1-98 | 1-98 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 13 MARS 1997 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 13 MAART 1997 |
De voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke aan de minister van Volksgezondheid en Pensioenen over « de vergrijzing van de bevolking en de hervorming van de pensioenen ».
Staatssecretaris Peeters antwoord namens zijn collega.
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, dat de problemen van de vergrijzing van de bevolking voorbij de eeuwwisseling zwaar zullen wegen op het stelsel van de sociale zekerheid is voldoende bekend. Teneinde het huidige stelsel betaalbaar te houden wordt er trouwens tegen 1 juli 1997 een hervorming van de pensioenen van kracht.
De algemeen gangbare kritiek als zouden de effecten van de veroudering onvoldoende in rekening gebracht worden, werd tot op heden door de minister weggewuifd. Echt overtuigende argumenten daarvoor werden echter zelden aangebracht.
Het Planbureau doet dit thans wel, ook al heeft de gehanteerde argumentatie veel weg van wishfull thinking. Zo wordt er onder meer vooropgesteld dat de demografische ontwikkeling veel gunstiger zal verlopen dan in het verleden het geval was, meer bepaald omdat het geboortecijfer opnieuw zal stijgen. Dit is, op zijn zachtst gezegd, een erg bevreemdende premisse omdat men weet dat ons land nu reeds een kwarteeuw lang een te lage vruchtbaarheid kent. De meest causale en directe factor van de vergrijzing, de « ontgroening », neemt immers van jaar tot jaar toe, met alle gevolgen vandien.
Vandaar een paar kritische vragen, die de al te optimistische prognoses van de minister sterk kunnen hypothekeren. Waarop baseert men zich om te concluderen dat de vruchtbaarheid opnieuw zal stijgen ? Heeft men in het gehanteerde econometrische model dat onlangs door het Planbureau is gepubliceerd, niet opzettelijk bepaalde parameters positiever ingebracht dan aanvaardbaar is teneinde een extra geflatteerde beeldvorming te bekomen ? Ik meen dat deze vragen erg belangrijk zijn.
Ik vrees immers dat men hier aan window dressing doet.
De voorzitter. Het woord is aan staatssecretaris Peeters.
De heer Peeters, staatssecretaris voor Veiligheid, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, toegevoegd aan de minister van Volksgezondheid. Mijnheer de voorzitter, het demografisch scenario dat nu gebruikt wordt, is het centraal scenario van het NIS en het federaal Planbureau. Dit scenario wordt uitvoerig beschreven in Bevolkingsvooruitzichten 1995-2050 , een document dat verkrijgbaar is bij het NIS. Het toepassen van de hypothesen en de verwerkingen gebeurden onder het toezicht van een begeleidingscomité, opgedeeld in verschillende werkgroepen bestaande uit medewerkers van het NIS en het Planbureau en wetenschappers van diverse universiteiten en wetenschappelijke instellingen.
Even een technische toelichting. De vruchtbaarheidscoëfficiënt kan op twee manieren worden berekend, longitudinaal en transversaal. De transversale berekening is de meest gebruikte en vergelijkt het aantal geboorten in een bepaald jaar met het aantal vruchtbare vrouwen in datzelfde jaar. Die transversale coëfficiënt is nu ongeveer 1,55. De longitudinale berekening neemt het aantal kinderen die een bepaalde generatie vrouwen, bijvoorbeeld vrouwen geboren in 1955, krijgt. Die coëfficiënt is nu ongeveer 1,85.
Het verschil tussen beide coëfficiënten is te wijten aan het later krijgen van kinderen. In het demografisch scenario ten tijde van de ronde-tafel over de pensioenen werd ervan uitgegaan dat de longitudinale coëfficiënt van 1,85 op lange termijn zou worden gehaald. De wetenschappers gaan er nu tevens van uit dat er van uitstel ook afstel komt, zodat op lange termijn een coëfficiënt van 1,75 wordt verwacht. Dit is nog altijd heel wat lager dan de vervangingscoëfficiënt van 2,1, maar wel wat hoger dan de coëfficiënt van 1,55 in de geobserveerde transversale benadering.
De minister heeft ten slotte nog twee opmerkingen.
Ten eerste stelt hij dat hoe hoger het aantal geboorten is, hoe hoger de kosten voor de sociale zekerheid en de overheidsfinanciën zijn, althans in de eerste twintig tot vijftig jaar. Er zijn kosten voor kindergeld, onderwijs en, eventueel, werkloosheidsvergoedingen. De eerste fase van extra kosten duurt ten minste twintig jaar, maar om een significant positief effect op de overheidsfinanciën vast te stellen moet men rekening houden met een overgangsperiode van 40 tot 50 jaar. Een kleiner aantal kinderen dan in het vroegere centrale scenario betekent dus in de eerste fase lagere uitgaven in de sociale zekerheid en de overheidsfinanciën.
Ten tweede houdt het positieve demografische scenario voor het grootste deel verband met de migratie. De migranten komen in vergelijking met de oude vooruitzichten op jongere leeftijd het land binnen en gaan dus minder snel op pensioen. Bijgevolg zijn er in de eerste fase minder pensioenuitgaven noodzakelijk.
Op het Maltesemodel, dat werd gebruikt voor de berekening van de socialezekerheidsuitgaven en waarvan het wijd verspreide scenario in het Parlement reeds werd besproken bij de rondetafelbesprekingen over de pensioenen, werden twee simulaties gedaan, die reeds in de kamercommissie voor de Sociale Aangelegenheden aan bod kwamen. Een eerste simulatie hield het invoeren van de nieuwe demografische vooruitzichten in, een tweede het invoeren van de pensioenhervorming voor de werknemers. De resultaten werden in verschil met het basisscenario gegeven. Variaties bij andere parameters zijn dan niet terzake en werden dan ook niet aangepast.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een repliek.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, ik wil in de eerste plaats de staatssecretaris danken omdat hij hier de visie van de minister uiteenzet. Tevens wil ik hem danken voor zijn heel korte academische inleiding, waaraan ik echter geen boodschap had. Of de totale vruchtbaarheidscijfers met een transversale of een longitudinale analyse worden berekend, interesseert me minder dan de realiteit. Die realiteit leert mij dat de vruchtbaarheidscoëfficiënt de jongste jaren 1,5 bedraagt, terwijl dat 2,1 zou moeten zijn om aan een vervangende vruchtbaarheid te komen. Dit betekent dat er een tekort is van maar liefst 25 %, meer dan genoeg om zich zorgen te maken voor de toekomst. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat hij denkt, meent of hoopt dat de coëfficiënt zal stijgen tot 1,85, wat nog steeds 10 tot 20 % onder de vervangingscoëfficiënt ligt. Ik vraag mij trouwens af hoe hij aan deze cijfers komt. Prognoses zijn meestal vooruitberekeningen, maar ik heb in dit geval de indruk dat het om een zuivere voorspelling gaat.
Ik vraag als wetenschapper en geëngageerd politicus aan de staatssecretaris of hij aan de heer Colla wil meedelen dat in 1996 een absoluut en historisch laagterecord in de vruchtbaarheid werd bereikt.
Wat Maltese of andere rapporten ook mogen beweren, ik heb onlangs de cijfers opgevraagd bij het Nationaal Instituut voor de Statistiek en heb daaruit de vooruitzichten voor 1997 pogen af te leiden. Wij beschikken uiteraard nog maar over de gegevens van twee en een halve maand. Het is echter zeer belangrijk dat er een correcte prognose wordt gemaakt, zoniet zullen wij in de toekomst te kampen hebben met een zee van problemen. Welnu, het is zeker dat 1997 een nieuw dieptepunt wordt.
De cruciale zin in het antwoord van minister Colla is uitermate bevreemdend. Indien dit de realiteit is waarop het huidige beleid zich baseert, wordt er een zware hypotheek gelegd op de toekomst. De ondermaatse vruchtbaarheid waarmee wij thans te maken hebben, zou volgens de minister geen kwaad kunnen, omdat er dan ook minder kinderbijslag moet worden uitbetaald. Ik ben echt ontgoocheld over dit gedeelte van het antwoord van de minister. Het is politiek en wetenschappelijk onwaardig.
De voorzitter. Het woord is aan staatssecretaris Peeters.
De heer Peeters, staatssecretaris voor Veiligheid, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, toegevoegd aan de minister van Volksgezondheid. Mijnheer de voorzitter, ik stel vast dat de heer Vandenbroeke heel wat insinuaties de wereld instuurt en dat hij blijkbaar zaken heeft gehoord die ik niet heb gezegd en die ook minister Colla niet heeft willen zeggen. Het zijn niet wij die menen dat uitstel tot afstel leidt. Dit werd ons door de wetenschappers van het Planbureau, het NIS en de begeleidingscommissies meegedeeld. Ik heb enkel de mechanismen aangegeven van de effecten van een veranderde vruchtbaarheid op de overheidsfinanciën. Ik heb hieraan echter geen enkele appreciatie verbonden; ik heb mij beperkt tot het aantonen van de effecten in het model.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de voorzitter, ik vraag het woord voor een persoonlijk feit.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een persoonlijk feit.
De heer Vandenbroeke (VU) (persoonlijk feit) . Mijnheer de voorzitter, als wetenschapper kan ik moeilijk aanvaarden dat de staatssecretaris mij verwijt insinuaties te hebben gemaakt. Ik heb geen enkele insinuatie gemaakt. Ik ben het eens met de staatssecretaris dat bij wetenschappelijke interpretaties enige flexibiliteit aan de dag moet worden gelegd. In de beperkte mij toegemeten tijd heb ik enkele strikt zakelijke, objectieve cijfers gegeven. De term « insinuaties » lijkt mij hier dus niet op zijn plaats.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.