1-51 | 1-51 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 13 JUIN 1996 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 13 JUNI 1996 |
De Voorzitter . Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke aan de minister van Volksgezondheid en Pensioenen over « de vestiging van artsen ».
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, de verwarring in verband met het universitair onderwijs, inzonderheid aangaande de opleiding in de tandheelkunde en de geneeskunde neemt eerder toe dan af. Er worden verschillende opties genomen door Vlaanderen en Wallonië omtrent de aanvangsmodaliteiten van deze studies. Zo kiest Vlaanderen voor een selectie voorafgaand aan de eerste kandidatuur en kiest Wallonië eerder voor een bijsturing van de studiekeuze tijdens de eerste opleidingsjaren.
Tot hiertoe rijst er geen probleem omdat de Gemeenschappen autonoom instaan voor hun onderwijs. Dit is allerminst het geval voor de vestiging van de afgestudeerden daar dit, voorafgaand aan minstens een partiële herziening van de sociale zekerheid, om een federale materie gaat.
Bepaald zorgwekkend is evenwel dat er nog steeds geen beslissing werd genomen omtrent de behoeftenomschrijving, inclusief de planning van het aantal vestigingen voor België in zijn geheel en voorts onderverdeeld per Gewest. Vandaar deze concrete vragen.
Ten eerste, wanneer legt de planningscommissie precies vast hoeveel artsen zich de komende jaren kunnen vestigen ?
Ten tweede, welke verdeelsleutel zal hierbij worden gehanteerd ?
Ten derde, van welke criteria gaat men uit bij het vastleggen van deze verdeelsleutel ? Is deze enkel gebaseerd op het bevolkingscijfer, op de actuele verhoudingen in verband met het aantal artsen ? Houdt men rekening met de verouderingsgraad van de bevolking ? Houdt men rekening met regionale verschillen omtrent morbiditeit en mortaliteit ?
De Voorzitter . Het woord is aan minister Colla.
De heer Colla , minister van Volksgezondheid en Pensioenen. Mijnheer de Voorzitter, de wet tot oprichting van de planningscommissie en betreffende de aanbodsbeheersing werd, na evocatie door de Senaat, eind april goedgekeurd. Daarom kon de datum van 15 mei, datum waarop de commissie een eerste verslag diende uit te brengen, niet worden gerespecteerd. Intussen werd het koninklijk besluit aangaande de samenstelling van de planningscommissie gepubliceerd en alle instellingen die in die commissie vertegenwoordigd zijn, hebben hun vertegenwoordigers aangewezen. Op de eerste vergadering van deze commissie van 4 juni werd een werkgroep opgericht. Er is een nieuwe vergadering gepland op 18 juni aanstaande. De leden van de commissie hopen tegen die datum hun werkzaamheden te kunnen afronden.
Er is geen sprake van een verdeelsleutel. Volgens de wet moet de commissie een planningscijfer voor België in zijn geheel en een planningscijfer per Gemeenschap bepalen. Hierbij moet rekening worden gehouden met een drietal elementen : de evolutie van de behoeften, de kwaliteit van de zorgenverstrekking en de sociaal demografische evolutie van het beroep.
Deze algemene principes staan reeds in de wet en voor zover ik kennis heb van de werkzaamheden van de planningscommissie hanteert zij die ook effectief als richtsnoeren. Bij het bepalen van de behoeften houdt zij bijvoorbeeld rekening met demografische elementen als levensniveau en mortaliteit. De sociaal-demografische evolutie binnen het beroep van haar kant toont een groot overaanbod van geneesheren, waarvoor zeker ook maatregelen zullen moeten worden uitgewerkt.
Ik vestig er de aandacht op dat de taak van de planningscommissie overigens niet is afgelopen met deze ene oefening en dat zij deze jaarlijks zal herhalen. Dit moet ons de nodige instrumenten opleveren om regelmatig correcties aan ons beleid aan te brengen.
Resumerend kan ik de heer Vandenbroeke dus bevestigen dat de planningscommissie in haar opdracht zeker rekening houdt met de planningselementen die hij zelf in zijn vraag heeft vernoemd.
De Voorzitter . Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een repliek.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord en stel hem tegelijk twee bijkomende vragen.
Uit wat in de media verschijnt, meen ik te kunnen opmaken dat de planningscommissie twee denkrichtingen onderzoekt, die, wat de cijfers betreft, uitlopen op een minimaal en een maximaal eindresultaat. Heeft de minister enig idee waaraan wij ons over een kleine week kunnen verwachten ?
De tweede vraag stel ik in het bijzonder in mijn hoedanigheid van gemeenschapssenator. De Gemeenschappen, zeker de Vlaamse Gemeenschap, zijn op het ogenblik bezig de opleidingen tot geneesheer te herzien en proberen onder meer de instroom onder controle te krijgen. Wordt daarover overleg gepleegd tussen de planningscommissie en de Gemeenschappen om bijvoorbeeld de instroom van geneeskundestudenten in overeenstemming te brengen met wat de planningscommissie uitwerkt inzake vestigingen, of werken deze totaal los van elkaar ?
De Voorzitter . Het woord is aan minister Colla.
De heer Colla , minister van Volksgezondheid en Pensioenen. Mijnheer de Voorzitter, ik heb geen idee welk cijfer de planningscommissie uiteindelijk zal vooropstellen. Ik hoor dezelfde geruchten als de heer Vandenbroeke, maar verder wens ik mij daar ook niet mee te bemoeien. Nu wij eindelijk een wetenschappelijke commissie hebben met vertegenwoordigers van de federale administratie, de Gemeenschappen, de universiteiten en de betrokken beroepsgroepen om op een zo objectief mogelijke wijze een planningscijfer te bepalen, laat ik deze commissie rustig haar werk doen en wacht het resultaat gewoon af, zonder enige invloed uit te oefenen.
Over de aard en de inhoud van de maatregelen die de Gemeenschappen op het ogenblik aan het nemen zijn om de instroom van geneeskundestudenten onder controle te krijgen, heb ik wel mijn persoonlijke mening, maar als federaal minister heb ik daarover geen oordeel te vellen. Dit behoort volledig tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen. Er bestaat natuurlijk een raakpunt tussen de instroom en vestiging. Ik wijs er echter op dat de Gemeenschappen in de planning betrokken worden via de planningscommissie. Eenmaal er een vestigingscijfer is vastgelegd hebben zij tot taak de instroom zo te organiseren dat dit cijfer ook effectief kan worden gehaald. Doen zij dat niet, dan heeft de federale overheid uiteindelijk nog altijd de wettelijke mogelijkheid om in te grijpen.
De Voorzitter . Het incident is gesloten.
L'incident est clos.