1-65 | 1-65 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU MERCREDI 24 JUILLET 1996 |
VERGADERINGEN VAN WOENSDAG 24 JULI 1996 |
Algemene beraadslaging
Discussion générale
De Voorzitter. Wij vatten de bespreking aan van het wetsontwerp strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
Nous abordons l'examen du projet de loi visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
De algemene beraadslaging is geopend.
La discussion générale est ouverte.
Het woord is aan de heer Moens, co-rapporteur.
De heer Moens (SP), co-rapporteur. Mijnheer de Voorzitter, bij het begin van de bespreking van dit belangrijk wetsontwerp moet ik natuurlijk een aantal dankwoorden uitspreken. Als rapporteur ben ik bijzonder gevoelig voor het werk dat door de diensten van de Senaat werd geleverd. Zij hebben op heel korte tijd en in ondankbare omstandigheden zij hebben het hele weekend gewerkt een bijzonder mooi document tot stand gebracht. Ik zal mij vandaag beperken tot een commentaar bij dit verslag. De Voorzitter heeft mij dit trouwens per brief gevraagd.
Ik richt ook een woord van dank tot de voorzitter van de commissie, de heer Hatry, die de werkzaamheden op de hem bekende wijze heeft geleid. Twee van zijn kenmerken wil ik hier in het bijzonder naar voor brengen : zijn koppigheid en zijn intelligentie. Zijn intelligentie is evenwel zo groot dat hij weet wanneer hij moet ophouden koppig te zijn. Ook dat hebben wij tijdens de werkzaamheden herhaaldelijk kunnen ondervinden.
De leden van de meerderheid hebben uitstekend werk verricht zonder in uitvoerige besprekingen te vervallen. Zij hebben zich matig getoond. Iedereen weet dat in Reinaert De Vos staat dat mate ten allen spele goed is. De oppositie heeft van haar spreektijd gebruik, maar nuttig gebruik gemaakt. Hierdoor kon het debat in de commissie met medewerking van de ministers op een grondige en degelijke wijze verlopen.
Ik zal hier de algemene bespreking in de commissie samenvatten. Co-rapporteur Goovaerts zal toelichting geven bij de artikelsgewijze bespreking en de amendementen.
Wij hebben rond drie thema's gewerkt. Ten eerste behandelden wij het gebruik van bijzondere machten en het advies van de Raad van State hieromtrent. Ten tweede hadden wij het over de voor- en nadelen van de deelname aan de EMU, maar ook over de voor- en nadelen van de EMU zelf. Ten derde hebben wij vooral nagegaan hoever België staat met het oog op de toetreding : welke maatregelen werden er tot nu toe reeds genomen en welke maatregelen moeten er nog worden genomen om bij de eersten te zijn om tot de Unie toe te treden.
Wat het advies van de Raad van State over het gebruik van bijzondere machten betreft, heeft de commissie zich vooral bezig gehouden met het beoordelen van de vier criteria die de Raad van State noodzakelijk acht om van bijzondere machten te kunnen gebruik maken.
Het eerste criterium is het zich voordoen van bijzondere omstandigheden, van urgentie. De oppositie zegde dat die bijzondere omstandigheden er niet zijn. Al jaar en dag, sinds 1993, weten wij eigenlijk al dat wij tot de Unie zullen moeten toetreden. Men had volgens de oppositie dus al eerder maatregelen kunnen nemen, maar dat is niet gebeurd. De meerderheid van haar kant beweerde dat er wel maatregelen werden genomen en dat wij op de goede weg zijn. De cijfers tonen aan dat België de voorwaarden gaat vervullen. Volgens de meerderheid zijn de bijzondere machten nodig om elk risico dat in de periode van anderhalf jaar die voor ons ligt, zou kunnen opduiken, onmiddellijk de kop in te drukken.
Het tweede criterium dat de Raad van State oplegt, is een beperking in de tijd van het gebruik van bijzondere machten. De oppositie haalde aan dat de periode van vijftien maanden veel te lang is, dat zoiets nog nooit is gebeurd. De meerderheid argumenteerde dat er in principe alleen maar in 1996 maatregelen zullen worden genomen in het kader van deze bijzondere-machtenwet. Die maatregelen zullen een eventuele ontsporing van de begroting van 1996 bijspijkeren. De maatregelen zullen ook ter sprake komen op het ogenblik dat de begroting voor 1997 wordt uitgewerkt, maar die zal nog dit jaar worden voorbereid. In 1997 zullen alleen « ontsporingsbeperkingen » worden opgelegd. Als er in 1997 iets gebeurt waaruit blijkt dat extra maatregelen noodzakelijk zijn, dan zullen deze bijzondere machten gebruikt worden.
De oppositie vindt de omschrijving veel te vaag. Zoals de Vice-Eerste minister herhaaldelijk heeft aangetoond, blijkt uit de lectuur dat de bijzondere machten van de jaren 80 niet zo veel verschillen van wat wordt bepaald in deze kaderwetten. De regeling voor de bekrachtiging van de uitvoeringsbesluiten zou zelfs beter zijn dan in het verleden, vermits het Parlement zich ertoe geëngageerd heeft de besluiten telkens na periodes van vier maanden te bekrachtigen.
Vermits de oppositie van oordeel is dat er voor de criteria die de Raad van State noodzakelijk acht « neen » moet worden geantwoord, is er volgens hen ook geen enkele reden om bijzondere machten toe te kennen. Volgens hen wil de Regering kaderwetten gebruiken om de discordantie in de meerderheid en de onenigheid over de te nemen maatregelen te verbergen. Vermits de meerderheid van oordeel is dat de vier voorwaarden die de Raad van State stelt, wel vervuld zijn, wordt dit argument van de oppositie zonder voorwerp. De meerderheid zal de vereiste maatregelen nemen in volledige eensgezindheid, en de Regering en het Parlement zullen in deze besluitvorming één blok vormen.
Dat de politieke democratie in gevaar wordt gebracht, wordt eveneens door de meerderheid weerlegd. Ons land is nog steeds een rechtsstaat en er is ook geen reden om aan te nemen dat dit in de toekomst zal veranderen.«Volgens de oppositie zou de Staat desintegreren. Door volmachten zou de Regering het federaliseringsproces beïnvloeden en de bevoegdheden beperken die aan Gewesten, Gemeenschappen en ondergeschikte besturen worden toegekend en aangezien de Regering de fiscale wetten bij volmachten zou wijzigen, zou zij de middelen van deze instanties op een of andere manier kunnen beperken.
De Vice-Eerste minister weerlegde deze bewering door erop te wijzen dat het om uitvoeringsbesluiten gaat en niet om wetten en dat deze besluiten pas wetten worden van zodra ze door de wetgever worden bekrachtigd. Deze besluiten zijn ook onderworpen aan de controle van de rechtbanken en van de Raad van State, zodat onmiddellijk op mogelijke bevoegdheidsoverschrijding zal worden gewezen.
Een laatste argumen in deze discussie is dat het evocatierecht dat door 15 senatoren kan worden ingeroepen, met voeten wordt getreden. Doordaat ze de bijzondere machtenbesluiten niet naar zich toe kunnen trekken, zouden ze niet meer in staat zijn hun grondwettelijk recht uit te oefenen. Deze bewering van de oppositie werd weerlegd met hetzelfde argument als hierboven. Het gaat om uitvoeringsbesluiten en die kunnen niet worden geëvoceerd. Anders zou de Senaat zelfs meer machten krijgen dan de Kamer, die in ons land uiteindelijk de eerste wetgever is.
Het tweede hoofdstuk betreft de voor- en nadelen van de EMU en de eventuele alternatieven.
Bijna alle leden van de commissie zijn voorstander van de EMU, zij het met nuanceverschillen. Sommigen zijn van oordeel dat de EMU niet de ideale oplossing is en dat misschien beter voor een andere oplossing zou worden gekozen. Anderen zijn dan weer de mening toegedaan dat België niet in staat zal zijn om van in het begin tot de EMU toe te treden.
Laten we de kansen van ons land nagaan, zoals in de commissie is gebeurd.
België scoort voor sommige punten goed en voor andere punten slecht. Slecht zijn onze hoge schuldquote en het feit dat wij de 3 pct.-norm alleen met trucs zouden kunnen halen, trucs die volgens sommigen in het verleden al werden gebruikt. Slecht zijn eveneens de grote arbeidskost die ons een nadeel zal bezorgen ten opzichte van de partnerlanden in de EMU, en in laatste instantie het feit dat ons consumptie- en investeringsniveau op een laag peil staat. Punten in ons voordeel zijn onze lage inflatie, de rentestand die goed onder controle is, het surplus op onze handelsbalans en onze sterke munt. In verband met de schuld ging de discussie vooral over de vraag of deze snel genoeg zou kunnen worden afgebouwd. De meerderheid was van mening dat een voortdurende daling van de schuldenlast met 1 à 2 pct. per jaar zou kunnen volstaan, de oppositie dacht dat dit ritme gedurende een aantal jaren ten minste 4 à 5 pct. zou dienen te belopen. In de commissie werd daartegen ingebracht dat 1 pct. vermindering van de schuldenlast overeenkomt met zowat honderd miljard per jaar; de bedragen die met 4 à 5 pct. overeenkomen zijn wellicht niet haalbaar voor onze economie.
Het netto te financieren saldo van 3 pct. moest voor de oppositie steevast tot 2,8 pct. worden teruggebracht. Het halen van de 2,8 pct. zou zowel de meerderheid als de Regering vreugdevol stemmen en als een meevaller kunnen worden beschouwd. De Regering is uiteraard niet van plan ook maar iets te ondernemen dat een dergelijk gunstig resultaat zou kunnen tegenwerken. Mijns inziens is dat een wijze houding. Als de 2,8 pct. op een normale en sociaal aanvaardbare wijze kan worden bereikt, zal niemand daar bezwaren tegen opperen. Integendeel, het zal België in een betere uitgangspositie plaatsen om de discussie over de schuldquote aan te gaan.
Zowel de meerderheid als de Vice-Eerste minister hebben toegegeven dat de hoge arbeidskost een kluif voor de oppositie kan vormen. Precies met het oog op de beheersing van die arbeidskost wordt de wet op het herstel van het concurrentievermogen uitgevaardigd.
Een eerder tweeslachtig argument werd gebruikt in de redenering die uitging van het vermoeden dat andere landen die ook niet aan de norm van Maastricht voldoen, protest zouden aantekenen tegen de opname van België in de kopgroep. De Vice-Eerste minister heeft hierop geantwoord dat deze landen in elk geval de opname van België in de kopgroep zouden toejuichen om dit gebrek aan orthodoxie over één of twee jaar als argument in hun eigen voordeel te kunnen gebruiken. Het feit dat België de norm inzake de openbare schuldenlast wel nastreeft, maar nog niet heeft gehaald, zou dus een tweevoudig voordeel kunnen betekenen.
De volledige commissie was het erover eens dat het niet-toetreden tot de Europese muntunie een volslagen ramp zou zijn, zowel voor onze muntstabiliteit, voor onze lage inflatie en vooral voor het renteniveau, dat enorm zou stijgen en door het gewicht van de staatsschuld voor hectische begrotingstoestanden zou zorgen. Vandaar dat de enige mogelijkheid die voor ons openligt, erin bestaat de nodige inspanningen te leveren om de kopgroep niet te lossen.
Sommigen dachten dat niet-toetreding als voordeel zou hebben dat wij onze situatie zouden kunnen verbeteren door een reeks competitieve devaluaties. De Vice-Eerste minister heeft dit weerlegd en erop gewezen dat de kandidaten voor het EMU-lidmaatschap hoe dan ook aan dezelfde strenge criteria zullen worden onderworpen als de landen die tot de kopgroep behoren. Nahinken helpt ons land dus niets vooruit, de criteria blijven immers dezelfde. Wij zouden dus alleen maar de nadelen van het systeem hebben en geen enkel voordeel.
Welke maatregelen zijn reeds of worden nog getroffen ter voorbereiding van België op de intreding in de EMU ? Op dit punt was de kritiek van de oppositie bijzonder scherp. België probeert de norm te halen nagenoeg uitsluitend door een verhoging van de inkomsten en zonder voldoende inspanningen te leveren op het vlak van de uitgaven. Volgens de economische theorie van de oppositie leidt dit tot een beperking van het aanbod, dus minder investeringen, dus meer werkloosheid, dus minder consumptie-uitgaven, dus minder produktie en de vicieuze cirkel is rond.
Volgens de oppositie moeten wij dus niet onze toevlucht nemen tot een verhoging van de inkomsten, maar wel tot een beperking van de uitgaven. De Vice-Eerste minister en bepaalde commissieleden hebben hierop geantwoord dat een beperking van de uitgaven ook een beperking van de consumptie meebrengt en dat we dan misschien in een gelijkaardige cirkel terechtkomen : minder consumptie, dus minder produktie, dus minder investeringen, enzovoort.
Volgens de economische theorie is het dus niet bewezen dat het ene systeem een andere invloed zou hebben dan het andere. Dat was althans het antwoord van de meerderheid en de wijsheid kwam daarbij van de minister van Begroting die zegde dat wij op beide paarden moeten wedden en zowel de inkomsten moeten verhogen als de uitgaven moeten beperken.
In dezelfde lijn maakte de oppositie ook opmerkingen op concrete voorstellen die circuleerden. Men had het over een algemene sociale bijdrage, taksen op bits, een belasting op de netto activa op de balansen van de vennootschappen, een vermogensbelasting en dergelijke meer. De minister van Financiën antwoordde daarop dat de Regering over al deze elementen nadenkt en studies laat maken, maar dat het absoluut voorbarig zou zijn daarover nu reeds verklaringen af te leggen, of zelfs maar een discussie te beginnen. Op het ogenblik dat er concrete cijfers zijn, dat de Regering haar standpunt heeft bepaald, zal het Parlement daarover uitvoerig van gedachten kunnen wisselen.
Ongeveer hetzelfde antwoord werd gegeven in verband met de sociale lasten. Indien wij de sociale lasten die op de bedrijven drukken, willen verminderen, en dit willen compenseren door alternatieve financiering, dit wil zeggen door het opleggen van nieuwe lasten, dan rijden we volgens de oppositie dezelfde scheve schaats. Hierop hebben de ministers van Financiën en van Begroting geantwoord dat naast de verbetering van de economische prestaties op korte termijn ook de sanering van de begroting een belangrijk gegeven is. Indien wij de inkomsten verlagen en de uitgaven, die toch bijzonder moeilijk samendrukbaar zijn, niet in dezelfde mate verminderen, dan zal het begrotingstekort toenemen en dat zal de problemen van België nog verzwaren.
Op het vlak van de werkloosheid is België volgens de oppositie de zieke man van Europa. Bij wijze van antwoord verwees de meerderheid naar een andere uitspraak van de oppositie dat Europa de zieke man van de wereld is. In die zin is België er eigenlijk niet erger aan toe dan de collega-landen die ook tot de EMU willen toetreden.
Vlaanderen zou gediscrimineerd worden door het feit dat vooral aan inkomstenzijde wordt gesleuteld, maar de Vice-Eerste minister heeft geantwoord dat de uitgaven evenzeer aan bod komen.
Wat heeft de Regering tot nu toe gedaan ? Zij heeft de fiscale fraude toch wel sterk aangepakt. Zij wil via overheidsbestedingen een bijzondere bijdrage leveren voor de herverdeling van de arbeid om zo de solidariteit in onze samenleving op peil te houden. De Vice-Eerste minister heeft erop gewezen dat we, als we alles in detail bekijken en daarop zullen verscheidene sprekers straks ongetwijfeld ingaan niet beter, maar zeker ook niet slechter scoren dan Nederland op het vlak van de begrotingsinspanningen van de jongste jaren.
Het verslag werd goedgekeurd. De amendementen werden allemaal verworpen, maar de heer Goovaerts zal het daar wellicht over hebben. De Regering kreeg van de commissie het vertrouwen voor haar werk. (Applaus.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Goovaerts, co-rapporteur.
De heer Goovaerts (VLD), co-rapporteur. Mijnheer de Voorzitter, ik heb bewondering voor de manier waarop de heer Moens het verslag van de commissiewerkzaamheden naar voren heeft gebracht. Hij deed dit met zo'n emfaze dat ik op bepaalde ogenblikken niet meer wist of hij een uiteenzetting aan het houden was voor de socialistische partij en voor de meerderheid of een verslag aan het uitbrengen was.
Ik had hier goede leermeesters en van hen leerde ik dat in een verslag de standpunten van de commissieleden worden weergegeven en dat men het niet voorstelt als een battle tussen meerderheid en oppositie. Het is trouwens een traditie in de Senaat dat een verslag zo neutraal mogelijk wordt opgesteld. Ik neem wel aan dat de heer Moens misschien wat problemen had bij het opstellen van het verslag omdat de meeste commissieleden van de meerderheid hun mond niet hebben opengedaan.
Mijn uiteenzetting als rapporteur zal niet alleen objectief en neutraal, maar ook kort zijn.
Bij de aanvang van dit debat hanteert men al onmiddellijk de termen « meerderheid » en « oppositie ». Welnu, in naam van de oppositie wens ik mijn appreciatie te uiten voor de diensten van de Senaat. Zij hebben immers in moeilijke omstandigheden gewerkt. Ze zijn er zelfs in geslaagd mijn vormelijke opmerkingen te ordenen.
Ik zal de negentig minuten spreektijd die ik heb gevraagd inkorten uit respect voor al degenen die het de jongste dagen zo moeilijk hebben gehad.
De meeste amendementen waren interessant, sommige waren zelfs merkwaardig. Ze werden op een gedegen en intelligente wijze verdedigd, maar ze werden allemaal met of zonder redenen afgewezen. Als ze met redenen werden afgewezen, werd hiervoor een logische, intellectuele en steekhoudende redenering gebracht. Als ze zonder redenen werden afgewezen, was het omdat er gewoon geen enkel amendement werd aanvaard.
Laat ons nu even de inhoud van de amendementen bekijken. Er werd een amendement ingediend om het opschrift van het ontwerp te wijzigen. Bij artikel 1 werd een amendement ingediend ertoe strekkend de draagwijdte te beperken van de bijzondere machten die de Regering zich toekent. Bij artikel 2 werden bij amendement een aantal taalverbeteringen voorgesteld. Een amendement, ingediend door de heer Coene en mijzelf, aangaande het deficit van 2,8 pct. van het BBP, gaf aanleiding tot een uitvoerige discussie. Ik verwijs daarvoor naar het verslag.
De indieners van de amendementen bij artikel 2 hebben vooral onderstreept dat de koopkracht van de minst gegoeden moest worden gevrijwaard om de armoede tegen te gaan, dat de fiscale druk in geen geval mocht verhogen en dat men moest nagaan wat de invloed was van de belastingverhogingen in de regio's. Die amendementen werden allemaal verworpen.
Artikel 3 betreft de maatregelen die onrechtstreeks zouden kunnen worden genomen door de Regering. Er werd lang gediscussieerd over de betekenis van het woord onrechtstreeks. Ook de indexering van de belastingschalen gaf aanleiding tot discussie. Zij zou opgeschort zijn en op het einde van 1996 terug worden ingevoerd. De Vice-Eerste minister kan desaangaande geen bevestiging geven.
Verder had men het over allerhande maatregelen die de economische vooruitgang van het land niet zouden dienen en derhalve, volgens de indieners van de amendementen, dienden te worden opgeschort. De Regering was het daar niet mee eens.
Andere amendementen hadden tot doel een heffing op de bruto-inkomsten van de ondernemingen te vermijden en in te gaan tegen een vermogensbelasting op roerende en onroerende goederen; een zekere selectiviteit in de sociale zekerheid in te voeren; de opbrengsten van privatiseringen aan te wenden voor schulddelging en niet voor comsumptieve uitgaven in hoofde van de Staat.
Ten slotte werden amendementen ingediend met betrekking tot de termijnen en de wijze van bekendmaking van de gevolgen van deze kaderwetten. Er is ook gediscussieerd over de manier waarop het verslag aan de Kamer moet worden voorgelegd.
Al deze amendementen zijn dus in de commissie verworpen.
Mijnheer de Voorzitter, tot zover mijn aandeel in de verslaggeving over de bespreking van dit ontwerp in de commissie.
De stilte die ik heb laten vallen, dient om het verschil aan te duiden tussen mijn taak als rapporteur en mijn opdracht van gemandateerd spreker van de VLD.
Sommige zullen zich herinneren dat ongeveer een jaar geleden vervroegde parlementsverkiezingen hebben plaatsgevonden met de bedoeling snel een jonge, frisse Regering op de been te kunnen brengen. Ik moet u niet zeggen wat de resultaten zijn van die verfrissing. De Eerste minister heeft dat vorige zondag in Oostende kunnen ervaren. Men heeft hem daar immers massaal uitgefloten. De mensen beseffen maar al te goed wat er een jaar geleden gebeurd is. Het zou niet slecht zijn ons daarover ook even te bezinnen. De burger heeft ervaren dat dit « misbruik van vertrouwen » kan leiden tot een bepaalde vorm van egoïstische lafheid. Hij neemt dat niet. Maar de molen draait door, niet meer met gewone wetten, maar met kaderwetten. Wij zullen het daar dan ook over hebben.
De kaderwet die mij bijzonder interesseert, is de kaderwet met betrekking tot de EMU. Iedereen vindt daarin zijn gading. De CVP krijgt haar Maastrichtnorm, de PS heeft de pen mogen vasthouden voor de redactie van de kaderwet op de modernisering van de sociale zekerheid. De heer Van Rompuy heeft moeten inbinden wat betreft zijn vroegere verklaring dat de sociale zekerheid tijdens de begrotingsopmaak 1997 niet langer buiten de saneringsoperatie kan blijven. Wij zien nu waar de Regering naartoe wil.
De ingrepen langs de uitgavenzijde zullen dus beperkt blijven tot enkele marginale bijsturingen. Het evenwicht in de sociale zekerheid wordt nagestreefd door een resem nieuwe belastingverhogingen, die de Regering, traditiegetrouw, eufemistisch « alternatieve financiering » noemt. De mensen weten intussen ook wat dat betekent.
Belastingverhogingen werken echter contraproduktief. Ze hypothekeren de economische groei en dus ook de werkgelegenheid. Er is, sedert het eigengereide regeren van Eerste minister Dehaene nog niet veel te merken geweest van de beloofde vooruitgang. De heer Dehaene heeft zichzelf in een dwangbuis gewerkt en hij geraakt daar niet meer uit, tenzij men hem afvoert en dat zal over enkele jaren waarschijnlijk gebeuren. Het heeft geen zin de mensen op droog zaad te zetten, maar de uitkeringen moeten overbodig worden gemaakt door de mensen opnieuw in te schakelen in het arbeidsproces. Dat is de enige manier om de druk van de sociale zekerheid op de overheidsfinanciën te verlagen. In Nederland en Denemarken, en in tal van Europese landen, heeft men dat begrepen, maar in België houdt men krampachtig vast aan voorbijgestreefde remedies die onze welvaart nog meer ondermijnen.
Mijnheer de Voorzitter, ik had het kunnen hebben over de fiscale maatregelen die genomen zijn toen de liberalen mee in de Regering zaten. Ik had het kunnen hebben over de wet-Cooreman-De Clercq die, zoals ook wetenschappelijk is aangetoond, uiterst gunstig was voor de ondernemingen en voor de werkgelegenheid. Ik zou u kunnen spreken over de indexering van de belastingschalen waarbij men correct is geweest tegenover de burger en over andere maatregelen zoals de verlaging van de belastingtarieven, de splitsing van het belastbaar inkomen voor tweeverdieners en over de invoering van een verhoogde aftrek voor kinderlast. Ik zou ook lang kunnen uitweiden over de lastenverhogingen die deze Regering heeft goedgekeurd. Ik moet mij echter beperken tot de hoofdzaken.
Het bewind van de heer Dehaene heeft al een paar honderdduizend arbeidsplaatsen gekost en 300 miljard belastingen opgebracht. Wij verwachten dat er nog ongeveer 100 miljard belastingen zullen bijkomen. Op 1 januari 1990 bedroeg de accijns op loodhoudende benzine 13,85 frank per liter. Thans bedraagt hij 18,95 frank per liter plus 0,55 frank bijdrage op de energie. De accijns op de loodvrije benzine, op de diesel en op de sigaretten vertoont een gelijkaardige evolutie. Ik ben geen voorstander van sigaretten. Roken is slecht voor de gezondheid. De mensen die het roken niet kunnen laten, moeten vaststellen dat de taks van 1991 tot 1994 is gestegen van 197 frank tot 357 frank per 1 000 stuks.
Op het vlak van de personenbelasting werden de mogelijkheden met betrekking tot de aangifte van de reële kosten drastisch teruggeschroefd. Er wordt nu gewerkt met forfaitaire kosten, waardoor de Regering een hoger bedrag aan belastingen ontvangt.
Ik zal het niet hebben over de evoluties in de vennootschapsbelasting, noch over de lawine van taksen en verhogingen in de verzekeringssector en in de financiële sector of over de maatregelen die thans worden uitgewerkt en die 100 miljard extra zullen opleveren.
Ik zal het hebben over de manier waarop in ons land belastingen worden betaald, wie de belastingen betaalt, welke regio ze betaalt en wat de verhouding is tussen de regio's. In de eerste plaats zal ik verwijzen naar de regionale verdeling van de spontaan betaalde belastingen, zowel de personenbelasting als de vennootschapsbelasting. Hierbij zal de bijdrage van de Gewesten inzake de spontane aangifte en betaling van belasting worden onderzocht.
Ik zal verder spreken over de regionale verdeling van de herzieningen van belastingen ingevolge controle bij natuurlijke personen en vennootschappen. Het gaat hierbij over de inning en de controle. Voorts is er de regionale verdeling van de BTW-herzieningen ingevolge controles met betrekking tot de vaststelling van de BTW bij nieuwbouw. Dit is eveneens een kwestie van inning en controle.
Ten slotte vermeld ik nog de ventilatie van de successierechten in termen van gewestelijke belastingen. Hieruit kan de weerslag van andere « geprojecteerde » belastingen, zoals de huurbelasting, de algemene sociale bijdrage en de vermogensbelasting worden afgeleid.
Bij het onderzoek naar de regionale verdeling van de belastingen moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de verdeling van de bevolking over de Gewesten. Op 1 januari 1994 bedroeg het bevolkingsaandeel van het Vlaamse Gewest 57,89 pct., dat van het Waalse Gewest 32,72 pct. en van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 9,39 pct. Het aantal aangiften in de personenbelasting bedroeg voor het aanslagjaar 1994, 59,03 pct. voor het Vlaamse Gewest, 31,69 pct. voor het Waalse Gewest en 9,28 pct. voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Uit de algemene toelichting bij de begroting 1996 blijkt dat de opbrengst van de personenbelasting voor het aanslagjaar 1994, afgesloten op 30 juni 1995, 61,23 pct. bedroeg in het Vlaamse Gewest, 28,94 pct. in het Waalse Gewest en 9,83 pct. in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Hoe ziet de verdeling van de vennootschapsbelasting er uit ? In het aanslagjaar 1994, was 57,21 pct. van de vennootschappen in het Vlaamse Gewest gevestigd, en 24,67 pct. in het Waalse Gewest. 18,21 pct. van de vennootschappen is gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
De minister van Financiën antwoordde op een schriftelijke vraag dat de opbrengst van de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1994, in het Vlaamse Gewest 48,75 pct. bedroeg, in het Waalse Gewest 15,42 pct. en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 35,83 pct.
De opbrengst van de belastingen is belangrijk, niet zozeer het aantal aangiften die werden geverifieerd. In 1995 ontving de administratie ongeveer 540 000 aangiften van handelaars en vrije beroepen en een kleine 300 000 aangiften van vennootschappen. Het jaarverslag van de Algemene Administratie van de Belastingen over het jaar 1995 geeft niet de verdeling weer van de inkomstenverhogingen ten laste van natuurlijke personen en vennootschappen over de Gewesten. Op basis van de regionale verdeling van de opbrengst van de personen- en van de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1994, kan voor het aanslagjaar 1995 een verdeling over de Gewesten worden gemaakt.
Ik onderstreep dat het hier niet gaat over de spontaan betaalde belastingen, maar over de inkomstenverhogingen na controle van de aangifte.
Voor de natuurlijke personen bedroeg dit 132 052 miljoen frank. In het Vlaamse Gewest bedroegen de inkomstenverhogingen 80 855 miljoen frank; in het Waalse Gewest 38 216 miljoen frank en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 12 981 miljoen frank.
Voor de vennootschappen was het bedrag van de inkomstenverhogingen, op een totaal van 129 872 miljoen frank, vennootschapsbelasting in het Vlaamse Gewest 63 313 miljoen frank, in het Waalse Gewest 20 026 miljoen frank en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 46 533 miljoen frank.
Van de totale inkomstenverhoging ten belope van 261 924 miljoen frank, was 144 168 miljoen frank ten laste van het Vlaamse Gewest, 58 242 miljoen frank was ten laste van het Waalse Gewest en 59 519 miljoen frank was ten laste van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Ten derde zijn er de controles op het vlak van de BTW. Belastingsupplementen moeten worden betaald door de BTW-plichtige, die gehouden is tot het indienen van een BTW-aangifte. Het gaat hier dus over de BTW, bepaald op basis van de facturen van aannemers voor het bouwen van woningen, voor de aankopen en voor het werk dat zij presteren.
Langs de andere kant wordt de BTW echter berekend op basis van het bouwplan, verminderd met de niet-uitgevoerde werken en met de werken die naar een latere datum worden verschoven. Vervolgens wordt het verschil tussen beide bedragen berekend en wordt de bouwheer in voorkomend geval een toeslag aangerekend.
In antwoord op een vraag naar het aantal behandelde dossiers en de hoogte van de belastingsupplementen per Gewest gaf de Vice-Eerste minister volgende cijfers : 82,54 pct. van de dossiers werd behandeld in het Vlaamse Gewest, 17,03 pct. in het Waalse Gewest en 0,43 pct. in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; 90,28 pct. van de verschuldigde BTW was voor het Vlaamse Gewest, 8,69 pct. voor het Waalse Gewest en 1,03 pct. voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ik vestig er uw aandacht op dat die BTW-opbrengsten alternatieve inkomsten zijn voor de sociale zekerheid. In het totaal gaat het om een bedrag van nagenoeg 360 miljoen.
Vervolgens wil ik het ook hebben over de successierechten en over vermogensbelasting. Er wordt immers veel gesproken over successierechten en over vermogensbelasting. Wij moeten echter toch eens goed nakijken wat de situatie ter zake is.
Het is natuurlijk interessant, maar ook ontmoedigend, de reële druk van de successierechten te vergelijken in 1936, het jaar dat het nieuwe Wetboek der successierechten van toepassing werd, in 1963, het eerste jaar dat de belastinghervorming werd toegepast, en in 1987. In die periode vertoonden de nominale schijven en de percentages een niet-geringe stijging. Ik beperk mij tot het tarief dat geldt en gold voor een erfdeel in rechte lijn.
Voor de eerste schijf van 500 000 frank groeiden de percentages vrij matig van 2,82 pct. in 1936, naar 2,92 pct. in 1963 en tot 3 pct. in 1987. Voor de schijf van 10 tot 11 miljoen groeiden de percentages echter van 14 naar 24 pct. In 1936 en 1963 bedroegen de voeten maximaal 14 en 15,4 pct., maar in 1987 was men al 30 pct. verschuldigd op elk bedrag boven 20 miljoen frank. Indien wij uitgaan van een index 100 in de periode 1936-1938, dan zien wij dat die index in 1963 al 478 bereikte en in 1986 opklom tot 1779. In 1987 zaten wij dus met een index van ongeveer 1800.
Omgekeerd kunnen wij vaststellen dat de koopkracht van de frank in 1987 bijna viermaal kleiner is dan in 1983 en achttienmaal kleiner dan in 1936. Een frank in 1987 was dus evenveel waard als 0,27 frank in 1963 of als 0,055 frank in 1936. Een miljoen in 1987 was evenveel waard als 270 000 frank in 1963 of als 55 500 frank in 1936.
In 1987 werd een erfdeel van 1 miljoen frank belast tegen 3,5 pct. In 1963 werd een erfdeel van 270 000 frank belast tegen 2,59 pct. In 1936 werd een erfdeel van 55 000 frank belast tegen 1,78 pct.
Indien wij dezelfde berekening maken voor de schijf gaande tot elf miljoen, dan stellen wij vast dat de schijf van 2 655 500 frank tot 2 291 050 frank in 1963 belast werd tegen 6,1 pct. De schijf van 55 500 frank tot 61 100 frank werd in 1936 belast tegen 2,5 pct. Het elfde miljoen wordt in 1987 dus driemaal zwaarder belast dan een bedrag met dezelfde koopkracht in 1963 en achtmaal zwaarder dan dat bedrag in 1936.
Erger nog : in 1987 is het hoogste tarief 30 pct. vanaf het 21e miljoen. Dat tarief bedroeg in 1963 slechts 7 tot 8 pct. en in 1936 maar 4 pct., altijd rekening houdend met de vergelijkbare koopkracht van de munt.
Aangezien de schijven en tarieven van de successierechten niet worden geïndexeerd, wordt een erfdeel van 1 miljoen in 1987 als volgt belast : 35 000 frank bruto-successierecht en 15 000 frank vrijstelling voor de eerste schijf van 500 000 frank, wat de verschuldigde belasting op 20 000 frank brengt. Een erfdeel van 1 miljoen in 1987 stemt overeen met een erfdeel van 1 236 900 frank in 1996. In 1996 wordt dit erfdeel als volgt belast : 46 845 frank bruto-successierecht en een vrijstelling van 15 000 frank voor de eerste 500 000 frank, wat de verschuldigde belasting op 31 845 frank brengt.
Het gevolg van het niet-indexeren van de tarieven van het successierecht is dan ook duidelijk.
In ons voorbeeld bedraagt het erfdeel in 1996 123,69 pct. van het erfdeel in 1987. De toename is het gevolg van de indexaanpassing, terwijl de verschuldigde belasting ingevolge het gecombineerd effect van de inflatie en de progressiviteit van de tarieven 159,22 pct. bedraagt van de belasting in 1987.
Tot slot van het hoofdstuk successierechten geef ik de cijfers van tabel 4 van de gewestelijke belastingen voor 1996. In Vlaanderen gaat het om 13 miljard 159 miljoen, in Wallonië om 6 miljard 968 miljoen en in Brussel om 6 miljard 72 miljoen.
Ik kom tot mijn besluit. Ik stel vast dat wij leven in een systeem waarin één partij niet een regio, want ik heb het grootste respect voor de regio in kwestie en voor de mensen die er wonen erin slaagst heel een systeem systematisch scheef te trekken. Als men daarenboven nog een huurbelasting, een algemene sociale bijdrage en een of andere vorm van vermogensbelasting gaat invoeren, dan kunnen wij echt spreken van het institutionaliseren van fiscale systemen. Dat zal het voor ons allemaal nog erger maken, ook al ben ik ervan overtuigd dat de solidariteit moet blijven bestaan tussen Vlaanderen en Wallonië, met Brussel als een bindteken.
Als deze tendens om steeds meer belastingen te heffen zich doorzet, zullen wij op een gegeven ogenblik een grens bereiken die men niet wil overschrijden, en dan zal de explosie volgen. Als wij de regio's thans niet meer fiscale mogelijkheden geven, zonder daarbij het systeem van de solidariteit in het gedrang te brengen, dan zal men op een bepaald ogenblik op grote moeilijkheden stuiten. Het is dus niet aangeraden dat de Regering bij het opstellen van haar besluiten met dit gegeven geen rekening houdt; als vandaag een aantal mechanismen worden vastgelegd, dan wordt de discussieronde in 1999 nog veel moeilijker.
Mijnheer de Voorzitter, had de Regering er niet beter aan gedaan, in plaats van naar volmachten te grijpen, al deze kwesties ten gronde te bespreken met alle mensen van goede wil in dit halfrond, die weten dat dit land moet blijven voortbestaan op een manier waarbij iedereen zich goed voelt en waarbij iedereen er het zijne vindt zonder de solidariteit in gevaar te brengen ? (Applaus.)
M. le Président. La parole est à M. Hatry.
M. Hatry (PRL-FDF). Monsieur le Président, en tant que président de la commission des Finances et des Affaires économiques, je voudrais tout d'abord remercier et féliciter les deux rapporteurs, mais aussi le secrétariat des commissions ainsi que les services de traduction et d'interprétariat qui ont livré, au cours de cette brève période, un travail tout à fait remarquable. Je tiens à leur exprimer publiquement tous mes remerciements.
Je voudrais faire remarquer à M. Moens, qui a eu des paroles aimables à mon égard, que l'on ne fait jamais preuve de trop de persévérance pour donner au Sénat belge, institution à laquelle nous sommes tous attachés, un véritable rôle dans les structures institutionnelles de notre pays, d'autant que notre Sénat a commencé sa carrière sous de très fâcheux auspices à la suite de la dernière réforme institutionnelle dont le moins que l'on puisse dire est qu'elle n'est pas une réussite.
J'en arrive au thème de ce troisième projet de loi de pouvoirs spéciaux. Qui ne serait pas d'accord avec l'intégration de la Belgique dans l'Union économique et monétaire ? Ce serait vraiment nier l'évidence, et je démontrerai dans un moment que sans cette union économique et monétaire, à terme, on ne parlerait plus de l'Europe.
Imaginons un instant les États-Unis avec cinquante monnaies différentes. Pensez-vous que, dans ces conditions, la puissance américaine serait ce qu'elle est ? Nous sentons bien que la réponse est évidemment négative. Or, au dix-neuvième siècle, la situation était celle-là, et ce n'est que par l'Union économique et monétaire qui fut réalisée dans le dernier tiers du dix-neuvième siècle et au début du vingtième que les États-Unis ont atteint le sommet de la puissance économique et politique qui les caractérise encore actuellement. Nous poursuivons donc intuitivement le même objectif.
Certains sont peut-être tentés de considérer l'Union économique et monétaire comme la cerise sur le gâteau. C'est tout à fait faux et une telle comparaison n'est pas de mise.
Sans l'Union économique et monétaire, l'Europe n'existerait pas. Depuis plus de trente ans, nous poursuivons cette quête du Graal qu'est l'Union économique et monétaire.
Si, dans l'histoire de l'intégration européenne, cette période est relativement brève, il faut reconnaître qu'elle a été parsemée de nombreux échecs. Les dernières tentatives vers 1970, notamment avec le projet concrétisé par le rapport Werner, qui a ensuite succombé sous l'effet de la conjoncture déplorable ayant accompagné les chocs pétroliers et les crises qui s'en suivirent, mais aussi en raison de la querelle que l'on n'avait pas encore tenté d'apaiser à l'époque entre les monétaristes, qui voulaient faire de l'Union monétaire un élément d'intégration sans se soucier de la politique économique, et les économistes, qui plaidaient pour un rapprochement aussi intense que possible des politiques économiques et sociales avant de passer à la monnaie unique. Le rapport Werner contient d'ailleurs implicitement une leçon sur le risque que nous courions puisque, lancé en 1970, il a définitivement échoué en 1980.
Entre-temps sont intervenus d'autres projets sous forme de rapports qui ont successivement été rangés sur les étagères de l'histoire : de 1975 à 1981, le rapport Tindemans, le rapport Genscher-Colombo, le rapport Dooge.
Le Grand Marché de 1993 a finalement débuté. Ce n'était pas encore l'Union économique et monétaire, mais il fut un élément précieux et indispensable, qui nous permet aujourd'hui de parler de ce projet.
Dans le cadre de ce que nous avons tenté de réaliser dans le domaine monétaire, rappelons que deux types d'approches ont été tentés dans le passé : d'une part, le serpent monétaire européen, entre 1972 et 1978, regroupant autour du Deutsche Mark une série de monnaies qui allaient fluctuer parallèlement à celui-ci par rapport aux monnaies extérieures et, d'autre part, le système monétaire européen, de 1979 à aujourd'hui, qui, après une période de stabilité relativement longue, a connu les graves perturbations de 1992 qui ont amené une série de monnaies à en sortir.
En fait, ces deux « semi-échecs » nous ont montré la voie à suivre pour ne pas les répéter. Il convient de mettre en évidence, d'une part, l'impossibilité de réaliser sans monnaie unique l'intégration poussée à laquelle nous aspirons sur le plan théorique et, d'autre part, les avantages que l'on a parfois tendance à qualifier d'accessoires, mais qui sont essentiels.
Le fondement théorique de l'Union économique et monétaire est illustré dans ce qui fut l'échec des deux systèmes que j'ai rappelés, c'est-à-dire la tentative de concilier trois composantes, à savoir la libération intégrale des flux de capitaux tant à l'intérieur de l'Union européenne qu'à l'extérieur de celle-ci, ensuite, la stabilité des taux de change telle que préconisée dans le serpent monétaire et le système monétaire européen, et, enfin, la différenciation nationale très large des politiques économiques, sociales, budgétaires et monétaires, ainsi que de l'inflation. La conjonction de ces trois facteurs, je le répète, s'est révélée impossible. Il faut renoncer à l'un d'eux et c'est au troisième que l'on renonce aujourd'hui par l'application des critères de convergence qui permettront de rapprocher les structures des pays en question. En d'autres termes, pour atteindre les objectifs préconisés par le système monétaire européen, l'application de ces critères de convergence s'impose et la Belgique doit y souscrire de la meilleure façon possible. C'est d'ailleurs ce à quoi elle tend, pour l'instant.
Cet élément conceptuel et théorique est essentiel pour la survie du marché commun. En effet, imaginez ce que serait la libre circulation des marchandises entre des pays dont les uns auraient une monnaie ferme, avec un faible taux d'inflation, et les autres, une monnaie largement fluctuante. C'est ce qui s'est produit, depuis 1992, pour une série de monnaies, notamment celles des pays méditerranéens, mais aussi pour la livre anglaise. Quel sens aurait un marché unique dans de telles conditions ? Nous assisterions immédiatement à un appel au protectionnisme et au séparatisme économique, à savoir la mort de l'Europe.
En dehors de cette condition impérative, l'Union économique et monétaire présente un certain nombre d'avantages.
Premièrement, elle nous permettrait d'aboutir à la concrétisation définitive de l'Union européenne, à l'image du marché unique que constituent les États-Unis, et à l'éliminiation des tensions que je viens d'évoquer et qui pourraient conduire à la rupture de l'Union, si nous n'y prenions garde.
Deuxièmement, une politique monétaire conjointe serait enfin menée, au lieu d'une politique monétaire exclusivement sous le contrôle du partenaire économique le plus fort de l'Union européenne, à savoir la Deutsche Bundesbank.
Troisièmement, une perspective serait offerte en ce qui concerne la création d'une monnaie de réserve susceptible, après un certain temps, de jouer un rôle analogue et parallèle à celui du dollar américain. Il convient cependant d'assumer cette tâche avec prudence. En effet, nous pouvons nous demander si ce ne sont pas précisément les facilités inhérentes aux caractéristiques attachées à une monnaie de réserve qui expliquent, dans une certaine mesure, le laxisme budgétaire relatif jusqu'à récemment des pouvoirs publics américains. L'attrait exercé par le dollar américain sur certains pays, alors que cette monnaie est relativement faible, et fluctuante en tout cas du point de vue de sa parité monétaire internationale, résulte de cette qualité de monnaie de réserve. On peut également penser que le rôle de monnaie de réserve que jouera l'euro se substituera au moins à celui actuellement joué par le Deutsch Mark, et peut-être, dans une très modeste mesure, par d'autres monnaies, comme le florin néerlandais.
Quatrièmement, la spéculation financière prendrait fin ou car je ne veux pas exagérer en la matière elle serait plus limitée. En effet, il sera plus onéreux et plus dangereux de spéculer contre une monnaie aussi forte que l'euro que contre, par exemple, la lire, la peseta, le franc belge ou n'importe quelle autre monnaie nationale, au sein de l'Europe, et n'ayant pas le poids de l'euro. Selon moi, c'est là un point important.
J'ai déjà parlé du facteur de l'intégration politique à prendre en compte en ce qui concerne l'avenir de l'Union européenne; il me paraissait important de le rappeler.
Enfin, à l'image de la suppression des restrictions quantitatives et des droits de douane, la création d'une monnaie unique est une étape importante dans l'amélioration de la productivité des entreprises. Sans attacher un fétichisme inutile à la valeur des calculs économétriques, je voudrais cependant signaler que les études réalisées en ce domaine, en ligne avec le rapport Cecchini, font état d'un apport de la monnaie unique évalué à plus ou moins 0,4 p.c. du PIB des pays européens, ce qui n'est certainement pas négligeable.
Par ailleurs, dans le domaine des investissements, la monnaie unique est un puissant facteur d'intégration, car elle supprime les fluctuations monétaires des investissements, à long terme, de capitaux d'un pays membre dans un autre pays membre. En effet, si l'on peut facilement se prémunir contre les risques de change pour les importations ou les exportations, il est beaucoup plus difficile de le faire pour des investissements qui, en principe, se font à long terme et pour lesquels il n'est pas aisé de trouver des contreparties en garantie.
Pour les échanges, il sera dorénavant possible de facturer dans la monnaie commune, l'euro, tant sur le plan du marché européen qu'à l'extérieur. Dès lors, les importateurs et les exportateurs ne courront plus de risque en matière de taux de change. En outre, un particulier qui se déplacerait actuellement à travers les quinze pays européens en échangeant une somme d'argent à chaque passage frontalier perdrait plus de la moitié de la valeur initiale de cette somme. Cette anecdote bien connue deviendra donc une histoire du passé.
Dernière observation : en ce qui concerne l'emploi, je crois que l'équilibre sera meilleur entre l'offre et la demande et qu'il s'établira à une échelle plus grande qu'à l'heure actuelle. Même si les handicaps actuels pour faire du marché du travail un marché unique sont levés, nous serons encore loin de l'unité que représentent les États-Unis où, grâce à la flexibilité qui les caractérise, il est possible d'être occupé aujourd'hui en Nouvelle-Angleterre et demain en Californie. Avec le temps et malgré nos diversités culturelles et linguistiques, je pense que, dans le domaine de l'emploi, nous pourrons quand même trouver un modèle nouveau. Ce dernier se retrouve déjà chez les jeunes, qui sont beaucoup plus nombreux aujourd'hui que par le passé à pratiquer plusieurs langues et à se familiariser à d'autres cultures. Voici trente ou quarante ans, ils constituaient l'exception.
Dans l'ensemble, l'entrée de la Belgique dans l'Union économique et monétaire à la date envisagée est donc une nécessité absolue. Malgré certaines nuances exprimées sur ce point, je ne pense pas qu'il existe de sérieuses controverses entre nous. Mais c'est sur la façon de réaliser les fameux critères de convergence que les esprits se séparent.
Au cours des dernières semaines, voire des derniers mois, j'ai été assez étonné de voir apparaître les fantaisies les plus extravagantes en matière d'impôts. Nous avons assisté à une véritable orgie de propositions venant de tous les horizons, à tel point que je me suis demandé si un mot d'ordre n'avait pas été donné aux partis de la majorité ou aux ministres pour que chacun présente sa petite proposition en la matière. Ainsi, lorsque le citoyen belge prendrait connaissance des véritables mesures décidées, il aurait le sentiment d'avoir échappé à des dispositions bien plus contraignantes. Je pense donc que le Gouvernement a conditionné la population. Si telle fut bien son intention, il a eu tort de prendre le citoyen belge pour ce fou dans un asile qui se frappe la tête contre le mur car, quand il s'arrête, « cela lui fait tellement de bien » !
Monsieur le Vice-Premier ministre, la situation que je vais décrire ne relève pas de la fiction mais bien de la réalité de ces dernières semaines. Une idée brillante fut lancée : l'impôt sur la fortune, qui pourrait revêtir deux formes différentes.
Tout d'abord, le big bang prôné par le professeur Max Franck consisterait à prélever 7,5 p.c. sur ce qu'il appelle les grosses fortunes détenues par 412 000 ménages. Nous sommes fiers d'être si riches en Belgique ! Cette mesure permettrait de récolter quelques milliards, mais serait-ce un résultat net ? Il s'agirait plutôt d'un résultat brut dont les conséquences sont très lourdes : fuite des capitaux, hausse des taux d'intérêts, dépression des marchés immobiliers et des bourses, sans compter le coût de l'organisation qu'il faudra mettre sur pied pour l'application de la mesure elle-même. Nous ne reprendrons pas ici le débat du mois de mai qui a eu lieu en présence du Vice-Premier ministre et auquel j'ai participé, débat suscité par la demande d'explications de M. Mahoux, qui souhaite lui, avec son parti, ce genre d'impôt.
La deuxième forme que pourrait prendre l'impôt sur la fortune consisterait en un prélèvement modeste, annuel, et qui impliquerait, bien entendu, dans un souci d'équité, un cadastre des fortunes, donc de tous les actifs des résidents. Cette position ressort d'ailleurs du congrès des socialistes francophones qui ont confirmé leur participation au pouvoir moyennant un cadastre des fortunes.
Les conséquences négatives d'une telle mesure effets psychologiques, coût de l'opération, hausse des taux d'intérêt seraient à peine plus faibles que le big bang que j'ai évoqué. Faut-il le préciser, cette matière suppose une continuité dans la politique suivie.
Mais il y a plus grave. Le système que l'on mettra en oeuvre devrait produire suffisamment de moyens en 1997 pour atteindre l'objectif des 2,8 p.c. je ne conteste pas ce taux car il est sage de placer la barre un peu haut afin de se donner davantage de chances de réussite. Or, techniquement, il ne sera pas possible de mettre au point un instrument de ce genre pour 1997. J'ajouterai d'ailleurs que si l'on prétendait le faire, les mesures éventuelles seraient tellement inéquitables qu'elles frapperaient en premier lieu les revenus immobiliers, c'est-à-dire ceux des personnes qui ont choisi d'investir en Belgique dans un domaine garant de l'emploi chez nous. En fin de compte, les retombées négatives de cet impôt dépasseraient de très loin les effets positifs escomptés.
J'en viens à une troisième hypothèse qui n'est pas un ballon d'essai doctrinal mais plutôt une intention technico-politique : transformer la taxation des revenus immobiliers pour les logements et passer d'une perception du précompte immobilier sur le revenu cadastral à un précompte immobilier basé sur le revenu réel. Un tel impôt ne s'improvise pas. Or, nous ne sommes pas loin de 1997. Un Gouvernement qui voudrait mener à bien une telle démarche devrait étudier tous les aspects relatifs au revenu net qu'il voudrait taxer, c'est-à-dire avoir la certitude de disposer du revenu brut issu des loyers, ce qui n'est pas très facile en raison de plusieurs éléments dont, par exemple, les baux verbaux. Par ailleurs, quels frais pourrait-on déduire : l'amortissement, les frais d'entretien et de réparation, les poursuites judiciaires pour récupérer les loyers impayés ? Autant de problèmes non résolus. Une approche simple serait la forfaitarisation des charges déductibles avec choix libre pour le contribuable. Dans une certaine mesure, ce système a été appliqué pour les calculs relatifs aux biens immobiliers loués à des professionnels, pour lesquels on a estimé qu'une déduction de 40 p.c. pour charges était réaliste.
Il ne faudrait pas non plus provoquer une crise du logement, que nous n'avons plus connue en Belgique depuis la fin de la guerre sauf, peut-être, à Bruxelles, à une certaine époque de « surchauffe ». Il ne faudrait pas supprimer l'envie d'investir en logements pour maintenir la qualité de celui-ci en Belgique.
Si nous nous orientions dans cette voie de la taxation immobilière, ce que je ne souhaite pas, ayant suivi les travaux parlementaies des années 1979, 1980 et 1981 qui s'engageaient dans cette direction, il conviendrait alors de se référer au système du précompte mobilier libératoire et de déterminer un taux fixe de taxation des revenus réels des biens immobiliers loués comme logements, libératoire lui aussi et non cumulable avec le revenu des intéressés, de façon à ne pas provoquer ce crime immobilier qui nous menace.
Je ne reviendrai pas sur les débats qui ont eu lieu sur ce plan à l'échelon régional où une querelle existe en la matière avec certains ministres régionaux. Toutefois, cela signifie qu'avant d'entamer cette procédure, il faut qu'une concertation ait lieu avec les ministres des Finances des Régions. Ce n'est donc pas pour 1997.
La quatrième approche est celle de la contribution sociale généralisée, si chère au ministre des Finances, et qui, avec un taux de 2 p.c., pourrait engranger un résultat de 80 milliards de façon moins aléatoire que les impôts précédents. On ira probablement plus haut, puisque vous prenez toutes les précautions imaginables. Ce système est une solution de facilité car il s'agit d'additionnels à des impôts connus. En outre, vous ne devez pas improviser et, dans une certaine mesure, cette initiative vous évite de toucher à la taxation des revenus du travail. Cela vous permettra d'ailleurs de diminuer d'autant les cotisations sociales, tant patronales que salariales, du montant de ladite cotisation.
Cependant, inutile de vous dire que nous ne pourrons plus aller très loin dans la direction que je viens d'évoquer en matière de CSG. En effet, le rapport de notre commission, dans ses annexes, montre à quel point la fiscalité de la Belgique est une des plus élevées des pays de l'Union européenne. En matière de recettes, nos taux avoisinent les 48 p.c. du PIB, nos dépenses se situant à 52 p.c. notre déficit dépassant les 3 p.c. à l'heure actuelle ce qui nous place entre les pays scandinaves et les Pays-Bas qui, quant à eux, diminuent sensiblement et progressivement leur pression fiscale.
Nous ne pouvons continuer à être un enfer fiscal si nous voulons rester attractifs à la fois pour la consommation, l'investissement, les entreprises et la recherche et le développement. Dans tous les domaines, une fiscalité excessive est une nuisance, car elle détruit elle-même la matière imposable.
La cinquième idée est celle qui consiste à taxer les flux informatiques. Elle peut paraître audacieuse et innovatrice. Elle n'a, en effet, encore été mise sur pied dans aucun autre pays. Elle ne devrait donc pas être écartée a priori. Le résultat d'une telle taxation pourrait cependant nous contraindre à essuyer des plâtres. Il est évident qu'aucun résultat ne serait en tout cas enregistré en 1997.
Nous devons surtout veiller à ne pas susciter la création de nouvelles niches dans lesquelles d'autres pays européens s'installeraient. N'oublions pas que la Belgique et l'Allemagne ont largement contribué à l'installation de la place financière de Luxembourg. La répétition d'un tel exploit doit être évitée dans toute la mesure du possible. Il y a quelques années, Swift occupait sept cents personnes au Centre Rogier à Bruxelles. Confrontée à l'obstination du ministre des PTT de l'époque qui refusait de concéder un tarif spécifique pour le traitement des opérations, l'entreprise est allée s'installer aux Pays-Bas. Swift n'a développé un nouveau centre d'activités à La Hulpe que quelques années plus tard.
Nous ne devons pas nous écarter de l'orientation qui découle des progrès techniques et scientifiques. Par ailleurs, nous n'avons incontestablement pas intérêt à imiter l'attitude des ouvriers lyonnais des usines Jacquard qui ont jeté les nouveaux métiers à tisser dans le Rhône. De même, nous ne devons pas prendre exemple sur le luddisme britannique qui a provoqué la démolition de l'équipement industriel. Nous ne pouvons, par ailleurs, pas nous comporter comme les charretiers américains qui transportaient des barils de pétrole et qui, au dix-neuvième siècle, ont démoli les premiers pipe-lines qui les concurrencaient.
Nous pouvons constater que le progrès l'a toujours emporté.
D'autres techniques ont également été envisagées ou mises en oeuvre. Le rapport fait état du débat que nous avons eu concernant la taxe que le professeur américain James Tobin projetait d'imposer sur les mouvements de capitaux à court terme. M. Tobin a d'ailleurs eu le courage de reconnaître que, lors de son lancement, l'idée n'a pas fait de ricochets sur l'eau mais qu'elle a au contraire immédiatement coulé. Vingt ans plus tard, on en parle cependant encore.
L'idée n'est toutefois évoquée par moi qu'a titre théorique et parce que notre commission en a débattu. Une telle taxation ne doit, en effet, pas encourager le mouvement des flux vers d'autres pays, ce qui provoquerait une fois de plus la création de niches au profit des pays qui n'appliquent pas la taxe. Le pourcentage de la taxation doit, d'une part, être suffisamment léger afin d'éviter l'effet de niches, il doit, d'autre part, être suffisamment élevé afin de décourager la spéculation.
À cet égard, je rappellerai deux exemples récents de spéculations réussies : la dévaluation du peso mexicain et les perturbations intervenues à l'intérieur du système monétaire européen après 1992. Si le taux de la taxe avait été relativement modeste, les profits retirés par la spéculation de ces opérations étant considérables, les mouvements de capitaux n'en auraient pas été découragés. L'idée me paraît donc très médiocre dans la pratique.
J'imagine également que vous ne manquerez pas d'avoir recours aux taxes classiques sur le tabac, l'alcool et les carburants notamment. L'imposition de nouvelles taxes sur ces produits n'aura cependant pour effet que d'inciter les consommateurs à les acquérir ailleurs ou à renoncer à sa consommation. Pour le moment, la marge dont vous disposez ne vous permet pas d'espérer beaucoup dans ce domaine.
Par ailleurs le Gouverment belge est un ardent partisan de la taxe « CO2 -énergie ».
Messieurs les ministres, si vous voulez à tout prix condamner nos dernières industries utilisatrices intensives d'énergie, pratiquement toutes situées en région wallonne telles les verreries, les non ferreux, la sidérurgie ou encore les entreprises productrices de matériaux de construction engagez-vous dans cette voie ! Cette taxe ne serait efficace qu'à la condition d'imposer les dix dollars à un moment envisagés par la Commission européenne. Une taxe de dix dollars le baril équivalent de pétrole entraînerait pratiquement une augmentation de 50 p.c. du prix payé par les consommateurs pour l'énergie. Une différence de cette importance par rapport aux pays qui n'appliqueraient pas cette mesure signifierait la mort d'une multitude d'industries éprouvant déjà des difficultés pour survivre. L'unique façon de concevoir cette option serait d'étendre l'application de la mesure à l'ensemble des pays de l'OCDE. Même dans ce cas de figure, nos concurrents de l'Extrême Orient et de l'Amérique latine seraient tout à fait écartés.
Nous avons encore entendu d'autres idées tellement farfelues que leurs auteurs les ont déjà abandonnées. Je pense en particulier à l'idée émise par un membre du Gouvernement à propos d'une taxation sur le total du bilan des sociétés. Ce serait surtout très intéressant dans l'hypothèse où vous vous mettriez à taxer les banques et les compagnies d'assurances qui détiennent énormément de fonds appartenant à des tiers. En effet, leurs bilans sont sans commune mesure avec leurs résultats. Ce faisant, vous provoqueriez une fois de plus l'apparition de l'effet de niche en poussant ces institutions à s'établir ailleurs.
Il y a aussi cette idée envisagée par le ministre des Finances concernant un impôt annuel sur l'actif des sociétés, compensé par la suppression des droits de succession perçus sur les actions. Cette idée se traduirait à nouveau par un prélèvement immédiat sur les actifs détenus par les sociétés, moyennant l'abandon à terme d'un impôt qui n'est en pratique, pas perçu à l'heure actuelle, étant donné qu'il est de notoriété que les actions au porteur échappent en général aux droits de succession, sauf dans les cas où les propriétaires sont clairement identifiables. Par conséquent, cette mesure ne paraît pas non plus souhaitable.
Voilà établie une liste non exhaustive des mesures avancées comme ballons d'essai ces dernières semaines. Vous comprendrez aisément l'effarement du citoyen belge confronté à toutes ces propositions. Le Gouvernement a indubitablement mené à un certain moment une politique concertée, tablant sur le fait que les Belges se réjouiraient de ce qu'en fin de compte, seules une ou deux de ces mesures seraient retenues. Cependant, je vous mets en garde contre une fiscalité globale beaucoup trop élevée dans notre pays et j'attire votre attention sur les retombées négatives qu'engendreraient certains des impôts envisagés. Il n'y a pas d'impôt indolore et neutre. Je pense qu'il vous appartient donc de bien les contrôler.
Pendant que cet extraordinaire débat se déroulait sur la place publique et qu'aucune note discordante n'était enregistrée dans le choeur ministériel au point que les citoyens ont pu penser que toutes les mesures seraient cumulées, c'était le silence le plus absolu à propos des économies ! Aucune économie n'est jamais mentionnée par aucun ministre. Aucune idée n'est même avancée en la matière, aussi étrange ou farfelue soit-elle. Tout au plus avons-nous eu un petit débat à ce sujet en commission, notamment quand nous avons examiné les chiffres des effectifs de la Fonction publique. Nous avons, une nouvelle fois, eu l'occasion d'entendre le Vice-Premier ministre et ministre du Budget, qui se base sur les chiffres de la Banque nationale, contester les chiffres publiés par son collègue le ministre de la Fonction publique.
Nous aimerions, Monsieur le Vice-Premier ministre, que vous fassiez réaliser une étude objective vos services et ceux de la Fonction publique en sont tout à fait capables de manière à pouvoir disposer d'un tableau comparatif et explicatif quant aux causes des différences. Sinon, vous confronterez indéfiniment vos points de vue, ce qui nuit un peu plus en permanence a la confiance au sein du Gouvernement et à l'égard de celui-ci.
La question des effectifs a donné lieu à de nombreuses discussions, de même que la fiscalité et surtout la parafiscalité, domaine dans lequel des économies de fond et de gestion peuvent également être réalisées.
L'absence de débat relatif à des économies éventuelles nous inquiète beaucoup. Selon le Gouvernement, aucune économie n'est plus possible, ce qui nous paraît tout à fait inexact. Il n'est pas rare, dans une administration publique, que dix personnes se trouvent derrière le guichet et qu'une seule accepte de se déplacer pour accueillir le visiteur. En vérité, le Gouvernement ne veut pas réaliser d'économies. Cela explique en grande partie notre hostilité à l'égard de ce projet.
Au moment où nous abordons les premières mesures destinées à adapter notre situation aux critères de convergence du Traité de Maastricht, un ensemble d'éléments n'inspirent absolument pas confiance.
Quelle est, en effet, la situation ? Je ne répèterai pas les chiffres cités à la Chambre, rappelés d'ailleurs par M. Goovaerts. Notre taux de chômage est un des plus élevés de l'Union européenne; seule l'Espagne est encore plus mal lotie que la Belgique en la matière. Le résultat est médiocre sur le plan de la création d'emplois. Le nombre de faillites atteint un niveau record. Les investissements privés stagnent même si, au cours des derniers mois, un timide renouveau a pu être observé. Il suffit d'examiner les bilans des grandes surfaces pour constater l'effondrement de la consommation. Nos exportations sont en régression.
À cet égard, je rappelle que nos principaux clients font partie de l'Union européenne. Or, nous sommes toujours je m'adresse au ministre du Commerce extérieur informés de nos exportations appelées maintenant « livraisons » vers nos partenaires européens avec un retard énorme. Heureusement, nous avons parfois la possibilité de mesurer l'importance de nos exportations en nous basant sur les statistiques de nos partenaires plus efficaces que nous en la matière quant à leurs importations.
Je ne reviendrai pas sur les coûts salariaux, dont nous avons débattu jusqu'à quatre heures du matin, la nuit dernière. Nous avons constaté de nombreuses faiblesses en la matière, auxquelles la nouvelle loi que l'on appellera probablement la loi du 27 juillet 1996 ne porte en aucune façon remède.
Le manque de flexibilité, la faiblesse dans la croissance et la pression fiscale excessive sont autant de facteurs qui handicapent fortement la Belgique dans le combat qui sera celui d'un marché intérieur, une fois que nous aurons atteint l'euro.
Nous assistons, je le crains, à la préparation de décisions prises dans une tour d'ivoire, sans concertation, sans consultation avec le Parlement mais après concertation avec les interlocuteurs sociaux qui, une fois de plus, exerceront leur pression sur le Gouvernement pour qu'il prenne des mesures les favorisant à tout prix mais ne visant pas l'intérêt général. En tout cas, nous nous trouvons, je crois, à l'heure actuelle devant un point crucial qui est d'autant plus important que l'issue à laquelle nous serons confrontés au cours des trois premiers mois de 1998 sera décisive pour l'avenir de notre pays.
M. Goovaerts a rappelé que le Vice-Premier ministre et ministre des Finances ne voyait pas quel serait l'intérêt de pays de l'Union européenne qui, dans certains cas, ne rejoignent aucun des critères du traité de convergence de Maastricht, à s'opposer à l'entrée de la Belgique. Cependant, j'ai lu hier dans un journal étranger que l'Espagne accomplit un effort remarquable mais difficile et n'est pas certaine du tout de pouvoir s'aligner sur les critères. Or, le gouvernement espagnol, à l'instar du gouvernement italien, est persuadé que le niveau des critères dans son pays est au moins aussi bon que ceux de la Belgique et des Pays-Bas pour lui permettre d'entrer dans l'Union économique et monétaire à la première étape, soit au 1er janvier 1999.
Or, messieurs les ministres, vous savez mieux que personne qu'en réalité l'Espagne n'atteint aujourd'hui aucun des quatre critères de Maastricht. Cependant, le Frankfurter Allgemeine Zeitung fait état d'une dépêche tout à fait sérieuse qui annonce que le gouvernement Aznar sera candidat à la première date d'entrée.
Inutile de souligner qu'avec tant de pays qui se pressent au portillon, les choses seront très difficiles pour nous, vu notre dette gigantesque dont la réduction n'est nullement comparable à celle de l'Irlande. Je rappelle que si l'Irlande a reçu un satisfecit, c'est effectivement en raison de l'abaissement de sa dette qui diminue d'année en année, de 6,7, voire de 8 p.c. par an. Il en résulte que l'Irlande est considérée, avec le Luxembourg, comme l'un des deux pays capables d'entrer dans la première étape, le troisième étant le Danemark.
Monsieur le Vice-Premier ministre, cette situation vous incite à être très réaliste. En effet, si, sur un total de quinze pays, treize prétendent entrer alors qu'ils ne satisfont pas du tout ou à peine aux critères, la Belgique ne sera pas un cas particulier. Dans ces conditions, l'Allemagne, dont on connaît le sens de la rigueur, même si ce pays n'atteint pas non plus tout à fait les critères à l'heure actuelle, fera barrage et nous risquons ainsi de nous trouver en dehors de la première étape. Ce serait à la fois singulier et pénible car nous serions alors en rupture avec le Benelux, le Luxembourg entrant certainement et les Pays-Bas probablement.
Alors que les institutions principales de l'Union européenne sont localisées à Bruxelles, nous nous trouverions dans la situation d'un pays qui ne fait pas partie de l'euro et à ce titre doit encore réaliser des transactions en francs belges, l'Union européenne utilisant déjà l'euro à Bruxelles. Ce serait pour le moins curieux.
Nous avons énormément à perdre ou à gagner en la matière mais, assez curieusement, messieurs les ministres, le fait de gagner peut nous faire perdre. Même si nous entrons dans le système, nous risquons d'ouvrir une nouvelle brèche en faveur de la division de la Belgique.
Les Régions et les Communautés sont, à l'heure actuelle, totalement incapables de plaider pour la répartition de la dette entre elles, compte tenu des revenus fiscaux compensatoires nécessaires. De plus, toute tentative à cet égard donnerait immédiatement lieu à un assaut de méfiance à l'égard du franc belge et d'institutions inconnues à l'étranger, sans oublier que la Communauté française et la Région bruxelloise subissent un endettement individuel important ou souffrent d'une gestion extrêmement difficile.
La dette est donc aujourd'hui un élément d'union; c'est éminemment regrettable, mais c'est une réalité. À partir du moment où la dette sera libellée en euros et si nous réussissons à entrer dans le système, ce facteur ne sera plus un obstacle au séparatisme. Nous assisterons à une nouvelle offensive puisque seuls des critères techniques entreront en ligne de compte pour la répartition de la dette entre les Régions, avec la revendication immédiate de perception des revenus fiscaux correspondant à la couverture de la dette.
En d'autres termes, vous vous trouvez à bord d'un bateau qui doit louvoyer parmi les obstacles les plus divers. Vous devez agir, tout en respectant certaines limites. Vous poursuivez un but mais, au-delà de celui-ci, vous risquez de tomber dans des rapides qui vous précipiteront dans de nouvelles difficultés, lesquelles ne sont pas illusoires comme nous avons pu le constater par les propros tenus au cours des dernières semaines.
Cette véritable débauche de propositions fiscales ne nous permet pas de vous accorder la confiance à propos de ce projet de loi. Nous vous souhaitons cependant bonne chance pour le début de 1998, tout en précisant que la tâche sera alors loin d'être terminée et qu'il conviendra de la poursuivre.
J'espère qu'au moment du bilan, nous pourrons être plus positifs que ce n'est le cas à l'heure actuelle. (Applaudissements.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer D'Hooghe.
De heer D'Hooghe (CVP). Mijnheer de Voorzitter, deze kaderwet beoogt de mogelijkheid te scheppen voor België om bij de eersten toe te treden tot de Europese Monetaire Unie. De deelname hieraan is afhankelijk van het voldoen aan de zogenaamde convergentiecriteria : de prijsstabiliteit, de wisselkoersstabiliteit, de lange-termijn rentevoet en de budgettaire discipline. Voor drie van de vier criteria is er voor België geen probleem. Het criterium inzake de gezondmaking van de overheidsfinanciën moet wel nauwlettend worden opgevolgd en plaatst ons land voor een niet-eenvoudige opgave : de totale overheidsschuld moet in voldoende mate afnemen en beantwoorden aan het criterium van 60 pct. van het BBP en het netto te financieren saldo moet de 3 pct.-norm halen.
Geen enkele politieke fractie, of ze nu tot de meerderheid of tot de oppositie behoort, heeft de noodzaak van toetreding tot de EMU op 1 januari 1999 in twijfel getrokken. Alleen eergisteren was er hier één dissonante klank van de heer Anciaux te horen, maar ik denk dat hij vermoeid in en dringend aan vakantie toe is, te horen aan zijn tussenkomsten van de laatste maand.
Wel gingen er stemmen op die de noodzaak van een kaderwet in twijfel trokken. Dit was een vrij steriele discussie, vermits de leden van de oppositie steevast die noodzaak ontkenden en de leden van de meerderheid steeds de prioritaire doelstellingen voor ogen hielden. Alleen zaten de vertegenwoordigers van de liberale fracties wat ongemakkelijk op hun stoel te draaien, aangezien zij zelf in de jaren tachtig mede gebruik maakten van volmachten om het land te besturen.
De vraag omtrent de noodzaak van deze kaderwet kan wellicht het gemakkelijkst beantwoord worden door bronnen, die enige afstand hebben van het politiek gebeuren, te consulteren. Ik bracht dan ook een monografie mee van de hand van Leo Hellemans : « België arm of rijk ? Het gewicht van 8 000 miljard staatsschuld. » Deze tekst werd in 1993 geschreven in tempore non suspecto , in het kader van het Radio 1-programma Actueel . Als duidingsprogramma heeft dit de jongste jaren toch wel enig aanzien weten te verwerven. Ik citeer de slotpassage : « Een drastische schuldherschikking is vrijwel uitgesloten. De ruim 8 000 miljard staatsschuld is te zeer verspreid in teveel verschillende handen om een dergelijke operatie met succes te kunnen doorvoeren. Er bestaat dus geen simpele oplossing voor het Belgische schuldenprobleem. Maar duidelijk is dat er moet worden ingegrepen.
« De jaarlijks stijgende rentelasten, in 1993 ruim 700 miljard frank, maken de politici machteloos. Die waarheid dringt door tot alle politieke leiders, van welke strekking ook. Er is wel discussie over de te nemen maatregelen. Het woord crisisbelasting is niet uit de lucht. Voorts zullen er klassieke taboes sneuvelen, vooral in de sociale zekerheid. Pijnlijk is dat dit moet gebeuren in economisch moeilijke tijden, met groeiende werkloosheid.
« Een opvallende uitspraak in dit verband komt van CVP-minister van Arbeid Miet Smet, in januari 1993 : « Al wie verwacht dat het nationaal budget een middel is om de werkgelegenheid aan te zwengelen, moet die hoop opgeven. Meer dan 50 pct. van het nationaal budget vloeit naar de betaling van de schuld. Zij die menen dat er andere prioriteiten zijn dan het overheidstekort, vergissen zich. Onze eerste opdracht, zuiver om sociale redenen, is zo snel mogelijk budgettaire ruimte te scheppen. Die ruimte ontstaat naarmate we onze schulden afbetalen. » « Hoe we het ook draaien of keren, uiteindelijk zal de straatarme overheid bij zijn rijke burgers moeten aankloppen om het openbaar tekort aan te zuiveren.
« Hoe en waar zal worden ingegrepen, hangt af van politieke en maatschappelijke keuzes. Mogelijk komt er een Belgisch compromis uit de bus : sterk snijden in de verzorgingsstaat en de ambtenarij, gekoppeld aan een fiscale hervorming met één of andere vermogensbelasting.
« Veel zal ook afhangen van de verdere staatshervorming. Vlaanderen streeft naar een grotere onafhankelijkheid, ook na het Sint-Michielsakkoord. Maar nog meer autonomie voor de Gewesten lijkt niet mogelijk zonder overname van een deel van de staatsschuld of van de rentelasten ervan. De nationale Regering kan niet achterblijven met een eeuwig schuldcomplex. »
Wat zegt Leo Hellemans hier eigenlijk ?
Vooreerst vestigt hij de aandacht op het feit dat er geen simpele oplossing bestaat voor het Belgisch schuldenprobleem. Voorts wijst hij op de noodzaak dat er moet worden ingegrepen. Als mogelijke remedies stelt hij een « crisisbelasting » en ingrepen in de sociale zekerheid voor. Hij citeert Miet Smet, die als prioritaire opdracht de vermindering van het overheidstekort aanstipt om sociale motieven. Hij verwijst ten slotte naar de problematiek van de staatshervorming. Zijn dit niet precies brandende thema's ?
Wat het laatste aspect betreft, verwijs ik trouwens naar de Ministerraad van vrijdag jongstleden, waar, precies met het doel België in de mogelijkheid te stellen te beantwoorden aan de convergentiecriteria inzake overheidsfinanciën, een ontwerp van samenwerkingsakkoord met de Gemeenschappen en de Gewesten werd goedgekeurd voor de periode 1996 tot 1999.
De andere aspecten vindt men quasi letterlijk terug in de EMU-kaderwet. Ik citeer uit de inleidende uiteenzettingen : « Dit wetsontwerp moet de Regering toelaten om de nodige maatregelen te treffen op alle domeinen van de openbare financiën, inclusief wetswijzigingen. Het doel van deze machtiging is uiteraard strikt bepaald : het beperken van het globale overheidstekort tot maximaal 3 pct. van BBP, de schuldratio verder verminderen en het verzekeren van het financieel evenwicht van de sociale zekerheid. »
Als iedereen het erover eens is dat de toetreding van België op januari 1999 tot de Europese Monetaire Unie de prioritaire uitdaging is voor ons land, is het duidelijk dat deze EMU-Kaderwet niet zomaar een folie van de Regering is.
Ik zal mij vandaag beperken tot twee korte beschouwingen, één over de deflatoire effecten en één over de belastingpolitiek.
Wat de deflatoire effecten betreft, blijkt uit de economische naoorlogse geschiedenis van ons land dat België wat betreft groei, tewerkstelling en welvaart steeds goed heeft gedaan als de consistente houding werd gevolgd dat men streeft naar een evenwicht tussen de loonontwikkeling en het wisselkoersbeleid. Wat de Regering vandaag met het drieluik, EMU-wet, modernisering van de sociale zekerheid en vrijwaring van het concurrentievermogen voorstelt, is economisch verantwoord en past in de orthodoxie die vooropgesteld wordt op basis voor de Europese Monetaire Unie. En wij moeten echt niet van de oppositie horen dat er aan dit beleid een deflatoir risico verbonden is. Zelf wees ik erop in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden dat het Verenigd Koninkrijk in de jaren twintig een harde muntpolitiek voerde, met een enorme werkloosheid als gevolg. De economische verhoudingen zijn in de tijdsspanne van 70 jaar wel dermate gewijzigd dat de economische en financiële politiek, die toen nationaal werd gevoerd, thans op Europees niveau worden geëvalueerd. Maar dit betekent nog niet dat we blind zouden zijn voor de gevolgen van een vrij strakke lijn die de Europese Unie voert op het vlak van de overheidstekorten. Men saneert op overheidsuitgaven om de 3 pct.-norm te halen, men voert een harde muntpolitiek ronde Duitse Mark en men poogt de lonen in bedwang te houden, dit terwijl de Verenigde Staten zich om die orthodoxie veel minder bekommeren, wat hen in ieder geval een concurrentievoordeel oplevert. De vraag rijst dus of de Europese economische tenoren, lessen trekken uit het verleden van het Verenigd Koninkrijk in de jaren twintig, zich niet moeten wapenen tegen scheeftrekkingen in de handelsbetrekkingen tussen de drie grote blokken : Europa, Japan en de Verenigde Staten. Dit debat kan alleen op gang gebracht worden door overleg tussen de Benelux-landen, Duitsland en Frankrijk.
Op nationaal niveau deel ik op dat vlak de mening van onze collega uit de Kamer, de heer Mark Eyskens, die voorstelt om een groter gedeelte van het tekort van 3 pct. of 2,8 pct. van BBP aan te wenden voor overheidsinvesteringen, daar waar thans 1,5 pct. nog wordt aangewend voor lopende uitgaven. Dit is ongetwijfeld niet de gemakkelijkste weg, maar gezien het multiplicator-effect dat hieruit resulteert, zou dit in ieder geval de binnenlandse vraag en de tewerkstelling aanzwengelen en bijgevolg een gunstige invloed hebben op de economische groei.
Wat de belastingpolitiek betreft, is het hoofdzakelijk artikel 3 van de EMU-Kaderwet dat de Koning machtigt om maatregelen te treffen aan de ontvangstzijde, weliswaar rekening houdend met een aantal beginselen vermeld in artikel 2. De billijke verdeling van de inspanningen en het voortzetten van de actieve werkgelegeheidspolitiek, lijken ons hierbij niet onbelangrijk. Voorts vestigen wij nog de aandacht op twee preciseringen die door de Minister van Financiën tijdens de commissievergaderingen werden gegeven.
Ten eerste, de nieuwe ontvangsten opgenomen in artikel 3, 2º, van de EMU-kaderwet kunnen er alleen komen als vervanging van bestaande belastingen. De Vice-Eerste minister bevestigde dus dat er geen nieuwe ontvangstmechanismen kunnen worden ingesteld. Dat is daarentegen wel mogelijk bij de uitvoering van artikel 3, 5º, dat handelt over de alternatieve financiering in de sociale zekerheid. De Vice-Eerste minister bevestigde dat die alternatieve fincanciering geen bijkomende financiering is maar wel de compensatie van een vermindering van de patronale bijdragen door de versterking van de toewijzing van fiscale ontvangsten aan de sociale zekerheid. Het is duidelijk dat deze toelichtingen niet zonder enig belang zijn.
Bovendien wens ik de aandacht te vestigen op de samenhang van het beleid van de Regering die blijkt uit de bepalingen van deze wet enerzijds en de bepalingen van de wet op de vrijwaring van het concurrentievermogen anderzijds.
Tijdens de besprekingen in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden werd de vergelijking gemaakt met Denemarken, waar de sociale zekerheid gefinancierd wordt met fiscale middelen. Het kostenniveau van de arbeid verschilt er niet fundamenteel met het onze, wat de oppositie ertoe aanzet te beweren dat de alternatieve financiering geen wezenlijke oplossing brengt voor het tewerkstellingsbeleid. Het zal echter geen toeval zijn dat de Regering de versterking van de alternatieve financiering in de sociale zekerheid koppelt aan een vernieuwde wet op de vrijwaring van het concurrentievermogen. In de mate dat de alternatieve financiering van de sociale zekerheid de last op arbeid vermindert door verschuiving van sociale lasten naar fiscaliteit en dat gelijktijdig de nieuwe fiscale maatregelen niet kunnen worden afgewenteld op de kostenstructuur van de arbeid, brengt deze techniek wel degelijk zoden aan de dijk. Wij steunen de Regering hierin ten volle omdat deze ingreep ongetwijfeld een niet-onbelangrijk gunstig element zal zijn in het tewerkstellingsbeleid.
Toch manen wij de Regering aan om zeer omzichtig om te springen met nieuwe fiscale maatregelen, omdat lastenverhogingen niet alleen de vraag, maar ook het aanbod negatief beïnvloeden. De invloed op de vraag behoeft geen verdere uitleg, maar de produktie wordt duurder waardoor de economische groei vertraagt en er indirect aan de werkgelegenheid wordt geknaagd. Dit is des te meer het geval in België waar het produktie-aanbod relatief onelastisch is. Derhalve is een toename van de overheidsinvesteringen wenselijk bij het aanhouden van een « aanbod-economisch » beleid. De verhoging van de economische activiteit en van de werkgelegenheid dit is eveneens belangrijk zal vooral het vertrouwen bij de bevolking herstellen en dat hebben wij broodnodig omdat dit een gunstige invloed heeft op de consumptie en op de afzetmogelijkheden. Het is hier dus niet onbelangrijk te wijzen op het engagement van de Regering met betrekking tot het voortzetten van de actieve werkgelegenheidspolitiek.
Sta mij toe te benadrukken dat er moeilijk een slechtere formule gevonden kan worden inzake nieuwe belastingen dan het voorstel geformuleerd omtrent de belastingen op bits. De enige grondstof die ons land bezit zijn brains en hoog-technologische produktieprocessen. Het is bijgevolg niet opportuun om precies dit element extra te belasten, omdat dit uitwijkmechanismen tot gevolg zal hebben.
Ik vestig er ook nog even de aandacht van de minister van Financiën op dat het niet volstaat dat een belastingbeslissing in se rechtvaardig is om te besluiten dat het een goede belastingmaatregel is. Als een in se rechtvaardige maatregel kapitaalvlucht veroorzaakt, is deze belasting, hoe rechtvaardig ze ook is bedoeld, verwerpelijk. De investeringen en de tewerkstelling worden door een dergelijke maatregel immers indirect bëinvloed. Derhalve is de maatregel in de praktijk asociaal. Wij raden de Vice-Eerste minister dan ook aan geen maatregelen te nemen die een kapitaalsvlucht veroorzaken en dus indirect de tewerkstelling raken. Wij raden hem eveneens aan geen belastingen in te voeren die de Vlaamse bevolking eenzijdig of onevenredig treffen. Op die twee punten zullen wij de Vice-Eerste minister nauwkeurig in de gaten houden.
Met evenveel overtuiging zegt de CVP echter ook dat de weg die de Regering vandaag uitstippelt, inderdaad de enige mogelijke is. Wij zijn ons ervan bewust dat de handelingsmarge smal is. Wat de oppositie ook uit haar mouw schudt en welke drogredenen zij ook aanvoert, de bevolking verwacht dat de Regering bestuurt. Wij hebben vertrouwen in deze ploeg en juichen haar besluitvaardigheid toe. (Applaus.)
M. le Président. La parole est à M. Hotyat.
M. Hotyat (PS). Monsieur le Président, ce n'est pas caricaturer le débat en commission des Finances et des Affaires économiques sur le projet de loi visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne que de dire qu'il s'est organisé autour de deux pôles.
Le premier de ces thèmes, c'est l'intérêt de participer, dès le début, à l'Union économique et monétaire. Le second, c'est la méthode et les balises proposées par le Gouvernement pour réaliser les conditions budgétaires de cette participation.
Les débats ont révélé un consensus des différentes familles politiques en la matière. Les raisons objectives qui plaident en faveur de cette participation ont déjà été citées maintes fois; je n'y reviendrai pas.
Mais au-delà de ce réalisme socio-économique, il y a pour nous, socialistes, un objectif politique beaucoup plus essentiel. Comme nous l'avons affirmé lors de notre dernier congrès, l'Union économique et monétaire n'est pas une fin en soi, elle n'est qu'un outil même si celui-ci est fondamental pour atteindre une véritable Europe politique, dotée de structures totalement démocratiques, et qui permettra l'harmonisation sociale qui doit traduire cette solidarité européenne à laquelle nous aspirons. Les disparités des systèmes de protection sociale fournissent d'ailleurs dès aujourd'hui des facteurs de délocalisation au sein même de l'Union européenne.
L'absence d'harmonisation fiscale est tout aussi regrettable par les distorsions qu'elle induit.
Nous ne sommes pas satisfaits de l'état de l'Europe. Le chemin à parcourir vers l'harmonisation sociale et fiscale est encore long et difficile. On peut le mesurer par un exemple : lors de la discussion en commission, le ministre des Finances déclarait que, lors de la libération des mouvements de capitaux, décidée à la majorité qualifiée, la Belgique avait demandé l'harmonisation de la fiscalité et que la Commission européenne avait fait des propositions dans ce sens, lesquelles n'avaient cependant pas recueilli l'unanimité requise. Voilà une démonstration de la nécessité d'approfondir la démocratie européenne : pour un certain nombre de matières fondamentales, la règle de la majorité qualifiée doit prendre le pas sur celle de la décision à l'unanimité.
Néanmoins, la mise en oeuvre d'une monnaie commune devrait induire des dynamiques positives, intégratrices. Elle créera un lien supplémentaire, très symbolique, entre les Européens et elle favorisera donc, nous l'espérons, un sentiment de citoyenneté commune et de solidarité indispensable.
Il convient aussi de s'intéresser au rôle que pourra jouer demain l'Union économique et monétaire dans la recherche des équilibres mondiaux. C'est une question essentielle, face à la mondialisation de la finance et de l'économie et à ses aspects négatifs. C'est la raison pour laquelle j'ai interrogé le ministre des Finances sur le rôle que pourrait jouer l'euro en tant que monnaie de réserve.
Il s'en est suivi un échange de vues, certes spéculatif au sens intellectuel, et non financier, du terme mais fort intéressant, car il montrait qu'il était loin d'être exclu que l'euro acquière assez rapidement un statut de monnaie de réserve importante, avec tout ce que cela signifie comme capacité d'action extérieure et de négociation du futur système monétaire international.
Dans la perspective socialiste que je vous ai tracée, nous avons donc une appréciation positive de l'outil « Union économique et monétaire ».
J'en viens à un deuxième thème : la méthode proposée par le Gouvernement pour faire en sorte qu'au terme de l'exécution du budget 1997, nous respections le critère des 3 p.c., lequel a déjà exigé beaucoup d'efforts de la part de nos concitoyens. Ces efforts se justifiaient aussi par la réduction progressive de notre dette publique qu'il convient de gérer au mieux.
Face à la rigueur de l'exercice budgétaire à mener, je rappellerai les balises qui ont été définies dans le projet. Il s'agit de principes dont le respect est, je le souligne, essentiel pour nous.
Le premier d'entre eux est éminemment social : dans tous les cas, il ne sera pas porté atteinte aux revenus les plus faibles.
Le second vise à l'équité dont il n'est pas inutile de souligner qu'elle est le fondement d'une société juste : il s'agit de répartir équitablement les efforts à accomplir entre les différentes catégories sociales et types de revenus de même qu'en leur sein.
Le troisième consiste à garantir un service public efficace. Nous ne prenons pas cette garantie à la légère, loin de là. Nous sommes convaincus de la nécessité, pour le bon fonctionnement de notre société, de développer des services publics dévoués à l'intérêt général et, pour cela, mis en état de performance.
Pour ce qui concerne les entreprises publiques, nous réaffirmons notre attachement à la loi du mois de mars 1991 et aux dispositions de ladite loi concernant la prise de position majoritaire du public. Nous croyons aussi qu'il est plus que temps que l'Europe s'engage dans le développement de services publics européens.
Enfin est posé le principe d'une politique active de l'emploi par une diminution des charges qui pèsent sur le travail, mais il est précisé et c'est évidemment essentiel pour nous que cela ne peut nuire au financement de la sécurité sociale : la diminution des charges sera compensée par une augmentation du financement alternatif sous la forme de recettes fiscales.
Ce souci de protection de la viabilité de la sécurité sociale est confirmé au niveau des mesures que le Gouvernement peut arrêter pour permettre l'adhésion de la Belgique à l'Union économique et monétaire. En effet, il peut prendre des mesures pour assurer une participation plus large de l'ensemble des revenus au financement alternatif de la sécurité sociale.
Par ailleurs, le projet prévoit que les arrêtés qui seront pris en vertu de la loi relative à la participation à l'Union économique et monétaire ne pourront porter préjudice aux dispositions de la loi portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pension.
Il va de soi que cet ensemble de relations entre les deux lois garantissant la sécurité sociale est pour nous fondamental. Une politique d'assainissement budgétaire n'est acceptable pour les socialistes que dans la mesure de son efficacité sociale et pas seulement économique.
Pour réaliser les conditions budgétaires de la participation à l'Union économique et monétaire, le Gouvernement pourra agir tant sur les dépenses que sur les recettes. En commission, ce fait a donné l'occasion d'un débat où les différences se sont marquées. La thèse libérale classique de la réduction des dépenses publiques a été développée par l'opposition libérale. Selon celle-ci, des efforts substantiels peuvent encore être accomplis. Nous ne partageons pas ce point de vue; des efforts importants ont déjà été fournis et la réduction ne peut être poussée beaucoup plus loin sans mettre en péril notre conception du rôle social, et je dirais même sociétal, de l'État.
Rappelez-vous ce que je vous ai dit tout à l'heure à propos des services publics. En commission, d'aucuns ont fait une comparaison en matière de dépenses des pouvoirs publics avec certains pays et notamment les États-Unis dont les dépenses publiques représentent 30 à 35 p.c. du PIB alors que ce taux est de plus de 50 p.c. chez nous. Autant vous dire que nous récusons les États-Unis comme modèle de société !
J'accorderai donc une attention particulière aux recettes et, en premier lieu, à leur perception correcte. Bien sûr, il s'agit de la lutte contre la fraude fiscale. J'avais repris en commission une estimation de 400 milliards qui avait été citée dans le rapport de la Chambre. Le consensus ne s'est pas fait sur ce chiffre, mais il n'en reste pas moins...
M. Hatry (PRL-FDF). Monsieur le Président, permettez-moi d'interrompre brièvement M. Hotyat.
Monsieur Hotyat, vous contestez le modèle américain. Or, ce dernier est tout à fait conforme à vos idéaux. Premièrement, ce pays est créateur de nombreux emplois; deuxièmement, il est presque totalement à l'abri d'une tolérance en matière de fraude fiscale.
M. Hotyat (PS). Monsieur Hatry, je crois qu'il y a une distorsion entre le problème de la fraude fiscale et celui de la situation sociale aux États-Unis. Vous savez très bien qu'une large couche de la population y vit dans une pauvreté beaucoup plus intense que celle que nous connaissons. De plus, un bon nombre de personnes doivent exercer deux, voire trois jobs précaires pour atteindre un niveau de vie suffisant.
Le consensus ne s'est pas fait sur le chiffre de 400 milliards, disais-je, mais il n'en reste pas moins, comme l'a reconnu le ministre des Finances, que « la fraude est importante » et « qu'il faut lutter le plus efficacement possible contre elle ».
La fraude est importante. M. Lallemand a indiqué dans son exposé durant le débat général consacré simultanément aux trois projets qu'en moins d'une année de fonctionnement, l'Office central de lutte contre la délinquance économique et financière organisée a permis de découvrir une fraude de plus de 33 milliards. Le ministre des Finances a dressé un premier bilan des mesures qui ont été prises et qui, dit-il, commencent à donner des résultats. Ceux que l'on a enregistrés en matière d'impôt des sociétés sont incontestables, nous dit-il. L'augmentation de 47 p.c. de l'enrôlement, de l'exercice d'imposition 1993 à l'exercice d'imposition 1996, soit 90 milliards, s'explique, pour une bonne part, par l'effet des mesures prises contre la fraude fiscale.
Le montant de la fraude est important, sans doute très important, et face aux problèmes d'ajustement budgétaire auxquels nous sommes confrontés, une meilleure perception est, bien entendu, de nature à nous aider considérablement.
Le problème de la fraude met en évidence la nécessité de la meilleure connaissance de la base imposable et donc de l'établissement d'un cadastre des fortunes, y compris les revenus des sociétés, ainsi que la recherche de formules spécifiques aux titres au porteur.
Ce cadastre utile à la lutte contre la fraude fiscale le serait aussi pour l'établissement correct d'une cotisation sociale généralisée ou pour l'application efficace d'un impôt sur les grosses fortunes qui se justifie pour nous par une augmentation de l'effort des plus fortunés.
Le débat en commission a porté sur diverses formes de recettes que le Gouvernement a à l'étude. Je n'y reviendrai pas en détail mais une large part a été consacrée à la taxation éventuelle des revenus réels nets des biens immobiliers. C'est une idée intéressante, réaliste, déjà appliquée en France et qui résoudrait le problème d'une péréquation cadastrale sans cesse remise.
Le ministre a demandé l'avis du Conseil supérieur des finances. C'est une mesure sage. J'émettrai une seule remarque : si cette idée vient à être appliquée, il faudra absolument que les loyers soient maîtrisés je pense à la révision imminente de la législation sur les baux à loyer pour qu'il n'y ait pas de dérapages préjudiciables aux locataires.
Chers collègues, à circonstance exceptionnelle, procédure exceptionnelle. C'est l'importance historique de l'entrée dans l'Union économique et monétaire qui est la seule justification des procédures que l'on nous propose d'approuver. Nous les soutiendrons. Toutefois, nous attirons l'attention du Gouvernement sur le fait que nous serons extrêmement vigilants quant au respect des balises qu'il a lui-même indiquées. (Applaudissements.)
De Voorzitter. Wij zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.
Nous poursuivrons nos travaux cet après-midi à 15 heures.
De vergadering is gesloten.
La séance est levée.
(De vergadering wordt gesloten om 12 h 35 m.)
(La séance est levée à 12 h 35 m.)