussen de directie van het Russisch Archief en het Studie- en Dokumentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij teneinde de toestemming te verkrijgen om de 2 014 dossiers in hun totaliteit te microfilmen. Het principe is grotendeels verworven, over de praktische modaliteiten en het prijskaartje werd echter nog geen overeenstemming bereikt. Mijn departement en onze ambassade te Moskou staan in nauw contact met het centrum en verlenen desgevraagd alle mogelijke bijstand.
Ten slotte wijs ik erop dat de betrokken Oostfronters en hun verwanten bij de Russische autoriteiten toestemming kunnen vragen om in Moskou inzage te krijgen in hun dossier of dat van hun verwant. Mits betalen kunnen zij zelfs een kopie van het dossier krijgen.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.