1-70

1-70

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 24 OCTOBRE 1996

VERGADERING VAN DONDERDAG 24 OKTOBER 1996

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DEVOLDER AAN DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING OVER « DE GEBEURTENISSEN DIE GELEID HEBBEN TOT DE DOOD VAN TIEN PARACOMMANDO'S IN RUANDA »

QUESTION ORALE DE M. DEVOLDER AU MINISTRE DE LA DÉFENSE NATIONALE SUR « LES ÉVÉNEMENTS QUI ONT CONDUIT À LA MORT DE DIX PARACOMMANDOS AU RWANDA »

De Voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Devolder aan de minister van Landsverdediging over « de gebeurtenissen die geleid hebben tot de dood van tien paracommando's in Ruanda ».

Het woord is aan de heer Devolder.

De heer Devolder (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, via de media hebben wij vernomen dat de minister van Landsverdediging in het grootste geheim een onderzoek heeft laten uitvoeren naar de gebeurtenissen die in Ruanda geleid hebben tot de dood van tien paracommando's. Deze opdracht werd toevertrouwd aan de staf van het leger en aan de staf van de brigade paracommando.

Het initiatief van de minister en de motivatie die hij aanhaalt, komen rijkelijk laat. Reeds kort na de feiten kon immers worden vastgesteld dat er zich bij het op de hoogte brengen van de weduwen, ouders en familieleden van de vermoorde paracommando's ernstige communicatiestoornissen hadden voorgedaan.

Talrijke parlementaire initiatieven zijn zowel in de Kamer van volksvertegenwoordigers als in de Senaat maandenlang op het « njet » van de meerderheidspartijen gestuit. Gemotiveerde moties en resoluties tot het oprichten van een onderzoekscommissie werden door dezelfde partijen weggestemd.

Naar aanleiding van het ministerieel initiatief dringen volgende vragen zich dan ook op.

Wil de minister het rapport ter zake dat begin december door de Senaatscommissie zal worden uitgebracht voor zijn door nu reeds fouten toe te geven en tegelijk reeds aan te geven dat er geen koppen zullen rollen ?

Vindt de minister het opportuun op het verslag van de Senaatscommissie vooruit te lopen en nu reeds te verklaren dat de procedures op grond van de conclusies van het onderzoek dat hij zelf heeft laten uitvoeren, zullen worden aangepast ?

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel die antwoordt namens de minister van Landsverdediging.

De heer Maystadt, Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. ­ Mijnheer de Voorzitter, de analyse die ter studie ligt in de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat, wordt geleid door vier commissieleden, hierin bijgestaan door twee hoge magistraten en valt volledig onder haar verantwoordelijkheid en bevoegdheden.

Toen ik aan het hoofd van het departement van Landsverdediging kwam, werd ik praktisch onmiddellijk geconfronteerd met een inbeschuldigingstelling van kolonel Marchal voor het Militair Gerechtshof. Op grond van het fundamentele principe van de scheiding der machten en tot aan de uitspraak van het vonnis begin juli 1996 heb ik altijd van terughoudendheid blijk gegeven. Na deze periode heb ik initiatieven kunnen nemen zonder daarbij ook maar iets te hoeven verbergen. Zodoende heb ik aan de strijdkrachten, meer in het bijzonder aan de landmacht en de brigade paracommando, gevraagd mij een gedetailleerd verslag over te zenden met de lessen die uit deze pijnlijke periode werden getrokken. Ik heb de intentie en de wil er mij ook van te vergewissen of de besluiten van dit verslag ook zullen worden toegepast. Uiteraard zal ik de Senaatscommissie hierover ten gepaste tijde inlichten. Ik zou er verder nog willen aan toevoegen dat het laten rollen van koppen geen doelstelling op zich is.

Zodra de conclusies uit de analyse en uit de verdere werkzaamheden van de Senaatscommissie met betrekking tot de gebeurtenissen van april 1994 gekend zijn, zullen onvermijdelijk de lessen op het operationele vlak worden getrokken.

Het proces van lessons learned blijft uiteraard doorlopen en wordt dagelijks voortgezet. Momenteel zijn er 1 350 militairen actief in buitenlandse operaties. Niemand kan dus ontkennen dat we elke dag bijleren. Ik zie dus geen tegenstelling, noch op het inhoudelijke noch op het vormelijke vlak, tussen de werkzaamheden van de senaatscommissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden en de initiatieven die ik zelf heb genomen. Het tegendeel is waar.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Devolder voor een repliek.

De heer Devolder (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, ik dank de Vice-Eerste minister voor het antwoord. Natuurlijk kan hij enkel de boodschapper zijn, maar ik dank hem in elk geval voor zijn bereidwilligheid.

Toch wil ik er even op wijzen dat het initiatief van minister Poncelet zeer beperkt is. De vraag naar de politieke verantwoordelijkheid blijft nog altijd onbeantwoord. In het antwoord dat minister Poncelet heeft gegeven, ben ik daarover immers niets te weten gekomen.

Bovendien herhaal ik nogmaals dat wij geen vragende partij zijn voor koppensnellerij. Het is de minister zelf die deze uitdrukking heeft gebruikt.

Ten slotte moet mij nog van het hart dat ik dit een zeer ongelukkig initiatief vind. Op 2 december zal de Senaatscommissie haar conclusies formuleren. Waarom plant de minister dan om de resultaten van een parallel onderzoek ­ waarmee trouwens zeer lang gewacht is ­ een goede week eerder bekend te maken ? Volgens mij is deze hele zaak in een stroomversnelling gekomen, toen tijdens het bezoek van de betrokken families aan de plaats waar het drama zich heeft afgespeeld, duidelijk is gebleken dat er in de informatie die aan de families werd verstrekt, heel wat onwaarheden zaten.

De Voorzitter . ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.