1-61

1-61

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU LUNDI 22 JUILLET 1996

VERGADERINGEN VAN MAANDAG 22 JULI 1996

(Vervolg-Suite)

WETSONTWERP TOT MODERNISERING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID EN TOT VRIJWARING VAN DE LEEFBAARHEID VAN DE WETTELIJKE PENSIOENSTELSELS

WETSONTWERP TOT BEVORDERING VAN DE WERKGELEGENHEID EN TOT PREVENTIEVE VRIJWARING VAN HET CONCURRENTIEVERMOGEN

WETSONTWERP STREKKENDE TOT REALISATIE VAN DE BUDGETTAIRE VOORWAARDEN TOT DEELNAME VAN BELGIE AAN DE EUROPESE ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE

Hervatting van de algemene bespreking

PROJET DE LOI PORTANT MODERNISATION DE LA SÉCURITÉ SOCIALE ET ASSURANT LA VIABILITÉ DES RÉGIMES LÉGAUX DES PENSIONS

PROJET DE LOI RELATIVE À LA PROMOTION DE L'EMPLOI ET À LA SAUVEGARDE PRÉVENTIVE DE LA COMPÉTITIVITÉ

PROJET DE LOI VISANT À RÉALISER LES CONDITIONS BUDGÉTAIRES DE LA PARTICIPATION DE LA BELGIQUE À L'UNION ÉCONOMIQUE ET MONÉTAIRE EUROPÉENNE

Reprise de la discussion générale

De Voorzitter. ­ Wij zetten de algemene bespreking voort van de drie ontwerpen van kaderwet.

Nous reprenons la discussion générale des trois projets de lois-cadres.

Het woord is aan de heer Verreycken.

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de Voorzitter, aan de orde is de bespreking van de « bijzondere volmachtskaderwetten », die sinds vorige week verkocht worden als « opdrachtwetten ». Als het kind maar een naam heeft. Belangrijker dan de benaming is uiteraard de reikwijdte van de wetten. De Eerste minister heeft daar in zijn inleiding reeds op gewezen. Toen ik als neofiet in deze Senaat mijn intrede deed, was het een CVP-senator die mij zei dat ik elk wetsvoorstel, elk wetsontwerp steeds moest toetsen aan de maximale invullingsmogelijkheid. Niet aan de bedekte termen in de toelichting, niet aan de onleesbaarheden in de artikelen, maar aan de meest verstrekkende mogelijkheden die erdoor worden geboden.

Welnu, de ontwerpen van wet die thans voorliggen, maken het mogelijk een totalitair bestuur in te voeren waarbij elke parlementaire inbreng wordt opzij geschoven. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik een amendement heb ingediend dat voor de ja-stemmende senatoren en kamerleden in een werkloosheidsvergoeding voorziet.

Dit amendement werd ondertussen onontvankelijk verklaard. Dat parlementsleden zichzelf werkloos maken en het totalitarisme de vrije hand laten, werd ook opgemerkt door de Nederlandse Elsevier. Ik citeer : « België heeft dan wel zes parlementen, maar is daarom nog geen parlementaire democratie. Dehaene en zijn ministers maken er een sport van kamerleden belachelijk te maken. Zij beginnen in de neus te peuteren of tikken ritmisch met hun vingers. Dehaene scheldt kamerleden graag uit voor « sukkelaars » en doet alsof hij in het halfrond zijn tijd verspilt. In feite zet een kernkabinet alle lijnen uit. Er is geen parlementaire controle. Het sterk verzuilde België kan openheid amper verdragen. Het Parlement telt amper mee en parlementsleden zijn te bang om te revolteren. Autoritaire leiders als Jean-Luc Dehaene en Louis Tobback zijn net zo populair als de caudillo's in Latijns-Amerika dat ooit waren. »

De heer Dehaene, Eerste Minister. ­ Wie schrijft dat ?

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Het is een artikel geschreven door Jan-Dirk Eppink.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Dat zegt veel.

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Deze, toch niet onbelangrijke stem uit een buurland, vertolkt wat vele parlementsleden stilletjes denken. De vraag moet natuurlijk zijn : waarom zoekt een Regering naar totalitaire instrumenten ? Waarom wil een Regering die zich beroept op democratie alle macht naar zich toetrekken ?

Omdat macht « an sich » de hoofdreden is van mensen om te streven naar bestuursmandaten. Om macht te kunnen behouden, bouwt dezelfde macht verbergingsinstrumenten op. De geheimzinnigheid rond de dossiers van de Staatsveiligheid is slechts een zeer minimale uiting van deze instrumenten. De heer Coveliers heeft in dit verband verwezen naar de onwil om Ruanda-dossiers te laten inzien. De geheime afspraken tussen de meerderheidspartijen zijn een veel sterkere uitdrukking. Deze afspraken werden gemaakt onder druk van de Waalse socialisten, die in de Belgische staatsopbouw onontbeerlijk zijn om regeringen te vormen.

Wanneer de media echter steeds meer voor onthullingen zorgen en door hun graafwerk de machinaties van machtspolitici blootleggen, wanneer zij dus machtsarrogante politici terugbrengen tot hun menselijke proporties, dan worden volmachten een nieuw soort verbergingsinstrument.

Men zal begrijpen dat een en ander mij niet het minste stoort wanneer daarmee mijn minachting voor de kleine kanten van de Belgische politiek wordt bevestigd. Wat mij wel stoort, is dat degelijke politici ­ ook uit de meerderheidspartijen ­ tot volkomen machteloosheid worden gedoemd alhoewel ook zij, vanuit hun democratisch denken, moeten menen dat macht zonder tegenmacht tot dictatuur leidt.

Er zijn drie basisprincipes die niet ongestraft kunnen worden overtreden, drie principes die aan de basis liggen van het vertrouwen van de mandaatgever, de kiezer.

Ten eerste, participatie aan de democratie veronderstelt delegatie. Dit principe, dat niet alleen door de oude Grieken, maar ook door vele moderne auteurs wordt benadrukt, wordt volkomen aan de kant gezet door de huidige volmachtswetten. De bestuurder gaf immers geen enkele delegatie tot het totalitaire regeren. Een dergelijke delegatie werd enkel afgeleid uit kadaververkiezingen in de voormalige volksdemocratieën. Men beriep zich toen ook op een democratie, maar in feite ging het om de meest flagrante aanfluiting ervan. De bestuurde heeft een controlerende delegatie gegeven aan zijn volksvertegenwoordigers, zijn senator, en niet aan de behoeders van verbergingsinstrumenten.

Ten tweede, een democratie kent een onbeperkte vrijheid van het woord. Ook hieraan wordt deze week een einde gemaakt, door het ontnemen van de mogelijkheid om de wetten op voorhand te bespreken. Een drietraps postfactum-goedkeuring met schijnbespreking van de reeds genomen en reeds uitgevoerde beslissingen kan de vrijheid van het woord niet vervangen. Ik begrijp dat de Eerste minister die van kabinetsmedewerker tot minister opklom zonder parlementaire tussenstop, dit beginsel niet zo sterk aanvoelt als degenen die gedurende een hele periode een parlementaire controle hebben moeten uitoefenen. Daarom is dit principe echter niet minder verdedigbaar.

Ten derde, er mag geen macht zijn zonder tegenmacht. De macht van het opleggen van een belastingdruk aan de bestuurden is ongetwijfeld de sterkste macht omdat zij ingrijpt in de bestedingsmogelijkheden, in de mogelijkheden van diezelfde bestuurden om deel te nemen aan het sociale leven. Deze inbraak in de ontplooiingskansen van mensen moet worden getoetst aan de opmerkingen van degenen die door hen werden gemandateerd, met name de kamerleden en de senatoren. Om het met Mark Grammens te zeggen : « Er bestaat ter wereld geen enkele democratie waar de volksvertegenwoordiging niet dient te beslissen over de overheidsfinanciën; een volksvertegenwoordiging die deze essentiële functie opgeeft, houdt ipso facto op te functioneren. »

Laat het duidelijk zijn : het achteraf bekrachtigen van beslissingen door de mandaathouders kan de voorafgaande tegenmacht geenszins vervangen.

Samengevat zou ik mij vanaf nu tot de Regering moeten richten met de bewoordingen : « leden van de Junta. »

De paritaire samenstelling van de Regering was reeds een aanfluiting van de demografische verhoudingen in dit land. Daar boven op werden nu ook nog ingrijpende wetten voorgesteld, die het totalitarisme invoeren.

De Eerste minister is een christen-democraat. Over zijn politieke visie zei de vorige CVP-voorzitter, Johan Van Hecke in het NRC-Handelsblad van 19 december 1995 : « In tegenstelling tot andere politieke stromingen heeft de christen-democratie geen ideologie. Het is meer een levenshouding die aan de handel en wandel van haar voorlieden wordt herkend. » Ik benadruk dat ik dit citaat niet aanhaal om mij ook maar in de geringste mate te verkneukelen in persoonlijke problemen van om het even wie, van om het even welke partij. Ik citeer deze uitspraak enkel om erop te wijzen dat ook christen-democratische « voorlieden » uit deze Regering, waarvan de Eerste minister de aanvoerder, de juntaleider zou kunnen zijn, eigenlijk geen ideologie hebben, maar enkel worden herkend aan hun machtsarrogante handel en wandel.

De Eerste minister verklaarde bij zijn aantreden dat het land aan de rand van de afgrond staat. Ik neem aan dat wij met deze kaderwetten een grote stap voorwaarts zullen maken. Dit is de enige geldige vergelijking met het verhaal over de Ronde van Frankrijk. De Belgen kunnen nu immers probleemloos het ravijn induiken.

Deze stap voorwaarts werd alvast niet gesmaakt door de Waalse socialisten, die reageren als kinderen. Wanneer men ook maar enige allusie maakt op afnemen van hun speelgoed, dreigen zij met weggaan, want voor de dreiging van een regeringscrisis wijkt de Eerste minister onmiddellijk. Al de argumenten van Luc Van den Brande, Rolf Falter en Norbert De Batselier worden weggeveegd wanneer de stem van de meester weerklinkt. De meester is in dit geval niet de Eerste minister, maar de parti socialiste .

Gevolg gevend aan de oproep van de Eerste minister, wil ik sommige uitschuivers van de voorbije week niet onbesproken laten. De PS, die de Regering gijzelt, wil de Belgische situatie door volmacht en wetten bestendigen : Wallonië maakt de schulden en Vlaanderen betaalt ze. En wat als Vlaanderen niet meer wil betalen ? Dan sluit Wallonië aan bij Frankrijk, dreigde de volksvertegenwoordiger die anderen maar al te graag incivisme verwijt. Dat is helemaal niet zo verbazend en zeker geen reden voor het heffen van een vermanend schoolmeestervingertje door de Koning. Wallonië ­ bij monde van de PS ­ is immers op zoek naar een vaderland. Het is al evenmin verbazend dat de PS opteert voor Frankrijk omdat Frankrijk kan fungeren als nieuwe melkkoe waar men wel « van », maar niet « voor » moet leven. Dit dreigement staat overigens in schrille tegenstelling tot de onafhankelijkheidsstroming in Vlaanderen, dat duidelijk zijn eigen boontjes wil en kan doppen.

Terloops wil ik de aspirant-burgers van Noord-Frankrijk, de Walen dus, wijzen op de uitspraken van de Franse president op de voorbije 14 juli, die aankondigde de uitgaven van Frankrijk te zullen terugschroeven omdat Frankrijk reeds enkele decennia boven zijn stand leeft. Ik veronderstel dat ook de Luikse incivieken, die een buitenlandse nationale feestdag vierden, deze opmerkingen hebben gehoord.

Het Vlaams Economisch Verbond is inderdaad van oordeel dat Vlaanderen betaalt. Het wijst belastingverhogingen af en wel om volgende redenen.

Ten eerste, lastenverhogingen brengen niet alleen de vraag, maar ook de aanbodzijde van de economie in beweging. De produktie wordt duurder, de economische groei vertraagt en de werkgelegenheid verkleint.

Ten tweede, verdere lastenverhoging hollen de belastbare grondslag uit. Bij een stijgende belastingdruk hebben activiteiten die belast worden de neiging om te verdwijnen. Dit effect werkt negatief voor de overheidsinkomsten.

Ten derde, lastenverhogingen treffen vooral de Vlaamse economie. Van elke 100 frank personenbelasting komt 62 frank uit Vlaanderen en van elke 100 frank sociale bijdrage komt 65 frank uit Vlaanderen. Van de vennootschapsbelasting komt 49 pct. rechtstreeks van Vlaamse bedrijven en 15 pct. van Waalse bedrijven. De vennootschappen met zetel in het Brusselse Gewest ­ waarvan velen met een zeer belangrijke activiteit ontplooien in Vlaanderen ­ zijn goed voor een aandeel van 36 pct.

Waarom denk ik dat de Regering een belastingverhoging overweegt en doof blijft voor de opmerkingen van belangrijke werkgeversorganisaties ? Omdat meerdere regeringsleden reeds aankondigden dat de belastingdruk van 1987 ­ toen de liberalen voor het laatst deel uitmaakten van de Regering ­ de norm moet zijn. Sta me toe erop te wijzen dat hier sprake is van een zogenaamde belastingparadox. De globale fiscale en parafiscale druk, uitgedrukt in procent van het BBP, lag in 1995 lager dan in 1987, maar de effectieve belastingdruk is gestegen. Dit heeft uiteraard alles te maken met structuurverschuivingen in de belastbare grondslag. Op 100 frank loon werd in 1995 tot 3,8 frank meer belasting betaald dan in 1987 en op 100 frank consumptie en investeringen werd in 1995 14,6 frank belasting betaald tegenover 14,3 frank in 1987. De directe belastingdruk op de ondernemingen steeg van 23,6 pct. naar 28,2 pct.

Indien de Regering terug wil naar het niveau van 1987, dan zal de effectieve belastingdruk dringend verlaagd moeten worden. De belastingparadox, gekoppeld aan de vaststelling dat elke verhoging hoofdzakelijk of uitsluitend Vlaanderen treft, sterkt ons in onze overtuiging dat de PS de Regering onder druk zet om nooit te saneren aan de uitgavenzijde. Anders is het gewoon onmogelijk dat de Regering alle signalen in de wind slaat.

De Eerste minister meent dat de problemen slechts moeten worden aangepakt wanneer ze acuut zijn. Welnu, België is een acuut probleem. Het noodzakelijke terugdringen van de uitgaven, zonder de inkomsten op de kap van de Vlaamse belastingbetaler te verhogen, is enkel mogelijk indien de Eerste minister het Belgisch probleem aanpakt.

Ik kan aannemen dat de Eerste minister mijn opmerkingen ter zake niet wil horen. Ik behoor immers tot een gestigmatiseerde partij, gestigmatiseerd omwille van zetelvrees. Toch kan het de Eerste minister niet ontgaan zijn dat het Vlaams Blok reeds meermaals door de gebeurtenissen in het gelijk werd gesteld. De asielwetten werden pas verscherpt nadat het Vlaams Blok gedurende jaren had gewezen op het fenomeen van de gelukzoekers die de bestaande regels misbruikten. De strijd tegen de criminaliteit werd opgedreven nadat het Vlaams Blok gedurende jaren had gewezen op het zeer objectieve gevoel van onveiligheid dat de burger teisterde en teistert. Vandaag is er de onwil van de Franstaligen om te saneren, die eveneens reeds jaren wordt aangeklaagd door het Vlaams Blok. Zo zijn er nog andere signalen, die de Premier echter niet wil horen.

Het sterkste signaal dat erop wijst dat de Regering moet ingaan tegen die Waalse onwil, komt van Kris Peeters, secretaris-generaal van het NCMV en tegelijk secretaris van de Warandegroep, een denktank van belangrijke personen uit de sociaal-economische wereld. Deze denktank is vernietigend voor de wijze waarop de Premier lijdzaam de PS-oekazen ondergaat. Kris Peeters verklaarde hieromtrent om 10 juli jongstleden aan Gazet Van Antwerpen : « Premier Dehaene voert de strategie van de kip, die stil blijft zitten en hoopt dat het gevaar voorbijtrekt. Hij vergist zich. »

Ik hoef er niet op te wijzen dat dergelijke uitspraken van toonaangevende groepen als het VEV, het NCVM en de Warandegroep, steeds opnieuw voorafbeeldingen blijken van sociale en maatschappelijke wijzigingen. Het bestaan van het Belgische probleem wordt dus steeds nadrukkelijker aangereikt. De Eerste minister moet dit probleem onmiddellijk aanpakken, want er zullen geen Europese ambities zijn om te doen vergeten dat hij de grondlegger was van de ontkenningspolitiek.

Zelfs indien de Premier doof blijft voor de opmerkingen van de echte werkverschaffers ­ wat van zijn Regering dus niet kan worden gezegd ­, zelfs bij een dergelijke selectieve doofheid kan het hem niet ontgaan dat die opmerkingen reeds werden vertaald in politieke gedragswijzigingen. Zo zegt Peter De Roover, voorzitter van de Vlaamse Volksbeweging, over de teruggevonden Vlaamse houding van de liberalen :« In de politieke situatie van vandaag moet men geen flamingant meer zijn om tot dezelfde besluiten te komen als de Vlaamse Beweging : het Belgische niveau wordt verstikt door immobilisme, dat zijn oorsprong vindt in het Waalse optreden. » Vanuit de huidige politieke meerderheid, weliswaar vanuit een ander Parlement, klint de confederale geloofsbelijdenis van Norbert De Batselier, terwijl Luc Van den Brande optreedt als de pragmatische spreekbuis van het hoofd van de studiedienst van de CVP : Rolf Falter, die in een toespraak te Gent op 3 juni jongstleden, samengevat, zegde dat op sociaal-economisch vlak de zaak vastloopt. België biedt volgens hem Vlaanderen geen meerwaarde meer. Daarvan is de Vlaamse politieke wereld meer en meer overtuigd. Hij besluit dan ook dat België onvermijdelijk zal uiteenvallen. Falter is helemaal geen lid van mijn partij.

De « katerwetten » van de Eerste minister ­ ik noem ze zo omdat zij een kater zullen nalaten bij de volgende generaties ­ raken niet aan het probleem van Waalse overconsumptie, raken niet aan de onevenwichten in de sociale zekerheid, raken niet aan degenen die zich nestelden in het Belgische subsidieparadijs, raken niet aan de miljardentransfers van Vlaanderen naar Wallonië en raken niet ­ ongetwijfeld ter geruststelling van de jastemmende leden van de meerderheid ­ aan artikel 74 van de Grondwet, waarin de begrotingen en de rekeningen van de Staat worden behandeld. Die mogen niet bij volmacht worden aangepakt, net zomin als de uit het artikel afgeleide dotaties aan Kamer en Senaat. « Stem ja, brave meerderheidsleden, en aan uw eigen voorrechten zal niet worden getornd. Dat beloof ik door het toevoegen van beperkingen aan de katerwetten. » Deze zinnen zouden kunnen ondertekend zijn : Jean-Luc Dehaene.

Deze « katerwetten » tonen overduidelijk aan dat het samenleven in een eenzijdig profitariaatsverband met Wallonië in de Belgische structuur van het unionistisch federalisme steeds twijfelachtiger wordt.

Het Vlaams Blok voorspelde dit reeds en pleitte voor een onafhankelijk Vlaanderen dat een dynamisch beleid zou voeren. Daarom steunden wij het denkspoor van de vermindering van de vennootschapsbelasting en daaraan gekoppelde nieuwe aanwervingsmogelijkheden, maar de Regering blokte dit denkspoor onmiddellijk af.

Onder druk van een coalitiepartner ­ in casu de PS ­ belet zij een dynamisch beleid in Vlaanderen. Daarom eist ze volmachten die de controlerende parlementsleden voor een periode buiten spel zetten.

Het instemmen met deze aan de PS onderdanige politiek is beschamend en geeft aan dat de meerderheid van de senatoren bereid is toe te geven aan de eisen van de Eerste minister die nooit enig parlementair controlewerk moest verrichten, waardoor de hoofdregels van de democratie in feite niet aan hem waren besteed.

Het is de bon ton steeds hooghartig weg te wuiven wat het Vlaams Blok zegt, terwijl onze voorstellen later toch in de praktijk worden uitgevoerd.

Ik herhaal nadrukkelijk dat het echte probleem « België » heet, en dat Vlaanderen en Wallonië maar met de Europese volkeren kunnen meedraaien wanneer zij hun eigen problemen zelfstandig kunnen aanpakken, zoals trouwens uit het debat van vandaag nog is gebleken.

Alle sprekers, de Eerste minister inbegrepen, hebben nadrukkelijk gewezen op de visie van de PS in de Kamer en op de 11-julitoespraken, waartegen ik uiteraard geen bezwaar heb.

Alle sprekers hebben zo goed als dezelfde houding ingenomen : zij hebben die verklaringen gehoord, geciteerd en daarna weggewuifd als werwerpelijk nationalisme. Deze sterke aandacht voor de 11-juliverklaringen bewijst wel dat de stemmen die op de Vlaamse feestdag opgingen voor een echt identiteitsbesef gezaghebbend zijn in het politiek landschap.

De sprekers in het debat van vandaag voelen heel nadrukkelijk aan dat de kinderen van het dwanghuwelijk België stilaan volwassen worden, het nest willen verlaten en op eigen benen willen staan. Deze evolutie zal men nooit kunnen tegenhouden, welke afremmingsmechanismen ook worden ingebouwd.

Dat in dit debat geen aandacht werd gevraagd voor de 21-juli-epistels toont aan wie voor het welzijn van de bestuurder kan zorgen, en wie de folklore vertegenwoordigt. De « katerwetten » zullen deze evolutie in de geesten niet kunnen veranderen.

De politieke signalen en het signaal van de PS-vrienden zijn tekenen aan de wand dat de Regering zich wanhopig wil vastklampen aan het verleden. De maatschappelijke signalen daarentegen zijn hoopvol voor de toekomst.

Daarom zullen wij deze « katerwetten » en dit vastklampen aan het verleden met echte minachting afwijzen.

M. le Président. ­ La parole est à M. Jonckheer.

M. Jonckheer (Écolo) ­ Monsieur le Président, après le débat qui a eu lieu à la Chambre, il ne me paraît pas nécessaire de commenter très longuement les conditions dans lesquelles le Gouvernement invite les parlementaires de sa majorité à voter les projets de lois-cadres. La plupart des présidents de groupe au Sénat ­ hormis Mme Willame et moi-même ­ étant d'éminents juristes, ces aspects juridiques ont été longuement examinés.

Le débat juridique et politique entre l'actuelle majorité et l'opposition libérale sur la nature et l'ampleur de la délégation de pouvoirs demandée par le Gouvernement me paraît pour une part largement dénué d'intérêt.

La partie de ping-pong à laquelle nous avons notamment assisté en commission ­ chacun se renvoyant à la tête les pouvoirs spéciaux de l'autre ­ masque l'essentiel : l'effacement continu de l'institution parlementaire au sein du sytème politique dont la dynamique est dominée par les partis et les exécutifs.

La montagne d'amendements déposée à la Chambre est à la hauteur de l'impuissance du monde parlementaire et traduit une réalité bien connue de chacun de nous dès avant le premier mot échangé : le Gouvernement demande des pouvoirs spéciaux et le système veut que sa majorité parlementaire les lui accorde, sous peine de provoquer une crise gouvernementale, un changement de coalition ou des élections.

Les écologistes n'acceptent pas cette évolution du système politique dans la mesure où elle contribue à affaiblir le débat démocratique, à « décrédibiliser » davantage les institutions politiques et les parlementaires, dans un contexte général de crise de la représentation politique et de la politique elle-même comme milieu d'élaboration de choix collectifs qui donnent un sens à l'appartenance de l'individu à une société.

L'argumentation juridique donnée par le Premier ministre ne me semble en rien démentir l'évolution culturelle et politique du système au sein duquel nous sommes inscrits et qui, à certains égards, est préoccupante.

Nous, écologistes, croyons qu'il est nécessaire de développer d'autres formes de participation à la vie publique des citoyens, principalement en cette période de mutation économique, marquée par la fragmentation sociale.

Parmi ces formes complémentaires de participation, je ne puis m'empêcher de citer le référendum car la façon dont ce problème est considéré par le Premier ministre, mais aussi par les partis de l'actuelle majorité, illustre l'attitude pour le moins équivoque de certains envers les prérogatives du Parlement.

D'une part, au nom de la défense du principe de la démocratie parlementaire, la majorité refuse l'inscription dans notre Constitution de la possibilité de procéder au référendum législatif. D'autre part, on requiert des pouvoirs spéciaux qui interviennent précisément au détriment politique du Parlement, même si cette affirmation est juridiquement contestable.

Sur ce point, je rappelle enfin que nous entendons relancer le débat au Sénat sur la question du référendum, et ce sur la base d'une proposition précise de révision de l'article 34 de la Constitution qui porte sur les traités internationaux, domaine dans lequel le pouvoir du Parlement est déjà très limité.

Je n'avais pas l'intention d'aborder les questions communautaires dans cette première partie de mon exposé. Les interventions du Premier ministre et de membres appartenant à d'autres groupes politiques m'obligent à rappeler la position des écologistes à cet égard. J'imagine que notre collègue M. Boutmans le fera également au nom d'Agalev. Depuis leur création, les groupes Ecolo et Agalev s'inscrivent dans une orientation fédérale. Écologistes flamands et francophones avaient d'ailleurs élaboré un programmme institutionnel commun avant de participer à la dernière réforme constitutionnelle. C'est sur la base de ces orientations communes que nous avons participé à la dernière réforme constitutionnelle, qui a explicitement institué la Belgique fédérale, laquelle est composée de trois Régions et de trois Communautés.

Il est clair que tout schéma juridico-institutionnel ne peut être envisageable qu'en présence de la volonté convergente de vouloir vivre ensemble. À cet égard, Écolo et Agalev travaillent toujours de concert, constituant un groupe unique à la Chambre. Vous me permettrez de regretter une fois de plus que le Règlement du Sénat nous interdise d'en faire autant dans l'enceinte de la Haute Assemblée. Le fait de travailler ensemble à la Chambre ne nous empêche pas d'être flamands, francophones, wallons ou bruxellois. J'ai évidemment enregistré les déclarations des groupes de la majorité ainsi que celle du Premier ministre dans lesquelles tous réaffirment que l'action de la majorité s'inscrit et s'inscrira dans le cadre de cette structure fédérale. À mon sens, le maintien intégral d'un futur système fédéral de sécurité sociale est moins clairement affirmé, d'autant que le financement de ce système doit être partiellement transformé.

La thématique de l'Europe des Régions n'a pas encore été abordée. À cet égard, il est évident que nous assistons ­ plus spécialement en Belgique ­ à un renforcement des structures politiques européennes ­ monnaie unique, voire défense commune ­ qui intervient en même temps qu'un renforcement des compétences régionales. Par conséquent, si ce sénario se développe, les compétences fédérales d'un État comme la Belgique se limiteront progressivement aux départements de la Justice et de l'Intérieur ainsi qu'au vaste secteur que constitue l'ensemble de la sécurité sociale. Je pense donc que le caractère fédéral de la Belgique est intimement lié à celui de la sécurité sociale.

Les écologistes ont dit clairement ­ et ils répètent ­ qu'ils souhaitent continuer à militer politiquement dans une Belgique fédérale, pour le maintien d'un système de sécurité sociale fédéral et universel.

Après avoir brièvement abordé l'évolution du système politique et émis quelques considérations sur les questions communautaires, j'en viens à des reflexions plus générales qu'il me semble opportun de formuler dans le cadre de cette discussion « générale générale ». Ces remarques se situeront quelque peu en retrait de celles que nous avons entendues jusqu'à présent.

Les écologistes sont profondément préoccupés par la manière dont les mutations économiques et sociales sont abordées en Belgique et en Europe.

À cet egard, je voudrais vous livrer trois réflexions.

La première s'intitule « le nouveau ne sera pas fait de l'ancien ». Outre ses faiblesses structurelles par rapport aux forces du marché, le politique énonce très difficilement le « nouveau monde ». Les sociétés capitalistes développées sont engagées dans une mutation rapide modifiant l'ordre technique, économique et social en matière d'emploi et de sécurité sociale. L'idée de pacte social, de nouveau contrat social renvoie à cette perception d'une nécessaire « refondation ». Cependant, nous avons la nette impression à leur lecture qu'il s'agit de négociations cent fois recommencées sur « le partage de la tarte ». En ce qui concerne les écologistes, un nouveau contrat social à la mesure de cette mutation suppose une révision des valeurs, de nouveaux indicateurs de croissance du bien-être, une croissance qualitative et surtout ­ c'est peut-être le plus difficile ­ un nouvel équilibre des forces sociales, alors que ce dernier est aujourd'hui fortement déstabilisé au profit des acteurs de la mondialisation.

Ma seconde réflexion concerne le rôle du politique et l'idée des écologistes selon laquelle la politique doit remonter en puissance. Le modèle de concertation belge va devoir nécessairement évoluer parce que les négociations traditionnelles ne pourront désormais plus se limiter au dialogue entre les interlocuteurs sociaux. Le Gouvernement, le Parlement, les autorités politiques en général vont être obligés de prendre de nouvelles responsabilités, sur le double plan national et européen. Je voudrais apporter ici quelques nuances à un discours assez répandu et à des observations réelles quant à la faiblesse du politique. En dépit de la fragmentation sociale, je suis frappé de constater l'extraordinaire stabilité politique ­ sur le plan électoral à tout le moins et, jusqu'à nouvel ordre ­ régnant en Europe occidentale. Elle est due, en partie, à l'impact positif exercé par la sécurité sociale sur l'amortissement d'une crise majeure comparable à celle des années trente.

Qu'observons-nous en Europe occidentale ? Des alternances de centre-droit ou de centre-gauche, avec, en Belgique, on le sait, le maintien des sociaux-chrétiens au pouvoir dans tous les cas de figure.

Il me semble donc, monsieur le Premier ministre, que jusqu'à présent, vous avez eu largement le temps de développer un projet à plus long terme, un véritable nouveau contrat social qui pourrait donner une autre perspective à l'austérité budgétaire, passée et future.

À mon avis, la question ne concerne donc pas tant le temps que la capacité de renouvellement ­ idéologique et culturel ­ des forces politiques traditionnelles largement majoritaires dans les pays européens.

En effet, je suis de ceux qui considèrent que le temps des idéologies n'est pas mort. Ceux qui, comme Michel Foret, dénoncent ­ mais l'opposition libérale, à l'exception de notre collègue Claude Desmedt, est toujours aussi absente, après le discours fleuve de son président de groupe ­ l'anachronisme de certaines idéologies sont souvent ceux qui défendent le plus une idée, qui sont les plus dogmatiques...

M. Lallemand (PS). ­ C'est exact.

M. Jonckheer (Écolo). ­ Par conséquent, les forces politiques traditionnelles ­ mais les écologistes également ­ sont appelées, dans leurs formations politiques, à devoir se renouveler culturellement et idéologiquement. Je présume que Het Sienjaal, Herbossing ou L'Olivier , provenant de partis de la majorité en sont en quelque sorte une manifestation.

Un autre défi consiste à profiter de cette stabilité politique ­ assez remarquable ­ pour rendre le changement social souhaitable parce qu'on l'aura maîtrisé, que chacun y trouvera sa place ­ un emploi, une activité et un revenu ­ et que l'on pourra ainsi lutter contre le repli, la violence et l'intolérance.

Pour les écologistes, ce renouvellement idéologique passe par la lutte contre ce que j'appellerai la pensée néolibérale. De notre point de vue, un développement qualitatif pour le XXIe siècle suppose un réel changement de paradigme. J'entends par « néolibéralisme » l'idéologie qui fait davantage confiance aux mécanismes du marché pour refléter les choix collectifs qu'à la décision politique, celle qui fait davantage confiance au marché financier, pour juger de la bonne conduite des politiques économiques, et qui se traduit, par exemple, en une baisse des cours lorsqu'une diminution du chiffre du chômage est annoncée.

Entendez-moi bien : du point de vue des écologistes, cette critique de l'idéologie n'est en rien une critique du marché en tant que tel. Nous sommes favorables à une économie avec marché et, pour une large part, décentralisée. Il s'agit encore moins d'un discours simpliste, ridicule, « anti-entreprises » que, du reste, nous n'avons tenu à aucun moment. Simplement, notre critique vise ceux qui considèrent le marché comme devant être le régulateur hégémonique de la vie en société.

Cette idéologie est malheureusement très largement dominante au sein des forces politiques traditionnelles. C'est là que le débat s'ouvre ; je présume que plusieurs d'entre vous ne seront pas d'accord.

J'ai dit dominante mais pas unique. Je pense notamment que la social-démocratie européenne y a très largement succombé. Et je pense qu'au sein de la famille libérale, certains sont en train de mesurer les limites du néolibéralisme. Je citerai un de nos anciens collègues, aujourd'hui député européen. J'ai, en effet, été intéressé par les déclarations, lors du congrès des libéraux européens à Vienne, de Philippe Monfils qui, sur la thématique de l'audiovisuel européen, s'est bien rendu compte que la société de l'information tellement chère au coeur du Premier ministre, couplée « au tout au marché », provoquera des ravages culturels définitifs, que l'on soit Flamand, Wallon ou Bruxellois. Et donc, je pense qu'effectivement il y a des néolibéraux dans toutes les formations politiques traditionnelles, et que c'est ce type d'idéologie qu'il faut combattre, car j'appelle aussi néolibérale la politique qui consiste d'abord ­ l'exemple de l'audiovisuel est remarquable de ce point de vue, tout comme celui de la société de l'information ­ à déréglementer sur le plan national pour s'interroger ensuite sur les nécessités d'une éventuelle coopération juridique et politique supranationale. On développe les infrastructures de la société de l'information, on laisse se développer les services de cette dernière, on privatise et puis, on s'interroge, à la Commission européenne, peut-être demain dans ce Sénat, sur les impacts sociaux et culturels de cette société de l'information.

Je trouve qu'à tout le moins, une pensée politique ouverte sur le XXIe siècle, soucieuse de cohésion sociale, devrait essayer ­ c'est difficile, je vous l'accorde ­ de relever les défis dans leur ensemble et simultanément.

Le processus d'intégration européenne, sur lequel je reviendrai par la suite, est aujourd'hui aussi dominé par cette vision néolibérale qui a connu un fameux coup d'accélérateur avec le marché unique, en 1985, et l'Acte unique européen de 1987, lequel a permis la réalisation juridique de ce marché unique. Encore une fois, je ne suis pas opposé à l'intégration des marchés à l'échelon du continent européen. Je suis, par contre, extrêmement critique sur le non-encadrement de ces marchés.

Pour en revenir à la politique belge et pour concrétiser mes propos, j'ai malheureusement obtenu confirmation, dans les discussions que nous avons eues en commission des Finances du Sénat, du fait que ce néolibéralisme est particulièrement présent dans une formation politique, le VLD, pour ne pas le citer.

De ce point de vue, cette critique de la pensée néolibérale ne doit pas nous faire nier ­ ce serait ridicule et simpliste ­ les différences importantes qui subsistent, en Europe comme en Belgique, entre des coalitions politiques de centre-droite et de centre-gauche.

Je résumerai l'attitude du VLD dans ce débat ­ M. Coene aura certainement l'occasion de me démentir, peut-être de manière un peu caricaturale ­ pour vous, monsieur le Premier ministre, ce sera presque une injure : « plus vite et plus fort ». Plus vite dans la réduction du déficit, plus fort dans la réduction des dépenses ­ en particulier celles de sécurité sociale ­ et, bien entendu, selon le VLD, la croissance économique reprendra et, avec elle, l'emploi, etc. Dommage que tout ne soit pas aussi simple !

Vous l'avez souvent répété devant cette assemblée, monsieur le Premier ministre, et je partage votre avis sur ce point : aucune recette miracle n'existe, ni au VLD ni dans le chef des autres formations politiques.

Un autre révélateur de ce clivage idéologique extrêmement important est évidemment le rappel, auquel s'est livré M. Coveliers, des déclarations de M. Eyskens. Il est tout à fait certain que l'introduction ou non de la sélectivité dans les dépenses de la sécurité sociale est un débat essentiel. Si l'on s'oriente dans cette dernière voie, il est clair que l'on bascule dans un autre type de société, qui n'est pas celui que nous souhaitons.

J'en viens à quelques remarques complémentaires au sujet des lois-cadres proprement dites.

Je vous surprendrai sans doute, monsieur le Premier ministre, en vous disant que nous sommes d'accord sur les principaux objectifs que vous annoncez dans ces lois-cadres, dans la mesure où ils sont formulés abstraitement. Ainsi, nous partageons les objectifs sur le passage à la monnaie unique, la réduction du déficit public et du taux d'endettement, l'encadrement de la formation des salaires afin de garantir la rentabilité des entreprises et d'affecter une partie des gains de productivité à une politique de l'emploi, l'équilibre financier de la sécurité sociale combiné avec le développement d'un financement alternatif, la réduction relative des coûts, compte tenu du vieillissement de la population, et, enfin, une véritable politique audacieuse et active pour l'emploi.

Nous vous suivons également sur les quelques principes que vous énoncez dans la loi-cadre budgétaire ­ article 2, paragraphe 2 ­ et portant sur : l'équité, les services publics et la création d'emplois.

Ne désirant ni alimenter la presse qui pourrait annoncer dans ses colonnes que les écologistes changent de bord, ni laisser croire à mes collègues du Sénat que je suis personnellement pris par l'ambiance agréable de la Haute Assemblée, j'ajouterai qu'un problème de taille se pose toutefois.

En effet, au vu de l'évolution des politiques menées dans le passé, nous estimons qu'il est plus que temps de changer d'orientation, ce qui n'est pas vraiment l'intention du Gouvernement et de sa majorité. C'est donc là que s'ouvre le débat politique, non sur les objectifs que j'ai mentionnés, mais sur les mesures à prendre pour y parvenir.

Rassurez-vous, monsieur le Premier ministre, je ne vous dirai pas comment trouver les 80 ou 100 milliards nécessaires à la loi budgétaire. Chacun a sa tâche et vous êtes probablement plus qualifié et mieux entouré que moi pour exercer cette responsabilité.

Je désire cependant attirer votre attention sur certains points qui me semblent devoir être rencontrés dans cette politique et qui ont été abordés de façon insuffisante par les orateurs qui m'ont précédé à cette tribune.

Certains discours de tendance néolibérale offrent des aspects qui m'irritent considérablement, à savoir le fait de tenir pour acquis que la croissance inégalitaire des revenus est une donnée irréversible et le fait que personne ne s'interroge sur le rôle de la répartition des revenus comme facteur de croissance et d'emploi.

À l'article 2, paragraphe 3, du projet de loi qui nous est soumis, il est question de « ne pas porter atteinte aux revenus les plus faibles » et de « répartir équitablement les efforts entre les différentes catégories sociales et types de revenus ». En commission, le ministre des Finances a toutefois refusé d'expliquer sa notion de « revenus les plus faibles ».

L'évolution des quinze dernières années montre que c'est un phénomène totalement inverse qui se produit, en tout cas sur un plan macro-économique. La croissance des inégalités dans les revenus primaires au sein du salariat est une première tendance. L'inégalité dans la progression des revenus du capital, par rapport au facteur travail, est une deuxième tendance. Enfin, la progression de la pauvreté dans tous les pays européens est confirmée par tous les rapports et études réalisés en la matière.

Parallèlement, la fiscalité a augmenté sur les revenus du travail et s'est allégée sur les revenus du capital. C'est vrai à l'échelle européenne, et ce l'est davantage à l'échelle de la Belgique, comme l'indiquent clairement les analyses effectuées, notamment par le service d'études du ministère des Finances.

Cette montée des inégalités salariales et des revenus bruts et nets est-elle irrésistible et souhaitable ? C'est à notre avis une des questions centrales qui conditionnent, pour une part importante, l'organisation future des sociétés européennes et de leurs marchés du travail.

Contrairement à ce que l'on pourrait penser a priori, une norme macro-économique de l'évolution des salaires nominaux ne remet pas en cause cette tendance lourde et la clause sur les participations bénéficiaires ­ à condition qu'un effort soit consenti en faveur de l'emploi ­ permettra éventuellement d'accroître les disparités salariales. On jugera.

En tout cas, une flexibilité maximale à la hausse comme à la baisse des salaires est considérée par l'OCDE ­ mais également par le Gouvernement, semble-t-il ­ comme la meilleure garantie de création d'emplois, avec ses effets redoutables pour le bas de l'échelle ­ les working-poor, aux États-Unis.

M. Lallemand a cité, de façon éloquente, comme il le fait souvent, un économiste, M. de Saint-Etienne, que j'avoue ne pas connaître, mais qui, d'après ce que j'ai entendu, pointe judicieusement le type de menaces ­ bien réelles, selon moi ­ auxquelles les projets de lois-cadres ne répondent pas.

Par conséquent, par rapport à ces évolutions structurelles des marchés du travail, la nécessité de salaires minima ­ et de minima en augmentation ­ est impérative et doit être subventionnée. En d'autres termes, nous soutenons des idées du type Maribel, portant sur les bas salaires. Par contre, nous sommes opposés à un Maribel généralisé, touchant tous les jobs et tous les secteurs.

Par ailleurs, une réforme fiscale de grande ampleur doit être menée, non pour alourdir les charges ­ car le problème n'est pas véritablement celui de la rage taxatoire ou de l'augmentation des charges fiscales ­ mais pour définir dans une perspective de moyen terme une nouvelle répartition de la fiscalité, en prenant en considération les ressources non renouvelables, les revenus du capital et ceux du travail.

À l'évidence ­ toutes les statistiques le démontrent ­ ce sont les salariés et, d'une façon générale, les gens qui vivent uniquement du revenu de leur travail, y compris les indépendants, qui ont payé la plus grande part de l'ajustement budgétaire durant les années 80 et suivantes. M. Foret a fait part de données chiffrées à cet égard.

En résumé, en matière d'équité, une question tout à fait cruciale se pose quant au fait de savoir si l'on accepte une croissance économique qui favorise les inégalités salariales ou si, au contraire, nous optons pour une croissance économique moins inégalitaire.

Un autre point m'a frappé dans cet article 2, paragraphe 3. Il y est question de « garantir un service public efficace et performant ».

À mes yeux, l'absence d'objectifs européens en matière d'entreprises publiques, la disparition progressive des monopoles voulue par le marché unique et le droit de la concurrence, ainsi que l'inexistence même de la notion de service public sur le plan européen, ont pour conséquence une dégradation du service pour ceux qui n'ont plus de revenus suffisants.

Je prendrai l'exemple des télécommunications car il est éclairant de ce point de vue : privatisation, fin des monopoles et apparition dans les textes de la Commission européenne de la notion anglo-saxonne de service universel. Même M. Busquin ­ malheur lui en prit, à mon avis ­ et M. Di Rupo se sont réjouis de voir que notre Gouvernement avait été le premier des Quinze de l'Union européenne à introduire cette notion de service universel dans la loi votée par la majorité en 1995, laquelle anticipe la fin du monopole de la téléphonie vocale au 1er janvier 1998. La prérogative de définir le contenu du service universel fut évidemment refusée au Parlement. Cette nouvelle habilitation a été attribuée au Gouvernement et à l'IBPT.

Chaque utilisateur de Belgacom, dont on va par ailleurs poursuivre la privatisation pour réduire le taux d'endettement de l'État, va découvrir le service universel et son prix raisonnable, en voyant la redevance d'abonnement et la tarification intérieure s'élever au prix de la tarification internationale.

À vue de nez, un transfert de cinq milliards de francs par an sera opéré, principalement au profit des entreprises livrées à la compétition internationale. Le Gouvernement belge s'est évidemment fortement contraint dans ses choix et seule, aujourd'hui, une action de dimension européenne peut éventuellement inverser la tendance.

Le dernier alinéa du paragraphe 3 de l'article 2 concerne la création d'emplois. Les orateurs précédents ont largement évoqué ce point. On serait tenté de dire que les chiffres parlent malheureusement d'eux-mêmes et que le résultat le plus probable est la stabilité du taux de chômage d'ici l'an 2000, si l'on suit les prévisions de l'OCDE, de la Commission européenne et du Bureau du Plan.

En lisant le rapport Jadot sur la politique fédérale de l'emploi, j'ai été frappé par la très difficile évaluation que les autorités peuvent faire sur les mesures de politique active qu'elles ont mises en place.

De ce point de vue, je pense que le bilan social que comprennent les dispositions que nous aurons à voter constitue un pas positif, mais je suis navré par la réaction de la FEB face à l'idée d'un nouveau contrat social. La FEB considère comme pratiquement anormal le fait que les autorités politiques puissent imaginer un instrument d'évaluation des politiques mises en place et des subventions octroyées au secteur des entreprises. Le bilan social est nécessaire mais selon nous, écologistes, on aurait dû y ajouter obligatoirement un bilan environnemental.

J'aborderai plus précisément la politique de l'emploi lors de la discussion des lois-cadres spécifiques. Cependant, la faiblesse des résultats obtenus, notamment par rapport aux coûts engagés ­ 50 milliards pour Maribel en 1995, c'est considérable ­ résultats que l'on peut du reste difficilement évaluer en fonction d'une incertitude trop importante, nous fait penser qu'une politique de redistribution plus active du travail et le développement de nouveaux gisements d'emplois dans les secteurs à plus faible productivité et qui sont, en principe, relativement protégés de la concurrence internationale, sont des axes qu'il faut poursuivre avec beaucoup plus de moyens et d'ambition. Cela suppose effectivement une redistribution beaucoup plus importante des gains de productivité.

De ce point de vue, j'aimerais lever l'ambiguïté du projet de loi-cadre relatif à la compétitivité et l'emploi. C'est, me semble-t-il, par rhétorique politique que l'on a voulu associer les deux termes. Car, si les entreprises doivent être compétitives pour exister et donc fournir de l'emploi, il est clair qu'il existe des priorités parmi les priorités. M. Maystadt l'a dit à la Chambre, M. Lallemand l'a rappelé : tout est dans tout. C'est évident, tout est dans tout et tout se tient, mais le tout comprend néanmoins un certain nombre de sous-ensembles entre lesquels existent des liens de causalité. Depuis quinze ans, la priorité des Gouvernements, quelles que soient les coalitions, a d'abord été la compétitivité et le rétablissement des marges de profit des entreprises, puis la réduction du déficit public, démarches bien nécessaires, il est vrai, et qui ont été rendues difficiles par des facteurs, notamment internationaux, par exemple, le maintien de taux d'intérêt réels très élevés.

Mais cet ordre de priorités devient de plus en plus risqué et intenable à long terme pour la cohésion sociale et pour la démocratie dans son ensemble. Une croissance lente avec un sous-emploi massif est un risque majeur pour la démocratie. Je pense donc qu'il est temps d'en tirer les leçons sur les plans belge et européen, afin de mener des politiques d'emploi beaucoup plus audacieuses.

C'est aussi la raison pour laquelle les écologistes auraient préféré anticiper l'Union monétaire ­ on peut rêver ­ par une décision politique des chefs d'État du premier cercle qui auraient accepté une interprétation conjoncturelle du critère du solde budgétaire. Atteindre 3 ou 2,8 p.c. avec un taux de croissance de l'ordre de 1 p.c. est nettement plus difficile que de le faire avec le taux de croissance estimé à 3 p.c. au moment de la conclusion du Traité de Maastricht.

Nous devons être conscients du fait que les politiques d'ajustements budgétaires menées par la Belgique et les autres pays européens en 1996 et en 1997 auront des effets négatifs sur la croissance économique et sur l'emploi, à tel point qu'en Allemagne et en France, certains organismes spécialisés dans les prévisions économiques viennent de mettre en exergue les difficultés qu'éprouveront leurs gourvernements pour arriver à respecter le critère de 3 p.c. en 1997.

Je souhaite que l'objectif de la monnaie unique soit atteint mais une interprétation politique plus subtile des critères de Maastricht aurait été préférable, ce qui n'exclut pas ultérieurement de poursuivre la réduction des déficits publics.

Je voudrais conclure en reprenant les interrogations relatives au futur européen. Au cours de mon exposé, j'ai fait référence à la nécessité de poursuivre l'intégration européenne, et ce pour mener des politiques économiques environnementales et sociales plus conformes aux objectifs de cohésion sociale et de démocratie.

Dans ma très brève carrière politique ­ je ne suis parlementaire que depuis cinq ans ­, j'ai eu la chance de vivre deux moments particulièrement forts et émouvants. J'ai eu l'occasion d'entendre, à deux reprises, le chancelier Kohl et le président Mitterrand. Ceux-ci avaient l'intime conviction de la nécessité de faire l'Europe pour assurer la paix sur le continent.

Cette image de Kohl et de Mitterrand se tenant la main à Verdun est, pour moi, le symbole de l'objectif à poursuivre au niveau européen.

En ce qui me concerne, ce symbole ne doit pas donner lieu à une incantation à propos de l'Europe laissant croire que la réalisation de l'Union monétaire ou politique résoudrait tous les problèmes. Cette union est certes nécessaire. Nous avons surtout besoin de dirigeants politiques européens qui souhaitent défendre ce que l'on peut appeler le modèle social européen, mais, à mon avis, cette formule est réductrice et je parlerai plus volontiers d'un modèle de civilisation européenne, en particulier celle qui s'est bâtie après les deux guerres mondiales sur la base d'une réelle solidarité et d'une réelle cohésion sociale.

Pour ce faire, outre l'objectif de l'Union monétaire, nous devons également poursuivre celui de la réforme des Traités européens. J'attire votre attention sur le fait que la conclusion des négociations relatives à la réforme des Traités européens aura lieu ­ si le calendrier est respecté ­ avant la prise de décision concernant la monnaie unique. Ce calendrier prévoit en effet la conclusion de la réforme des Traités européens durant l'été 1997, le printemps 1998 étant retenu pour la prise de décision concernant les États qui feront partie du premier cercle monétaire européen.

M. Dehaene est, entre tous, le représentant de la Belgique au sein du Conseil européen. Il sera également notre Premier représentant lors des négociations qui s'engageront dans les prochains mois. Les écologistes le chargent donc de défendre leur volonté politique et leur souhait de voir respecter certains objectifs figurant ­ en peu de lignes, il est vrai ­ dans le mémorandum du Gouvernement fédéral. Nous souhaitons notamment que les objectifs économiques, sociaux et environnementaux occupent la même place que les objectifs de marché et de monnaie uniques. Nous souhaitons également que la capacité de décision intervienne à la majorité qualifiée dans tous les domaines du premier pilier ­ fiscalité notamment. Si cette condition n'est pas remplie, nous estimons en effet que le nouveau contrat social ­ ou contrat pour l'avenir ­ verra sa portée rétrécie. Nous ne disposerons alors plus de la marge de manoeuvre suffisante pour mener à bien la politique environnementale européenne adéquate et l'ambitieuse politique de l'emploi que nous projetons. Nous n'aurons pas la possibilité d'imposer une taxe « énergie CO2 » destinée au financement alternatif de la sécurité sociale. Nous ne disposerons pas des moyens d'alléger les charges sur le travail car nous n'aurons pas la possibilité de taxer plus justement les revenus du capital.

Cette réforme des Traités européens est donc tout aussi fondamentale que la poursuite de l'objectif de l'Union monétaire. Soyons-en conscients, les informations qui nous parviennent des négociateurs et des représentants permanents ne sont pas bonnes. En effet, de nombreux chefs d'État et de gouvernement européens sont précisément trop imprégnés de l'idéologie néolibérale que je viens de dénoncer. (Applaudissements.)

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, in mijn uiteenzetting zal ik eerst enkele algemene bedenkingen maken rond het gebrek aan democratische inhoud van de drie kaderwetten. Daarna zal ik kort ingaan op de drie verschillende kaderwetten om dan tot besluit mijn mening te geven over de opmerkingen van SP en PS rond solidariteit en nationalisme en over wat de Eerste minister in zijn inleidende uiteenzetting daarover heeft gezegd.

Toen Eerste minister Dehaene een jaar geleden de verkiezingen met zes maanden vervroegde, deed hij dat om drie belangrijke opdrachten onmiddellijk aan te pakken, namelijk de modernisering van de sociale zekerheid, de bevordering van de werkgelegenheid en het halen van de Maastrichtnorm. Een jaar lang, van mei 1995 tot mei 1996, heeft de Regering-Dehaene II getalmd. Een volledig jaar heeft zij niets gedaan aan de drie grote uitdagingen. Nu, na een jaar van immobilisme, vraagt de Regering het Parlement zichzelf buiten spel te zetten. Zij wil de grote opdrachten nu zelf uitvoeren, zonder lastige parlementaire controle. Het zal de Eerste minister niet verwonderen dat dit voor de Volksunie onaanvaardbaar is. Het Parlement als vertegenwoordiger van het volk moet zijn rol volledig kunnen spelen. Kamer en Senaat mogen niet worden uitgeschakeld omdat de Regering faalt.

Bovendien is de techniek van de kaderwetten in dit geval fundamenteel onaanvaardbaar. Hugo Coveliers heeft er vanmiddag reeds op gewezen dat we uit de volmachten van de jaren tachtig leren dat er voor volmachten twee voorwaarden vervuld moeten zijn. Hetzelfde geldt voor de kaderwetten. Er moet sprake zijn enerzijds van urgentie en, anderzijds, van uitzonderlijke omstandigheden. Toen ik daarnet onze charmante vrouwelijke fractieleider hoorde, was het mij duidelijk dat er van uitzonderlijke omstandigheden geen sprake is, want zij vertelde ons hoe goed het allemaal wel gaat. Bovendien moet de duur van de periode van volmachten in verhouding staan tot het doel ervan. Voor wat de Regering vandaag aan het Parlement vraagt, zijn deze drie voorwaarden niet vervuld. Er is absoluut geen sprake van urgentie, want de Regering-Dehaene I en Dehaene II kenden de Maastrichtnorm al langer dan vandaag. Beweren dat de noodzaak om toe te treden tot de Monetaire Unie de Regering noopt tot het vragen van volmachten, is dus klinkklare onzin. Ook van uitzonderlijke omstandigheden kan er geen sprake zijn. Er is bijvoorbeeld geen hoge inflatie of devaluatie, zoals in de jaren tachtig, en ook de duur van de periode van de volmachten lijkt ons onbetamelijk lang. De voorwaarden voor volmachten zijn dus niet vervuld en de Volksunie beschouwt de vraag van de Regering dan ook als ongegrond.

Toch moeten wij eerlijk toegeven dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de drie verschillende kaderwetten.

Voor het wetsontwerp tot modernisering van de sociale zekerheid en het wetsontwerp tot bevordering van de werkgelegenheid kan men met enige goede wil, en dat hebben wij, spreken van kaderwetten. Deze wetten scheppen een kader waarbinnen de Regering de volgende maanden kan werken.

Het derde wetsontwerp dat België binnen de EMU moet loodsen, kan geenszins een kaderwet worden genoemd. Deze EMU-wet is een pure volmachtenwet omdat de Regering vraagt om gedurende veertien maanden alles te mogen doen wat ze wenst in het kader van de begroting. Deze wet is dus een blanco cheque, zoals er nooit een is geweest in de Belgische geschiedenis. Vooral op deze wet heeft de Volksunie kritiek. De techniek van de kaderwet zou voor de twee andere wetten nog aanvaardbaar kunnen zijn, ware het niet dat de inhoud ervan absoluut onvoldoende is.

Uit de analyse die de Volksunie nu al een heel jaar consequent maakt, blijkt dat het Belgisch niveau niet werkt. Gisteren was daarop één uitzondering, meer bepaald de resultaten van het Belgisch Olympisch team in Atlanta, maar ook daar zijn het eens te meer de Vlamingen die er voor zorgen dat het Belgisch niveau nog een beetje werkt.

Mme Willame-Boonen (PSC). ­ Les Jeux olympiques ne sont pas encore finis !

De heer Anciaux (VU). ­ Neen, en ik wens onze Waalse atleten ook heel veel succes.

De heer Mahoux, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op

Ik heb alleen een probleem met de BRTN, want een vergelijking met de Belgische Regering dringt zich op. Hoe meer medailles er behaald worden, hoe meer Belgische vlaggetjes er verschijnen op het bureau van de journalisten en hoe onduidelijker het wordt wie erachter staat, gewoon als gevolg van het Belgisch nationalisme.

Het Belgisch echelon is vermoeid en dat noopt tot een verdere toewijzing van bevoegdheden aan de deelgebieden. Door de onwil van de PS om serieuze hervormingen te realiseren, is er het afgelopen jaar niets gebeurd. Tijdens zijn uiteenzetting had de heer Lallemand het over alles wat niet mocht worden gewijzigd en vervolgens beweerde hij dat er zou worden gemoderniseerd. Dat verwondert mij, want hoe kan men nu de sociale zekerheid moderniseren zonder iets te wijzigen ? De Waalse socialisten blijven bij de logica van de jaren zeventig en tachtig, waarbij alle heil van de Staat verwacht werd. De betaalbaarheid van zo'n systeem is voor de PS evenwel van tweede orde.

Onze verzorgingsstaat staat voor fundamentale omwentellingen. Omwille van de betaalbaarheid staan de sociale voorzieningen op de helling. Het systeem is op een kantelpunt gekomen. De wil tot ernstige hervormingen bestaat in Vlaanderen, in Wallonië daarentegen waar de PS toch nog altijd domineert, is dat veel minder het geval. Voor de Volksunie is het onaanvaardbaar dat men op federaal niveau niet verder kan gaan door de onwil van de PS.

Het wordt immers steeds noodzakelijker homogene bevoegdheidspaketten toe te wijzen aan de Gewesten en de Gemeenschappen met daaraan gekoppeld de fiscale verantwoordelijkheid. De tegengestelde signalen uit de Vlaamse regeringspartijen storen mij uitermate. Het standpunt van de SP was tot voor kort het meest duidelijk en eensgezind, maar ook het meest conservatief. Bij de CVP is er toch enige tegenstelling tussen de terechte vraag van minister-president Van den Brande en de dagelijkse praktijk van de grote gids, Premier Dehaene.

Die hypocrisie vraagt om een afstraffing als ze niet snel wordt stopgezet. Men kan niet voortdurend knappe koppen zoals de heer Suykerbuyck naar voren duwen om de Vlaamse reflex hoog te houden en ondertussen collaboreren in het Belgisch immobilisme. Dit is onze meest fundamentele kritiek.

De wet op de modernisering van de sociale zekerheid vormt het tweede deel van mijn betoog. Deze wet heeft het vooral over wat niet mag hervormd worden. De socialistische partijen hebben een aantal verworvenheden uit het verleden vergrendeld, wat in de uiteenzettingen van onze collega's wordt benadrukt. Men moet van deze wet dus geen grote hervormingen verwachten. De socialisten zijn erin geslaagd de huidige sociale zekerheid te behouden zonder dat vragen worden gesteld in verband met de betaalbaarheid ervan in de toekomst. Dat is misdadig. Spreken over de grote en belangrijke waarden die in de sociale zekerheid vervat liggen zonder er over na te denken of die op korte en middellange termijn nog betaalbaar blijven is misdadig. Daarmee bekomt men een sociale afbraak, het tegenovergestelde van wat de socialisten hebben gewild.

De vergrijzing van de bevolking waarover mijn collega Chris Vandenbroeke als eminent specialist op dat terrein morgen zal spreken, maakt het stelsel van gezondheidszorg enerzijds en het stelsel van de pensioenen anderzijds zoals ze nu zijn opgebouwd onbetaalbaar. Daarom moet creatief worden nagedacht over het behoud van de sociale bescherming. Dit had volgens de VU in de wet moeten staan. De wet ontgoochelt op dit vlak; er staat niets in over een basispensioen, niets over het al dan niet beperken van de werkloosheid in de tijd, niets over werkloosheidsuitkeringen, niets over kinderbijslag als recht voor het kind, niets over een beperking van het medisch aanbod. Deze wet laat alles op zijn beloop en doet vragen rijzen naar het verantwoordelijkheidsgevoel van de Regering.

Het behoud van de sociale zekerheid als federaal beleidsinstrument is een uitgangspunt van deze wet. Ook dit is volgens de Volksunie een gemiste kans. De sociale zekerheid dient op het niveau van de Gewesten, wat betreft de inkomensvervangende peiler, en op het niveau van de Gemeenschappen, wat betreft de kostencompenserende peiler, georganiseerd te worden. Ook wat dit betreft meende ik gelijkluidende signalen te horen bij de CVP die nu met deze kaderwetten moet vaststellen dat er geen sprake is van een hervorming van de sociale zekerheid.

Zo'n hervorming is nochtans nodig omwille van het feit dat de de noden van Vlamingen en Walen op sociaal gebied fundamenteel verschillen, zoals ook de organisatie zelf van de sociale zekerheid verschilt in Vlaanderen en Wallonië. Daarom vraagt de Volksunie de defederalisering van de sociale zekerheid. Als de heer Lallemand zegt dat één van de meest fundamentele verworvenheden van deze kaderwetten is dat de sociale partners hun greep op het systeem behouden dan zal dit volgens mij gebeuren met alle mogelijke misbruiken die er trouwens nu reeds zijn.

Ook wat betreft de wet op de tewerkstelling zal de macht van vakbonden, patroonsorganisaties, ziekenfondsen en dergelijke waaruit nog steeds een enorm democratisch deficit blijkt, behouden blijven. Er is geen enkele democratische controle over wat er met de gemeenschapsgelden gebeurt die door deze sociale partners beheerd worden.

Met betrekking tot de tewerkstelling denken zij eigenlijk alleen maar aan zichzelf en voeren geenszins een politiek van tewerkstelling. Werklozen voelen zich niet verdedigd, vanzelfsprekend niet door de patroonsorganisaties, maar evenmin door de vakbonden. Omtrent de doorgeeffunctie van vakbonden en ziekenfondsen van gelden van de sociale zekerheid kunnen ernstige vragen worden gesteld. Wij vragen ons af of er geen alternatieve organisatie voor de sociale zekerheid kan worden opgericht. De Volksunie werkt al sinds enkele jaren aan een alternatief waarbij ze van de OCMW's echte sociale huizen wil maken waar iedereen terecht kan voor zijn pensioen, zijn tewerkstelling, enzovoort, en waarmee het dan zal gedaan zijn met die verzuilde organisaties die eigenlijk meer zichzelf dan hun cliënten dienen.

De transfers binnen de sociale zekerheid zijn voor de Volksunie niet de belangrijkste reden om te pleiten voor de defederalisering van de sociale zekerheid, ook al zijn ze omvangrijk en maken zij het federaal samenleven moeilijk.

Het is spijtig dat er in deze wet geen enkele opening wordt gemaakt voor de defederalisering van de sociale zekerheid. De Volksunie heeft in dat verband drie amendementen ingediend. Wanneer Kamervoorzitter Langendries zaterdagavond, na de stemmingen, de volksvertegenwoordigers een prettige vakantie wenste, was het voor iedereen duidelijk dat de Senaat aan deze kaderwetten geen letter meer mocht wijzigen. Wij hebben ook geleerd uit de ontgoochelingen van het verleden. Na de stemming over de asielwet beweerden bijna alle senatoren van de meerderheid dat ze niet zouden toelaten dat de Senaat nog op een dergelijke manier zou worden behandeld. Is men niet intelligent genoeg of durft men gewoon niet amenderen wanneer wordt vastgestelt dat er iets niet door de beugel kan ?

Er is ten derde de wet op het concurrentievermogen en de werkgelegenheid. Deze wet bestaat uit twee delen. Het eerste deel, dat handelt over de preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, is een herziening van de wet op het concurrentievermogen van 1989 die de Volksunie ­ voor zover ik het mij kan herinneren ­ met veel overtuiging heeft goedgekeurd.

Ik moet toegeven dat de huidige wet in verschillende opzichten een verbetering is van de wet van 1989.

Collega Vandenberghe, ik ben dus soms positief. Het aantal landen waarnaar wordt gerefereerd voor het bepalen van de loonnorm, wordt beperkt tot drie. Dat is duidelijker en correcter, omdat België met Nederland, Duitsland en Frankrijk handel drijft. Het aantal vergelijkingscriteria wordt eveneens beperkt tot twee, namelijk de loonkost en de werkgelegenheid. Ook dat is positief omdat de hoge werkloosheid in België grotendeels wordt veroorzaakt door de hoge loonkosten. Negatief blijft de absolute centrale rol die het sociaal overleg blijft toebedeeld. In de hele procedure blijven de sociale partners bevoordeeld ten opzichte van de politiek.

Het tweede deel van deze kaderwet over de bevordering van de werkgelegenheid is daarentegen ronduit teleurstellend. Het houdt een voortzetting in van de bestaande tewerkstellingsmaatregelen voor de periode 1997-1998, onder meer het banenplan en de tewerkstellingsakkoorden. Het tewerkstellingsbeleid van minister Smet heeft echter reeds duidelijk bewezen dat het niet echt werkt. Toch blijft men kiezen voor de oude recepten.

Voorts wordt flexibiliteit van de arbeid mogelijk gemaakt via de annualisering van de arbeidstijd, wat de VU overigens niet als negatief beschouwt.

Ten slotte wordt een arbeidsduurverkorting ingevoerd tot 39 uur per week in de sectoren waar nog 40 uur per week wordt gewerkt. De VU kan dit niet echt als een ernstige arbeidsherverdelingsmaatregel aanzien.

Wij stellen nogmaals vast dat de mooie principes die door de VU en door andere partijen, waaronder de socialisten, uitdrukkelijk werden onderschreven, niet worden gerealiseerd. Naast de verlaging van de arbeidskost is er nog een tweede belangrijk instrument beschikbaar, met name de arbeidsherverdeling en dus ook de arbeidsduurvermindering. Hoewel de Regering op sommige punten positieve maatregelen neemt, blijkt zij weinig oog te hebben voor de zwaksten in de samenleving, namelijk de werklozen. Op het vlak van de arbeidsherverdeling heeft de Regering geenszins een vuist gemaakt. Integendeel, het instrument van de arbeidsherverdeling komt in deze kaderwetten niet aan bod. Degenen die pleiten voor maatregelen op dit vlak, worden teleurgesteld. Eventuele maatregelen zouden in elk geval slechts voorlopig zijn, omdat de problematiek over 10 of 20 jaar opnieuw moet worden bestudeerd.

In de wet op het concurrentievermogen en de werkgelegenheid wordt andermaal helemaal geen rekening gehouden met de deelgebieden. Nochtans nemen ook de deelgebieden op het vlak van de werkgelegenheid initiatieven die onverdeeld positief zijn. De Vlaamse Regering stelde onlangs nog voor om bij gelijke of toenemende tewerkstelling een verlaging van de vennootschapsbelasting toe te staan. De federale Regering moet hiervoor echter haar fiat geven. In deze wet wordt daartoe geen enkele aanzet gegeven. In deze aangelegenheid vertolken wij de opinie van de CVP-ers in de Vlaamse Regering. De VU heeft in die zin een amendement ingediend, dat ongetwijfeld zal worden gesteund door de meest overtuigde senatoren.

Ik steek niet onder stoelen of banken dat het hoofdstuk over de werkgelegenheid mij het meest ontgoochelt omdat er geen prioriteit wordt gegeven aan een ernstig werkgelegenheidsbeleid. Alle maatregelen blijven gericht op de toetreding tot de Europese Monetaire Unie. De Regering wil doen uitschijnen dat de werkgelegenheid na de toetreding automatisch zal verhogen. Ik verwijs niet opnieuw naar de cijfers die ik al tot vervelens toe heb geciteerd. De toetreding tot de Europese Gemeenschap zou miljoenen jobs creëren en de overgang naar de Europese Unie werd als wondermiddel voorgesteld. Nu wordt een toename van het aantal jobs in het vooruitzicht gesteld bij het tot stand komen van de Europese Monetaire Unie.

Ik ben één van de weinigen in de Senaat, en zelfs in mijn eigen partij, die hierover twijfels hebben, niet omwille van eigen uitvindsels, maar op basis van rapporten van het Europees Parlement. Deze hebben het niet zozeer over het gevaar van het tot stand komen van de EMU, maar wel over de timing daarvoor. Mocht er een langere tijd worden besteed aan het klaarstomen van de lidstaten, dan spreken alle studies over een toename of tenminste over het behoud van de tewerkstelling. Nogal wat studies zeggen echter dat de strikte timing zal leiden tot honderdduizenden werklozen meer dan vandaag. Dit argument ter sprake brengen is bijna even erg als een vraag stellen over het koningshuis. Het is heiligschennis als men kritische vragen durft te stellen over de EMU. Ik heb geen bezwaar tegen de totstandkoming ervan, maar waarom is men nooit willen ingaan op het eenvoudige verzoek om door een andere timing te vermijden dat er een toename van de werkloosheid ontstaat ? Dat zeg ik niet zomaar, maar op basis van studies die werden gemaakt door mensen uit kringen rond de Europese Commissie, door ambtenaren, zelfs topambtenaren ­ van wie één onlangs werd ontslagen ­ en door het Europees Parlement zelf.

Er is meer te zeggen over de EMU-wet. Ze is een volledig blanco cheque. De democratie wordt schaamteloos vernederd. Het prerogatief bij uitstek van de Kamer, met name de begroting, wordt voor veertien maanden afgenomen. De Regering kan bij eenvoudig koninklijk besluit uitkeringen verlagen, belastingen verhogen, overheidsbedrijven privatiseren, enzovoort. In een wet waarin niets staat gespecifieerd, worden volmachten gevraagd voor een volledig beheer van de staatsfinanciën. Dat is onaanvaardbaar en totaal nieuw in deze gewijde geschiedenis. Door de proefballonnetjes die de jongste tijd door verschillende ministers worden opgelaten rond belastingen op werkelijke huurinkomsten, een algemene sociale bijdrage, een vermogensbelasting kan worden afgeleid dat de Regering heil zoekt in belastingen, veeleer dan in een sanering van de uitgaven. Een efficiënter staatsbeleid door bijvoorbeeld de aanpak van de verzuiling staat niet op de agenda. Een nieuwe fiscale regel mag dus worden verwacht.

Indien we dan nog zouden weten dat het geld op een degelijke wijze wordt gebruikt. Maar neen, pas verscheen in de krant ­ en dit werd vandaag bevestigd ­ dat België een boete van 800 miljoen krijgt omwille van zijn slecht beheer. Ik stel ook vast dat minister Poncelet een verhoging van zijn budget met 10 miljard vraagt omwille van een stuk zekerheid. Als je zoveel geeft aan de sociale zekerheid dan mag je ook iets geven aan de staatszekerheid. Ik stel vast dat de federale Regering nog steeds gelden blijft uitgeven voor bevoegdheden die ze eigenlijk niet meer heeft en dat ministers alle moeite doen om zich te profileren op terreinen die niet de hunne zijn. Ik heb dus nogal wat vragen bij deze fiscale regen.

Pleit ik voor geen bijkomende belastingen ? Pleit ik voor besparingen enkel in de sociale zekerheid ? Neen, maar er zijn ongetwijfeld misbruiken in de sociale zekerheid, en er zijn ongetwijfeld misbruiken in het staatsbeleid en in de uitgaven van de Regering waardoor bijkomende financiële lasten niet de meest durvende maatregelen zijn die de Regering kan nemen.

Omdat de EMU-kaderwet door de techniek van de financieringswet een invloed kan hebben op de middelen van de deelgebieden, is zij mijns inziens gevaarlijk voor de huidige financiering van de Vlaamse Gemeenschap. Om dit te vermijden, diende de Volksunie een amendement in.

Belastingen vallen nogal eens in hoofdzaak ten laste van Vlaanderen. Uitgavensaneringen daarentegen treffen vooral Wallonië. Ook daarom zijn nieuwe belastingen of verhoging van bestaande niet aanvaardbaar voor de Volksunie.

In deze EMU-kaderwet is helemaal geen visie terug te vinden op wat er met Europa moet gebeuren. Zij creëert eigenlijk een liberaal-economische Europese markt, zonder dat de Regering enige moeite heeft gedaan om een echt sociaal Europa tot stand te brengen, zonder dat de Regering ook maar enige moeite heeft gedaan om een echt politiek Europa tot stand te brengen.

Enkele dagen geleden, las ik in De Standaard het hoofdartikel Vijf mannen van Guy Tegenbos. De Eerste minister is één van die vijf mannen die beslissen in dit land. Vijf mannen zullen onder elkaar beslissen hoe de kaderwetten zullen worden ingevuld. En u, geachte collega's, zult buiten spel worden gezet. Wij zijn het al een tijdje.

Op Europees vlak is het niet veel beter. Het clubje op zich is misschien iets groter, maar per land zijn er nog minder beslissers. Het democratisch gehalte van de Europese instellingen is werkelijk deficitair. De democratie is op Europees vlak een lachertje. Nochtans blijven wij overtuigd van de noodzaak van Europa, van een Europese Unie, van een Europa van volkeren en regio's. Op het ogenblik is er in Europa echter mar één ding dat telt : slagen of niet-slagen voor de EMU-test. Ik waarschuwde er reeds voor dat wij, indien er geen sociaal Europa komt, regelrecht de rekening zullen gepresenteerd krijgen van de bevolking. Dan zal die mooie droom aan flarden geschoten worden.

De Belgische Regering houdt in haar politiek inzake Europa geen rekening met het bestaan van het federalisme in ons land. Bij de weinige beslissingen die op de voorbije top van Florence werden genomen, werd op geen enkele wijze rekening gehouden met bevoegdheden die niet langer federaal zijn, met de aanwezigheid van regeringsleden van Gewesten en Gemeenschappen op de Top. Eigenlijk volgt de Regering op dit vlak een neo-unitaristische politiek. Haar beleid gaat dus in tegen bepalingen uit de Grondwet over de staatshervorming.

Deze kaderwetten kunnen niet worden goedgekeurd door de Volksunie. De voorwaarden voor het gebruik van kaderwetten zijn niet vervuld. Er is geen hoogdringendheid. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden en de duur waarvoor zij zullen gelden, is onbetamelijk lang. Het Parlement kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor het jaar tijdverlies door de Regering. De kaderwetten bestendigen het huidige immobilisme op Belgisch niveau. Daar wil de Volksunie zeker niet medeplichtig aan zijn. De noodzaak om verdere stappen te doen in de staatshervorming is niet aan de orde. De Volksunie wenst echter dat de Gemeenschappen en de Gewesten ruime sociaal-economische bevoegdheden krijgen. De defederalisering van de sociale zekerheid moet worden tot stand gebracht. Deze kaderwetten willen evenwel het tegendeel. Ze leiden tot een verhoging van de belastingdruk, waardoor Vlaanderen weer eens betalende partij zal zijn.

Er is echter meer dan dat.

Mijnheer de Eerste minsiter, ik vind dat u verantwoordelijk bent voor het negativisme dat in de politiek heerst. Hiervoor zijn niet die Kamerleden verantwoordelijk die met een kip zwaaien. Hiervoor zijn niet die Kamerleden verantwoordelijk die een half bos amendementen op de banken leggen. Hiervoor zijn niet die Kamerleden verantwoordelijk die hun uiting van vertwijfeling of woede tot u richten. U bent hier verantwoordelijk voor, omdat u met die kaderwetten er in slaagt geen toekomstvisie te geven, er in slaagt geen durvende teksten naar voren te schuiven, er in slaagt de bevolking een rad voor de ogen te draaien.

Er is meer. De Eerste minister sprak daarnet over de democratie en de kaderwetten die daarin perfect passen. Hij heeft over de gehele lijn gelijk. Althans juridisch klopt dit als een bus. Het zou er moeten bijkomen dat de Regering technieken gebruikt die niet in de Grondwet zijn opgenomen.

Deze techniek is inderdaad al gebruikt, maar dan in andere omstandigheden en met andere inhoud, en niet nadat de Regering een heel jaar niets heeft gedaan.

Wat de verhouding tussen de Gewesten en de Gemeenschappen betreft, richt ik mij vooral tot de SP, en tot de heer Lallemand, in het bijzonder.

Ik geef een citaat ter overweging : « Het begrip dat we voor democratische en culturele ontvoogding van menige bevolkingsgroep, vanuit een solidair internationalisme, terecht opbrengen betreft echter zelden de Vlamingen. Voor Vlaanderen hebben sommigen een omgekeerde reflex en stelt men, verkeerdelijk, het xenofobe, verengde nationalisme gelijk aan de Vlaamse emancipatie en ontvoogdingsstrijd. Alles wat naar Vlaanderen ruikt, wordt gewoonlijk meteen in een extreem-rechtse hoek gedrumd. »

De heer Erdman begrijpt al dat dit niet mijn woorden zijn, maar deze van iemand die ik weet te waarderen, met name de voorzitter van het Vlaams Parlement.

Het volgende citaat betreft de SP : « Door ons niet op het Vlaamse terrein te profileren, geven we deze Forza Flandria ­ voor sommigen zelfs Lega Flandria ­ vrij spel en dragen we onrechtstreeks bij tot de verrechtsing van Vlaanderen. Dit economisch nationalisme is niets meer dan een « goed verpakt groepsegoïsme. » Wanneer we ervoor pleiten om de ogen open te houden voor de Vlaamse ontvoogdingsstrijd betekent dit niet dat we een kunstmatig beeld van een sociaal onderdrukt Vlaanderen moeten oproepen. Dit is een foutief en anachronitisch beeld. Dergelijke ontvoogdingsstrijd is vandaag onbestaande. Het gaat over politieke ontvoogding. Daar hebben we een beduidende nood aan. Politieke ontvoogding moet zowel worden nagestreefd op regionaal als op internationaal vlak. »

Als men steeds opnieuw blijft beweren dat het regionalisme en het open nationalisme groepsegoïsme inhouden, dan ontkent men een enorm belangrijke waarde. Open nationalisme dat tegelijkertijd een vorm van internationalisme moet inhouden, is een waarborg om een antwoord te bieden op twee grote toekomstvragen met betrekking tot, ten eerste, de globalisering en de vervlakking op mundiaal vlak en, ten tweede, de « verikking » en het egoïsme bij de mensen zelf. Open, verdraagzaam nationalisme, gebed in een inter-nationalisme, kan een stevige hefboom zijn om de verscheidenheid van volkeren en culturen te aanvaarden als een verrijking van de wereld en om tegelijkertijd de mensen een groepsverbondheid en een verantwoordelijkheidsgevoel tegenover elkaar te geven.

Als de zogenaamde progressieven in ons land blijven weigeren dat in te zien, dan zijn zij er mede verantwoordelijk voor dat in België een vreselijk immobilistisch conservatief beleid kan blijven voortduren.

Solidariteit heeft ook te maken met respect hebben voor elkaar. Onder het motto solidariteit elke culturele eigenheid weigeren te erkennen en elk recht op een doorzichtige democratie, dat is niet ernstig. Elke Vlaming, net als elke Waal, heeft het recht te weten wie in het land verantwoordelijk is voor het nemen van welke beslissing. Dat blijft het meest fundamentele argument van mijn betoog. In ons land lopen de zaken spijtig genoeg anders. De CVP zal wel de PS de schuld geven en de PS van haar kant de CVP; beiden stellen ze ondertussen alles in het werk om een doorzichtig beleid onmogelijk te maken.

Ik vind dat degenen die steeds dreigementen uiten, ze maar eens moeten uitvoeren. Het is niet de Volksunie die gedreigd heeft met het zoeken van aansluiting bij Nederland, het is de PS die ermee gedreigd heeft bij Frankrijk aan te sluiten. Als de PS het rattachisme niet weet te beheersen, dan zeg ik samen met de VLD : « Ga in Gods naam ! » Zij die blijven om hier een progressieve koers te varen en dit als een alibi inroepen, vergissen zich grondig. Progressief zijn betekent gericht blijven op verandering voor de toekomst en zorg dragen voor een van de oorspronkelijke socialistische principes : de macht zo dicht mogelijk bij de mensen leggen. Zijn de socialisten vergeten dat ze dit principe hoog in hun vaandel droegen, toen ze streden voor zelfbeheer en medebeheer in de fabrieken ? Op een terrein, het politieke, blijven ze dat blijkbaar weigeren, enkel en alleen om de misbruiken in deze Staat te verdoezelen. Dat is fundamenteel onrechtvaardig, zowel ten aanzien van de Franse als ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap. (Applaus.)

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Boutmans.

De heer Boutmans (Agalev). ­ Mijnheer de Voorzitter, ondanks het gevorderde uur en hoewel ik in mijn hemdsmouwen op deze tribune verschijn, heb ik toch minstens drie redenen om kwaad en misnoegd te zijn om wat hier ter stemming wordt voorgeschoteld. De Eerste minister vraagt ons de techniek van de volmachten goed te keuren, al beweert hij het tegendeel. De man in de straat die al de juridische nuances uit de selectieve lectuur van de Premier niet kent, twijfelt er geen ogenblik aan : het gaat hier om volmachten.

Met de heer Anciaux ben ik het eens dat onze kritiek zich in het bijzonder op de EMU-wet dient toe te spitsen. De Raad van State, een wel zeer beleefde en diplomatische instelling, zegt over de EMU-wet dat de doelstellingen buitengewoon ruim en onnauwkeurig werden geredigeerd en dat de bevoegdheden die worden gevraagd, buitensporig algemeen zijn geformuleerd.

Met een historische uiteenzetting over het gebruik van bijzondere machten en volmachten in het verleden kan de Eerste minister de plooien niet gladstrijken.

De Regering vraagt volmachten, bijzondere machten, buitengewone machten, speciale machten, kortom, zij vraagt macht ! Met deze actie draagt de Eerste minister bij tot de geleidelijke sloping van een normale grondwettelijke parlementaire werking, die kenmerkend is voor ons democratisch bestel. Vroeg of laat zullen wij allen, de Eerste minister incluis, daarvoor de prijs betalen en ik vraag me af in hoeverre we die prijs al niet volop aan het betalen zijn.

De Regering wil macht, maar om wat te doen ? Uit de zeer algemene doelstellingen ­ waarover de Raad van State ook zijn opinie heeft gegeven ­ zeker van de EMU-wet, kunnen wij bezwaarlijk afleiden welke bedragen, welke voorwaarden, welke toekenningsmodaliteiten, welke subsidies, welke vergoedingen, welke uitkeringen en welke andere uitgaven de Eerste minister zal vaststellen, aanpassen of verlagen, vooral verlagen en welke belastingen, welke taksen, welke rechten, welke retributies, welke accijnzen en welke andere ontvangsten hij zal aanpassen, opheffen of verhogen, vooral verhogen, wijzigen of vervangen en welke grondslagen, heffings- en inningsmodaliteiten en -procedures hij zal wijzigen.

Er zijn twee mogelijkheden. De eerste bestaat erin dat hijzelf en zijn Regering, of tenminste zijn Vice-Premiers, zijn medewerkers, zijn partijvoorzitters ­ vóór ze naar Oxford vertrekken ­ weten wat hij zal doen. Hij weet het tenminste in grote lijnen, maar hij wil het ons niet zeggen, niet aan de mensen, niet aan het Parlement, niet aan de oppositie ­ dat laatste is misschien de minste van zijn zorgen ­ maar vooral niet aan de meerderheid. Hij wil het niet zeggen, niet omdat, zoals collega Vandenberghe het zo omzwachteld heeft omschreven, de Belgische frank, het concurrentievermogen en de rentestand in gevaar zouden kunnen komen indien voortijdig bekend raakt wat de Eerste minister van plan is. Als dat zou kloppen, dan vrees ik dat ons allerlei onheil te wachten staat, wanneer de maatregelen ook werkelijk worden getroffen. Neen, het gaat erom dat de Eerste minister weet dat hij het debat uit de weg moet gaan, want dat zijn meerderheid hierover niet eendrachtig is, maar tweedrachtig, driedrachtig of misschien eerder vierdrachtig. Hij durft met andere woorden het debat in zijn eigen meerderheid niet aan te gaan, laat staan daarbuiten.

De tweede mogelijkheid is dat de Eerste minister nog niet weet wat hij van plan is te doen, zelfs niet in grote lijnen. Ik moet er niet aan denken ! Hij is dan als de kapitein van een stuurloos schip die overboord gesprongen is en tussen de haaien en de metershoge golven rondzwemt. Het moeten immers wel verschrikkelijke rampen zijn die ons land bedreigen, want de maatregelen zijn zeer dringend en kunnen niet wachten op een normaal parlementair debat. De Eerste minister zwemt en tracht zich te redden door tegen het schip omhoog te klauteren, maar hij weet niet meer waar stuur- en bakboord is. Met de slechtste wil van de wereld kan ik mij echter niet voorstellen dat dit zijn situatie is. Ik denk dat hij zeer goed weet waar hij heen wil en dat hij één grote komedie speelt, omdat hij niet in de Senaat, niet in de Kamer, niet aan de publieke opinie wenst te zeggen wat hij zal doen. Hij wacht tot het Parlement met vakantie is, tot de mensen ergens in de zon liggen, zoals dat met alle noodwetgevingen is gegaan, om hen dan bij hun terugkeer bij verrassing te grazen te nemen.

Ja, collega Erdman it is the duty of the opposition to oppose, maar zeg mij waartegen wij oppositie moeten voeren ? Als men ons niet zegt wat men wil doen, hoe kunnen het spel dat men van ons oppositie verwacht dan op een zinvolle manier spelen ?

De heer Erdman (SP). ­ U bent er toch volop mee bezig, mijnheer Boutmans.

De heer Boutmans (Agalev). ­ Ik doe mijn best, ik zeg ten minste wat ik denk, wat niet gezegd kan worden van de woordvoerders van de meerderheidspartijen. De heer Erdman hield een schitterende toespraak, maar zij houdt geen enkel verband met wat we vandaag bespreken.

In de tweed plaats ben ik ontstemd, kwaad, misnoegd omdat ik vind dat de Eerste minister Europa misbruikt. Het grote ideaal dat een verenigd en gefedereerd Europa ooit is geweest en nog is, wordt nu uitgehold. Bij het debat over de Intergouvernementele Conferentie beweerde de Premier dat er toch zou moeten worden gesaneerd, ook als er geen Verdrag van Maastricht was. Dat is ook zo, maar hij haalt telkens weer Europa voor de dag om de mensen allerlei onheil te voorspellen. Dit heeft tot gevolg dat de bevolking Europa steeds meer identificeert met bureaucratie, verarming en werkloosheid, maar niet met vernieuwing, hoop en toekomst. De huidige gigantische schulden zijn de opgestapelde kosten van de massale afwentelingspolitiek waarmee de groei van de jaren zestig en zeventig is gefinancierd en waaruit zowat iedereen voordeel heeft gehaald. De enen hebben bij die kortzichtige politiek meer geprofiteerd en meer winsten gemaakt dan de anderen. De eersten zijn vooral de grote schuldeisers, de couponknippers, al betwijfel ik of er op dat niveau veel scharen bij te pas komen, en de grote aannemers van openbare werken die miljarden hebben verdiend. Wanneer de boedel failliet is, weet niemand nog ergens van, dan is er van al het verdiende geld niets meer te vinden en dan wordt aan de gewone man gezegd dat hij boven zijn stand leeft.

De heer Swaelen treedt opnieuw als voorzitter op

Europa wordt steeds weer opgevoerd als boeman en de mensen zullen Europa meer en meer gaan wantrouwen, zoals ze de Eerste minister en de politiek gaan wantrouwen. Dan dreigt het gevaar van het narcisme van het « eigen volk eerst ». Aldus dreigt een groot ideaal verloren te gaan.

Een volgende reden waarom ik ontevreden, misnoegd en kwaad ben is het onverdroten conservatisme, het business-as-usual -denken dat uit de teksten blijkt. Naast de demografische ontwikkeling, de schuldenberg en de institutionele onzekerheid zullen er in de éénentwintigste eeuw minder energiebronnen en grondstoffen moeten worden verdeeld tussen meer mensen. Op wereldschaal zal de ongelijkheid groter en ondraaglijk worden. Het is daarenboven ondenkbaar de materiële consumptie en produktie van de Westerse wereld uit de breiden tot de hele wereld. Onze generatie en de komende geslachten staan dus voor enorme uitdagingen om de aarde, de vrede en zelfs de mensheid te bewaren. Ik geef toe dat er nog erger mogelijk is dan die « oplappolitiek », maar ik zie weinig of geen aanzet tot een nieuwe economische visie die de kleine schaal in eer herstelt. Kleine bedrijven hebben nog een band met de mensen die er werken en met de regio waarin ze actief zijn. Ik zie weinig of geen aanzet tot een nieuwe economische visie die zuinigheid prefereert boven verspilling, de kringloop boven de uitputting van grondstoffen en energie, spreiding van welvaart en werk boven het nog dieper maken van de kloof tussen arm en rijk.

Wij zullen om al die redenen tegen de volmachten stemmen. Wij geloven niet in « almacht » en nog minder in onfeilbaarheid.

Ten slotte wil ik het hebben over een onderwerp dat weinig met dit debat te maken heeft, maar dat in de media het meeste aandacht heeft gekregen, misschien bij gebrek aan informatie over de inhoud van de teksten, namelijk de institutionele problematiek in ons land. De jongste dagen hebben bepaalde mensen vanop gemakkelijke plaatsen en zonder bevoegdheid daarover de meest radicale verklaringen afgelegd. Wij zijn niet van mening dat onze instellingen onveranderlijk en ideaal zijn en evenmin dat men geen kritiek mag uiten. Wij nemen niet dat dat wat men solidariteit noemt voor eens en voor altijd is vastgelegd en niet meer kan worden gewijzigd. Wij hebben instellingen gecreëerd waarin debatten over hun hervorming en de bijsturing kunnen worden gevoerd. In dit moeilijk bestuurbaar land is het levensgevaarlijk om zonder ernstige voorbereiding, zonder tegenspraak en zonder geremd te zijn door enig constitutioneel kader uitspraken te doen omdat ze goed klinken en de volgende dag in de kranten kunnen komen. Ik hoop dat het debat over de instellingen dat in het najaar in de Senaat zal gevoerd worden ons een stap verder zal brengen in de vooruitgang in plaats van een stap verder uit elkaar.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Coene.

De heer Coene (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, collega Coveliers is reeds uitvoerig ingegaan op het probleem van de volmachtwetten. Ik wil nu namens de VLD dieper ingaan op de bestuursmethode van de Regering en de inhoudelijke aspecten van de drie volmachtwetten.

Dat de Regering een beroep diende te doen op volmachtwetten om ervoor te zorgen dat België zou kunnen toetreden tot de EMU heeft in eerste instantie te maken met onzorgvuldig beleid en met gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Een regeringsleider met zin voor verantwoordelijkheid die weet dat zijn land op een bepaalde datum aan een aantal criteria moet voldoen die essentieel zijn om een zeer belangrijk toekomstproject te organiseren en die vaststelt dat zijn land nog een lange weg af te leggen heeft vooraleer het aan die criteria zal voldoen, zal al het mogelijke doen om tijdig en liefst van al vóór de vervaldatum ervoor te zorgen dat zijn land aan deze criteria voldoet. Wanneer een interpretatie van de criteria moet plaatshebben, zal hij geen risico's nemen en zal hij ervoor zorgen dat er geen twijfels meer bestaan door verder te gaan dan de minimumvereisten die werden gesteld. Dat is wat men van een regeringsleider met verantwoordelijkheidszin zou mogen verwachten.

Met gelijk welke interpretatie van de gebeurtenissen van de jongste jaren kan men er niet onder uit dat de Eerste minister blijk heeft gegeven van een verregaande onzorgvuldigheid en van een groot gebrek aan verantwoordelijkheid.

De Eerste minister weet reeds sinds begin 1992, de datum van de ondertekening van het Verdrag van Maastricht, wat hem te doen staat. Hij heeft een hele legislatuur voorbij laten gaan en slechts schoorvoetend gehandeld. In plaats van de problemen tijdig en resoluut aan te pakken, heeft hij ze voortdurend voor zich uitgeschoven tot hij met de rug tegen de muur stond en verder uitstel niet meer mogelijk was.

In plaats van de problemen grondig aan te pakken en er voor te zorgen dat België aan alle criteria zou voldoen zonder dat daarover nog enige twijfel zou kunnen bestaan, is hij reeds tevreden als wij erin slagen met de hakken over de sloot te springen. In 1995 wou hij nog de indruk wekken dat de laatste ronde op een ernstige manier zou beginnen. De verkiezingen werden vervroegd « om een ernstige begroting voor 1996 te kunnen opmaken ». Nadat dezelfde coalitie opnieuw op de been werd gebracht, kwam er van ernstig werk niet veel meer terecht. Er werd ter plaatse getrappeld. Hervormingen die sinds jaren waren aangekondigd, bleven ook nu weer uit. Wij bevinden ons thans in de laatste rechte lijn vóór de begroting 1997 en elk verder uitstel is uitgesloten. De begroting van 1997 is eigenlijk het ingangsexamen voor de EMU. De Rgering zegt dat de tijd dringt en beweert dat ze volmachten nodig heeft om de klus te klaren. Dat zij niet tijdig klaar was, is opnieuw een daad van onverantwoordelijkheid ten opzichte van het land.

Ook inhoudelijk werden niet alle twijfels over de Belgische deelneming weggenomen. De Eerste minister weet al sinds 1993 dat het begrotingstekort in 1996 tot 3 pct. van het BBP moest worden teruggedrongen. Indien men enige zin voor verantwoordelijkheid had gehad, was het begrotingstekort in 1996 inderdaad verminderd tot 3 pct. Dan had men bij de opmaak van de begroting 1996 niet voor meer dan 40 miljard eenmalige maatregelen genomen die nu een hypotheek leggen op de begroting 1997. Met enige zin voor verantwoordelijkheid zou in de lente van dit jaar een ernstige begrotingscontrole voor 1996 geweest zijn en zou de opmaak van de begroting 1997 niet uitgesteld zijn tot in september. Of is men van plan de wettelijke termijnen niet te respecteren ?

Bij een ernstige begrotingscontrole voor 1996 was het duidelijk geworden dat voor 1996 de 3 pct. niet zou worden gehaald. Volgens alle officiële prognoses zou het tekort dit jaar 3,2 pct. van het BBP bedragen. Dit kon bovendien enkel nog worden bereikt met eenmalige besparingsmaatregelen ten belope van meer dan 40 miljard en door het niet-voorzien in reserves om tegenvallende resultaten op te vangen. Men kon inderdaad een aantal tegenvallers verwachten en die realiseren zich. In de gezondheidzorgen beginnen de uitgaven na een kunstmatige stabilisatie gedurende de jongste 18 maanden opnieuw te ontsporen. Dit jaar liep het bijkomend tekort na 4 maanden al op tot meer dan 15 miljard.

Een analyse van de onderliggende tendens toont aan dat die ontsporing al begon in juni 1995 en dat ze dit jaar zal aanhouden. Aldus kunnen wij tegen einde 1996 een bijkomend tekort van 45 miljard frank verwachten. Er is geen enkele reserve voorhanden om dit tekort op te vangen en het jaar is nu reeds te ver gevorderd om nog echt te kunnen ingrijpen.

Een tweede tegenvaller is dat de economische groei lager uitvalt dan was voorzien, wat uiteraard op de ontvangsten zal gaan wegen. Als bovendien de rente-evolutie op het einde van dit jaar ook niet aan de verwachtingen beantwoordt, zal het vooropgestelde objectief voor dit jaar, namelijk 3,2 pct., zeker niet worden gehaald. Alles wijst erop dat het overheidstekort in 1996 zal oplopen tot ongeveer 3,8 pct. van het BBP. Dit alles is te wijten aan het feit dat de Regering heeft nagelaten reserves aan te leggen.

Als gevolg van deze nalatigheid zou de schuldratio dit jaar nog steeds boven het peil liggen dat België kende op het ogenblik dat het Verdrag van Maastricht werd ondertekend. Zelfs indien de Regering erin zou slagen het tekort volgend jaar terug te dringen tot 2,8 pct. van het BNP, zal de overheidsschuld nog altijd op hetzelfde niveau liggen als op het ogenblik dat de Eerste minister het Verdrag van Maastricht ondertekende. Op drie jaar tijd zou de schuldratio dan amper met 5 procentpunten gedaald zijn, wat bezwaarlijk als significant kan worden beschouwd. Nochtans is dit één van de belangrijkste voorwaarden voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie. De doelstelling van de Regering om de schuldratio met 10 procentpunten te doen dalen zal aan dit tempo slechts bij het einde van het millennium worden bereikt. Op die manier kan niet worden voldaan aan de criteria van het Verdrag van Maastricht.

De Eerste minister is bijzonder onzorgvuldig omgesprongen met de belangen van dit land. De vraag is waarom hij zo'n schrijnend gebrek aan verantwoordelijkheidszin aan de dag heeft gelegd. De meest voor de hand liggende reden is dat er binnen de Regering geen eensgezindheid meer bestaat over het te voeren beleid. De problemen worden vooruitgeschoven omdat de Regering het niet eens geraakt over de fundamentele maatregelen die moeten worden genomen om de onevenwichten in de Belgische economie te herstellen en de evolutie in gunstige zin om te buigen. De Eerste minister wordt door de socialistische regeringspartners telkens opnieuw in het nauw van de fiscale aderlating gedreven. De Eerste minister heeft zijn lot immers aan hen verbonden, hij kan geen stap meer achteruit en heeft geen ander alternatief dan hun eisen te aanvaarden.

Dergelijke onzorgvuldigheid en gebrek aan verantwoordelijkheidszin zijn op zichzelf al erg, maar het is helaas nog niet het einde. Niet alleen zet de Eerste minister door al dit dralen onze kansen voor toetreding tot de EMU op het spel, hij vindt blijkbaar ook dat dit land met een zo slecht mogelijke economische situatie tot de EMU moet toetreden.

In plaats van het economisch weefsel te versterken zodat het land zonder al te grote hinder de grotere concurrentie binnen de Unie zou kunnen aangaan, wordt door het regeringsbeleid het land verder verzwakt. Het beste bewijs van de zwakheid van de Belgische economie is het uitzonderlijk groot overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans, een element dat door de meerderheid altijd als één van haar sterke punten wordt aangehaald. Dit is echter niets om fier over te zijn. Dit overschot is geen bewijs van sterkte, maar van gebrekkige investeringen, die een bewijs zijn van het wantrouwen van de bedrijven ten opzichte van het gevoerde beleid. De investeringen van vandaag zijn immers de basis voor de economische groei en de tewerkstelling van morgen. De investeringen liggen enkele procentpunten onder het niveau van onze grootste buurlanden. Dit overschot toont anderzijds aan dat er een groot spaaroverschot is van de particulieren, wat wijst op een gebrek aan vertrouwen van de burgers in het beleid. Het heeft geen zin uit te weiden over de statistieken met betrekking tot de economische groei, de werkloosheid en de faillissementen, die aantonen dat het in ons land niet goed gaat, want deze discussie is in de Kamer reeds voldoende aan bod gekomen. De toestand is inderdaad slecht, maar het ergste is echter dat er geen hoop bestaat op beterschap. Het is niet de gebrekkige nieuwe concurrentiewet, noch de opgewarmde kost van de tewerkstellingsmaatreglen, de betonnering van de uitgaven in de sociale zekerheid, of de nieuwe fiscale aderlating die wij mogen verwachten, die hieraan iets zullen veranderen. Ik wil op deze punten nader ingaan.

Er komt een lichte internationale opleving. Dit zal de Eerste minister toelaten de problemen voor een tijdje te verdoezelen, maar het regeringsbeleid zal onze economie niet opnieuw tot leven kunnen wekken.

Ik wil hier even ingaan op de opmerking van de heer Jonckheer, dat er geen mirakeloplossingen zijn. Ik ben het hiermee eens, maar op dit gebied zijn wij veel minder ideologisch dan de heer Jonckheer en een aantal collega's van de meerderheid. Niet zozeer het soort beleid is van belang, wel de resultaten die wij met een beleid kunnen behalen. Het regeringsbeleid heeft de jongste acht jaar tot geen enkel resultaat geleid. Het beleid dat wij voorstaan, wordt ­ met resultaat ­ in een of andere vorm gevoerd in een aantal buurlanden. Het gaat hier dus niet over een ideologische voorkeur. Wij stellen enkel vast dat hier het beleid geen resultaten heeft terwijl in het buurland een serieuze ommekeer wordt vastgesteld en de economie opnieuw gaat groeien.

De heer Jonckheer is genuanceerd als hij zijn eigen standpunt beschrijft, maar hij aarzelt niet om te karikaturiseren als hij de positie van anderen beschrijft. Wij gaan akkoord met de heer Jonckheer waar hij zegt dat er meer en sneller moet worden gesaneerd. Wij vragen dit niet voor het plezier ervan, maar wel omdat met het tempo en de inhoud van de saneringen die de Regering voorstelt, wij onmogelijk de uitdaging waarmee wij de volgende decennia zullen worden geconfronteerd het hoofd kunnen bieden en wij integendeel nog dieper in de problemen zullen geraken. Het beleid moet derhalve fundamenteel van koers veranderen.

Een gezonde economie veronderstelt een goed ondernemingsklimaat en positieve omgevingsfactoren. Wat wij niet nodig hebben, is een fiscaal zwaard van Damocles dat permanent boven de hoofden van de bedrijven en van de burger komt evenmin als permanente pesterijen zoals momenteel de sociale balans waarbij ondernemers eens te meer verplicht worden een deel van hun tijd te besteden aan het invullen van een hele waslijst totaal overbodige vragen. Wat wij niet nodig hebben, is de nieuwe duale structuur die wordt ingevoerd voor de comités voor veiligheid en hygiëne, die veel ingewikkelder is dan de bestaande en veel meer zal kosten. Wat wij niet nodig hebben, is de herinvoering van een sociale kaart die het ondernemersschap bijzonder moeilijk maakt en opnieuw administratieve verplichtingen oplegt zodat veel minder tijd beschikbaar is voor ernstig ondernemen. Een goed ondernemingsklimaat betekent rechtszekerheid en vrijheid om nieuwe activiteiten te ontplooien zonder dat al te veel tijd besteed moet worden aan overbodige administratieve plichtplegingen. Als ik de heer Erdman daarstraks goed begrepen heb, lijkt de Regering er veeleer naar te streven het leven van de bedrijven zo moeilijk mogelijk te maken dan een bedrijfsvriendelijk klimaat te creëren. Volgens de heer Erdman kunnen alle bedrijfsleiders naar Cannasso gaan, naar hun gemeenschappelijk geklaag zal niet worden geluisterd.

De heer Erdman (SP). ­ Niet indien ze ons afdreigen.

De heer Coene (VLD). ­ Anderen mogen dat niet, maar u wel. Dat is de realiteit.

De Regering moet ervoor zorgen dat onze bedrijven concurrentieel blijven. Zij doet echter niets om de handicap die in het verleden werd opgelopen, weg te werken. De Regering moet zich met de kern van het probleem bezig houden, namelijk de indexering van de lonen en ons systeem van loonvorming in drie etappes, wat enorm doorweegt. In plaats van hiervoor een oplossing te zoeken die ons in het kader van de Economische en Monetaire Unie gedurende lange tijd zou vrijwaren van problemen, houdt zij zich bezig met het opstellen van een concurrentiewet die de ambitie heeft preventief te werken, maar die, zoals ik in de commissie aantoonde, zo vol gaten zit dat zij, met zoals de wet van 6 januari 1989, totaal nutteloos zal blijken.

Het hele ontwerp is immers nogal slordig geformuleerd. Artikel 3 en artikel 6 spreken elkaar inzake de berekening van de loonmarge tegen. Op dat punt kom ik meer gedetailleerd terug bij de bespreking van de betrokken volmachtenwet.

In de commissie hebben wij al deze punten aangeklaagd bij de Vice-Eerste minister die ook bevoegd is voor Economie. Het enige antwoord dat wij kregen, was dat het ontwerp voldoende duidelijk was en dat de Regering geen amendementen zou aanvaarden. Verder is het debat nooit gegaan.

In dit verband wil ik ook een zijdelingse opmerking maken over het ontroerende geloof van de heer Erdman en van de heer Vandenberghe in het model van sociale consensus. Niemand zal het nut van dat model betwijfelen. Indien de Regering echter enkel maatregelen zal nemen op het ogenblik dat er een sociale consensus is bereikt, dan kan ik verzekeren dat de dringend noodzakelijke maatregelen nooit zullen worden genomen. Het volstaat hier te verwijzen naar de devaluatie van onze munt in 1982. Indien men toen had gewacht om in te grijpen op een consensus van alle sociale partners, dan zaten wij nu in een heel diepe economische ravijn, waaruit wij nog zeer moeilijk zouden kunnen geraken. De overheid moet eerst de krijtlijnen trekken en binnen die krijtlijnen kunnen de sociale partners dan akkoorden sluiten.

De Regering erkent het bestaan van een loonkostenhandicap. In plaats van er iets aan te doen, blijft zij echter ideologisch vastzitten aan alternatieve financieringen zodat zij de zuurstof die zij langs de loonkostenverlaging aan de bedrijven geeft, weer afneemt door de koopkracht van de bevolking te verminderen met nieuwe belastingen. Fundamenteel wordt er voor de bedrijven dus niets opgelost. Intussen blijft de loonkostenhandicap, die sinds 1989 met meer dan 10 pct. gesten is, de bedrijven benadelen. Hoe die bedrijven op die manier bijkomende werkgelegenheid moeten creëren is voor mij totaal onduidelijk. Ook voor de werkgeversorganisaties is dit steeds minder duidelijk.

Voor het overige bestaat het werkgelegenheidsbeleid van de Regering uit opgewarmde kost, die de jongste jaren trouwens al uitgeprobeerd is en waarvan intussen afdoende bewezen is dat zij volkomen nutteloos is. Dat beleid heeft alleen maar geleid tot een onoverzichtelijk kluwen van diverse maatregelen, waarbij elke bedrijfsleider het noorden verliest, zodat hij uiteraard afziet van elk wergelegenheidsbevorderend initiatief.

Toch voelt de Regering dat er een werkgelegenheidsprobleem is. Op een bepaald ogenblik wilde zij immers ambitieus doen en hanteerde zij als doelstelling een halvering van de officiële werkloosheid. Hoewel dit op zich helemaal geen ambitieuze doelstelling is, en een die vrij gemakkelijk met statistische zuiveringen kan worden bereikt, is de Regering zelfs daarvan afgeweken. Zij praat er niet langer over. Nochtans zou een zo groot mogelijke werkgelegenheid het hoofddoel van elk beleid moeten zijn. Ook in dit belangrijk domein geeft de Eerste minister blijk van een gebrek aan verantwoordelijkheid.

Een andere belangrijke doelstelling die met de kaderwetten moet worden georganiseerd, is de hervorming van de sociale zekerheid, of de modernisering ervan om de woorden van de Eerste minister te gebruiken. In de toespraak van vanochtend gebruikte hij zowel de term hervorming als de term modernisering. Hij ziet dus blijkbaar in dat moderniseren alleen niet zal volstaan. De hervorming van de sociale zekerheid werd sinds 1993 al bij herhaling aangekondigd, maar werd ook steeds opnieuw afgevoerd. De volmachtenwet die we thans bespreken, zal hierin evenmin verandering brengen.

Ook op dit terrein is de Eerste minister door de knieën gegaan voor zijn socialistische partners. Deze volmachtenwet bestendigt immers de uitgaven in de sociale zekerheid. Van een grotere beheersing van de uitgaven of de invoering van een globale uitgavennorm ­ wat nochtans in het regeerakkoord is vermeld en door diverse instanties warm wordt aanbevolen ­ is helemaal geen sprake. Integendeel, de uitgaven worden gegarandeerd, en de Regering zoekt alleen heil langs de inkomstenzijde.

De partners in de Regering hebben bovendien bekomen dat de EMU-wet ondergeschikt werd gemaakt aan de sociale zekerheidswet. De betonnering van de uitgaven in de zociale zekerheid is voor de Regering blijkbaar belangrijker dan de toetreding tot de EMU.

Ik heb reeds gewezen op de ontsporing in de gezondheidszorgen. Een ander belangrijk onderdeel in de problematiek van de sociale zekerheid vormen de pensioenen. De Eerste minister noemde het pensioendossier een testdossier. Dit dossier is inderdaad belangrijk in het licht van de sterke vergrijzing van onze bevolking. De volmachtenwet biedt nochtans nauwelijks een oplossing. Ook in dit dossier is de Eerste minister, ondanks alle vroegere uitspraken, gezwicht voor de druk van zijn socialistische partners. Hij gaat in deze wet namelijk niet verder dan de vrijwaring van het wettelijk pensioenstelsel. Aan een tweede meer algemene pijler heeft hij blijkbaar niet gewerkt, al was deze intentie opgenomen in het toekomstcontract en in het sleutelplan.

Hij weet echter maar al te goed dat achter de eufemistische uitdrukking « vrijwaring van het wettelijk pensioenstelsel » een concept schuilgaat dat zijn partners bij hoog en bij laag bestrijden, namelijk de invoering van een basispensioen.

Het wettelijk stelsel kan slechts overleven als niet alleen de grotere pensionen, maar ook de middenpensioenen de volgende 25 tot 30 jaar worden afgetopt. Na verloop van tijd zal iedereen dan een vergelijkbaar pensioen hebben. Sommige noemen dit een gestandariseerd pensioen. Anderen spreken over een tendens tot egalisering van de pensioenen. De Eerste minister had het in zijn toespraak over afremmingsmechanismen die moeten worden ingebouwd.

Dit zijn mooie woorden, maar het komt in elk van die benamingen op neer dat over 25 tot 30 jaar iedereen een gelijkaardig pensioen zal hebben, ongeacht de betaalde bijdragen. Dit is de toekomst die de Regering voor de gepensioneerden en de actieve bevolking met deze volmachtenwet uittekent. Ik betwijfel dat deze opvatting op een ruime maatschappelijke consensus is gestoeld.

De Eerste minister beseft heel goed dat door het telkens opnieuw uitstellen van een kapitalisatiestelsel onherroepelijk jaren worden verloren. Er zal te weinig kapitaal zijn op het ogenblik dat de vergrijzing van onze maatschappij maximaal is. Des te meer problemen dus om de uitbetaling van de pensioenen op het huidige niveau te blijven garanderen!

Premier Dehaene kent voor de Belgische problemen maar één oplossing : nieuwe belastingen heffen. De Eerste minister kan niet loochenen dat de globale fiscale en parafiscale druk op de inkomens uit arbeid in dit land onder zijn leiding historische hoogten hebben bereikt. Dit jaar zal de globale fiscale en parafiscale druk op inkomens uit arbeid zelfs 0,5 pct.-punten van het BBP hoger liggen dan in 1987, een belangrijk referentiejaar voor de partij van de Premier. Maar de Premier is ambitieus en hij wil zijn historisch record breken. Met deze volmachtentrein mogen wij ons aan een nieuwe belastinggolf verwachten en daartoe vraagt de Eerste minister met de EMU-wet een blanco cheque voor het heffen van alle mogelijke nieuwe belastingvormen. Het is verbazingwekkend dat hij onder die omstandigheden nog enig teken van leven van onze economie verwacht.

Het loont de moeite om even terug te blikken op wat gedurende de jongste zeven à acht jaren in dit land tot stand werd gebracht. Tussen 1989 en 1996 is Premier Dehaene erin geslaagd het overheidstekort terug te dringen met 3,3 pct. punten van het BBP. Op welke manier is hij daarin geslaagd ? Voor twee derden of 2 pct. punten van het BBP via belastingverhogingen zowel fiscaal als parafiscaal, voor 1,7 pct. punten van het BBP dienen de intrestlasten in rekening te worden gebracht als gevolg van de daling van het Belgische en het internationale rentepeil. Daaraan heeft de Premier niet de minste verdienste, dat brachten de omstandigheden met zich.

Ook hier speelt de Regering met vuur ; een omkering in de ontwikkeling van het rentepeil zou het tij wel eens heel vlug kunnen doen keren. Onafgezien daarvan kunnen wij besluiten dat de 3,3 pct. punten enkel zijn terug te brengen tot een verhoging van de inkomsten, tegelijkertijd zijn de uitgaven toegenomen met 0,4 pct. van het BBP. Ziehier de realiteit, ziehier het verslag van het regeringsbeleid.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Uw verslag, mijnheer Coene.

De heer Coene (VLD). ­ Alles werd gespeeld op de ontvangsten, bitter weinig of nagenoeg niet op de uitgaven.

Een dergelijke scheeftrekking van het regeringsbeleid kan niet zonder communautaire connotaties blijven. Daarover was er de jongste dagen te veel te doen, en het werd reeds teveel in de discussie vermeld om er vandaag over te kunnen zwijgen.

Omdat een verhaal vaak beter de samenhang tussen de problemen illustreert dan een formele uitleg, zal de Premier mij ondanks het late uur toestaan aan de reeks van verhalen die wij hier al gehoord hebben er nog één toe te voegen.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Uw verhaal is al een heel eind gevorderd, me dunkt.

De heer Coene (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, twee vrienden beslissen naast elkaar te gaan wonen en gezamenlijk een boomgaard achter hun huis te beheren. Zij planten geen haag om de boomgaard in twee te verdelen. Zij vinden dat overbodig, want ze schieten goed met elkaar op. De ene vriend ­ ik zal hem de linkerbuur noemen ­ is eerder een levensgenieter die er de voorkeur aan geeft de natuur zijn gang te laten gaan. Hij besteedt dus niet te veel zorg aan het onderhoud van zijn bomen en heeft geen boodschap aan nieuwe investeringen. De tweede ­ ik zal hem de rechterbuur noemen ­ is eerder een noeste werker die tracht het rendement van zijn bomen te verhogen. Door voortdurend te investeren tracht hij zijn areaal uit te breiden.

In het begin rijzen er geen problemen, maar na verloop van jaren als de boomgaard van de linkenbuur minder en minder rendeert, terwijl die van de rechterbuur steeds meer opbrengt, is de linkerbuur geneigd om af en toe appelen te gaan plukken bij zijn goede buur en deze bij zijn opbrengst te tellen. In naam van de goede nabuurschap maakt de rechterbuur geen problemen.

Naarmate de beide produkties verder uit elkaar evolueren en het een gewoonte wordt in de boomgaard van de buur te gaan plukken, zal de linkerbuur steeds meer op zijn rechterbuur gaan teren en in de boomgaard van deze laatste steeds meer vruchten plukken om ze als de zijne te verkopen. Voor de rechterbuur is dit, gezien de goede relaties, geen probleem, maar na verloop van jaren neemt dit alles zulke vormen aan dat de rentabiliteit van de rechterbuur eronder begint te lijden. Deze waarschuwt zijn buurman dan ook dat er grenzen zijn en dat hij moet ophouden, omdat hij anders maatregelen zal moeten nemen. De linkerbuur denkt blijkbaar dat de vriendschap groter is dan in werkelijkheid. Hij doet voort en wanneer de rechterbuur op een bepaald ogenblik vaststelt dat zijn eigen toekomst in gevaar komt, moet hij tot daden overgaan. Hij dreigt ermee een haag te planten tussen de boomgaarden. Indien de linkerbuur denkt dat dit een loos dreigement is en voortdoet, dan zal die haag er heel waarschijnlijk ook komen.

De vraag is dan wie er schuld heeft aan het tot stand komen van deze haag : de man die haar geplant heeft of de man die door zijn houding zijn buur ertoe heeft gebracht te besluiten dat er grenzen zijn aan de solidariteit. Solidariteit komt op de helling te staan wanneer men duidelijk inziet dat er een gebrek aan of zelfs gewoon een weigering tot wederkerigheid is.

Ik wil hier meteen ingaan op de opmerking van de heer Erdman. Met wederkerigheid bedoel ik niet le juste retour. Wederkerigheid betekent dat iedereen volgens zijn mogelijkheden bereid is inspanningen te doen om uit een moeilijke situatie te geraken. Indien wij vaststellen dat men aan de ene kant daartoe absoluut niet bereid is en zelfs weigert bepaalde zaken in overweging te nemen, dan moet het duidelijk zijn dat wij ten minste vragen stellen bij een bepaalde vorm van solidariteit. Wij willen die solidariteit niet afschaffen, maar wij willen onze buren duidelijk maken dat er grenzen zijn, dat zij een zekere matiging moeten aanvaarden en voor de rechtmatige eisen aan Vlaamse kant een minimum aan begrip moeten op brengen. Dat is mijns inziens de essentie van de hele communautaire discussie. Indien wij de indruk krijgen dat de solidariteit misbruikt wordt, dan stellen wij daar vragen over. Dat doen wij duidelijk niet zomaar.

M. Mahoux (PS). ­ Qui abuse, monsieur Coene ?

De heer Coene (VLD). ­ Het is een illusie te denken dat de communautaire spanningen zullen verminderen met een snelle toetreding tot de Economische en Monetaire Unie. Die spanningen vloeien voort uit de onvolkomenheden van de financieringswet van 1988 en werden enkel door de discussie over de EMU-wet in de schijnwerpers geplaatst. Ook na de toetreding zullen ze niet verdwijnen, integendeel. De heer Jonckheer heeft het reeds aangehaald ­ en op dit punt ben ik het volkomen met hem eens ­ : ook als wij toetreden tot de Economische en Monetaire Unie zullen onze problemen niet opgelost zijn. Geen enkel probleem is opgelost. Wie die illusie nog koestert, heeft het verkeerd voor. De problemen van onderinvestering, ondertewerkstelling, excessieve schuld zijn niet opgelost. Ons institutioneel probleem is dat evenmin. Al deze problemen blijven in de toekomst bestaan en zullen nieuwe oplossingen vergen.

Toch twijfelen wij niet aan het EMU-project, integendeel het binnenloodsen van België in de Europese Economische en Monetaire Unie is een uitzonderlijke uitdaging die wij moeten aangaan. De essentiële vraag is evenwel onder welke voorwaarden België moet toetreden. In de plaats van België eerst om te vormen tot een economische woestijn zouden wij beter het Belgisch economisch weefsel versterken zodat wij ons binnen de nieuwe unie kunnen verdedigen. Zoals wij er nu voorstaan zal dat bijzonder moeilijk zijn omdat de concurrentie in de Europese Unie steeds groter wordt.

De VLD-fractie zal zich met alle mogelijke middelen verzetten tegen deze volmachtenwetten, want zij zijn schadelijk voor België. Zij hypothekeren de toekomst van het land en zij verzwakken het op het ogenblik van zijn toetreding tot de EMU. Daarom zullen zij tegen deze drie wetsontwerpen stemmen. (Applaus.)

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de Eerste minister.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Mijnheer de Voorzitter, aangezien men vanavond nog de bespreking van het eerste ontwerp wil aanvatten, zal ik mijn antwoord kort houden.

Ik zal niet herhalen wat ik daarstraks over de juridische betekenis van de wetten heb gezegd, maar ik zal wel dieper ingaan op enkele beschouwingen die hier zijn naar voren gebracht, onder meer door de heren Coveliers en Foret.

De fractieleiders van de meerderheid wezen op het gebruik van opdrachtwetten in het verleden. In deze kaderwetten, ook in de EMU-wet, zijn inderdaad teksten opgenomen die ook al in vroegere opdrachtwetten voorkwamen. Ik neem aan dat de leden van de Volksunie, Agalev en Ecolo bij deze kaderwetten een aantal bedenkingen hebben. De liberale oppositie is evenwel minder goed geplaatst om kritiek te formuleren, aangezien de liberalen in de jaren tachtig heel wat volmachtwetten hebben goedgekeurd zoals de heer Vandenberghe heeft aangetoond. Wat het belangenconflict en de evocatie betreft waar de heer Coveliers op gewezen heeft, herinner ik eraan dat alle procedures betreffende de belangenconflicten bepaald in de bijzondere wetten van kracht blijven. De heer Coveliers vond dat de reactie van de Raad van State in verband met het evocatierecht nogal kort was. De nota van de studiedienst van de VLD is natuurlijk iets uitgebreider, maar ik wijs erop dat er wel een contradictie is in wat hij over het evocatierecht zegt.

Zoals u weet, heeft de Senaat het recht wetten te evoceren die door de Kamer zijn goedgekeurd. Dat is een mogelijkheid waarvan de Senaat gebruik maakt voor deze kaderwetten. Indien men dit evocatierecht echter zou uitbreiden tot de besluiten genomen in uitvoering van deze kaderwetten komt men tot de paradoxale situatie dat de Senaat meer bevoegdheden krijgt dan de Kamer.

De heer Coveliers (VLD). ­ Dat heeft de Eerste minister zelf in de Grondwet laten inschrijven.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Toch niet.

De heer Coveliers (VLD). ­ Zoals de Grondwet voorschrijft, wordt elke beslissing in de Kamer genomen door een meerderheid. Een minderheid kan hoogstens een advies vragen van de Raad van State. Vijftien senatoren van om het even welk pluimage, hebben evenwel volgens de Grondwet het recht wetsontwerpen te evoceren. De besluiten die de Eerste minister in uitvoering van de kaderwetten zal nemen, zal hij niet bij de Kamer indienen. Daardoor ontneemt hij die vijftien senatoren de kans van hun grondwettelijke evocatierecht gebruik te maken. Daar zit de kern van het probleem. De Raad van State heeft geen oplossing geboden voor dit problemen, de studiedienst van de VLD wel.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ De Grondwet bepaald dat de Senaat een ontwerp, goedkeurd door de Kamer, kan evoceren. Dat kan zowel voor de drie opdrachtwetten als voor de bekrachtigingswet. Op dat vlak blijft de bevoegdheid van de Senaat volledig geëerbiedigd, want de bekrachtigingswetten kunnen door vijftien senatoren geëvoceerd worden zodat ze eventueel kunnen worden geamendeerd en teruggezonden naar de Kamer.

Ik ben het met de heer Coveliers eens dat er de komende maanden in Kamer en Senaat wellicht meer debatten zullen worden gevoerd dan in periodes zonder opdrachtwetten. Dat hebben wij in het verleden al vaker meegemaakt. De Regering zal trouwens ter beschikking staan van het Parlement voor deze discussies.

Alvorens in te gaan op de doelstellingen van deze kaderwetten, wil ik even de rol van Gewesten en Gemeenschappen op het Europese vlak benadrukken.

In België wordt de rol van Gewesten en Gemeenschappen op het Europese vlak meer erkend dan in andere Europese lidstaten. In bepaalde Europese ministerraden wordt ons land vertegenwoordigd door de regio's. Bij de Intergouvernementele Conferentie en alle voorbereidende besprekingen worden de Gemeenschappen en Gewesten rechtstreeks betrokken. In Turijn was minister-president Van den Brande namens de Gewesten en Gemeenschappen aanwezig. Heel wat landen die ook zijn samengesteld uit Länder of regio's kijken overigens naar het Belgische voorbeeld om te zien hoe zij in eigen land de gefedereerde entiteiten bij het beleid kunnen betrekken. België wil deze voorbeeldfunctie blijven vervullen en zal de regio's de plaats geven die hen namens hun bevoegdheden toekomt.

Ik kom dan tot de doelstellingen van de drie kaderwetten. De Regering heeft sinds de verkiezingen zeker niet stilgezeten. Wij hebben de verkiezingen vervroegd om te voorkomen dat het verkiezingsjaar een verloren jaar zou worden voor de sanering van de openbare financiën. In verkiezingsjaren komt men immers vaak terecht in een soort processie van Echternach. Dat hebben wij vaker moeten vaststellen in de jaren tachtig en begin van de jaren negentig. Dat zal in de periode 1992-1997 niet het geval zijn, omdat wij door het vervroegen van de verkiezingen de sanering steeds op hetzelfde tempo hebben kunnen houden.

Dans le cadre de ces trois projets de loi, nous sommes confrontés à la difficulté de combiner les différents objectifs. En effet, certaines mesures envisagées afin d'optimaliser les effets de l'un d'entre eux peuvent avoir des répercussions négatives sur les autres.

Ainsi, dans le cadre de la recherche de la compétitivité en faveur de l'emploi, il conviendrait de réduire de façon importante les coûts salariaux, mais, dans le même temps, nous devons réaliser le financement alternatif de la sécurité sociale et l'assainissement des finances publiques. La combinaison de ces trois éléments pose d'énormes problèmes. Nous devons les mener de front, mais si nous pouvions les traiter chacun séparément, nous pourrions travailler de façon beaucoup plus performante.

Wij moeten er dus voor zorgen dat de ene doelstelling de andere niet gaat tegenwerken. Met de drie kaderwetten samen wensen wij de drie vooropgestelde doelstellingen te halen.

Ik ga dan ook even in op een aantal opmerkingen die vandaag werden geformuleerd, hetzij om correcties aan te brengen, hetzij om een aantal zaken te onderstrepen.

Met het wetsontwerp tot bevordering van de werkgelegenheid en de preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wensen wij te voorkomen dat de lonen op het einde van dit jaar, wanneer de loonblokkering ten einde loopt, opnieuw ontsporen. Niemand zal kunnen ontkennen dat wij door deze loonblokkering in uitvoering van het globaal plan, een achterstand hebben ingehaald ten opzichte van onze buurlanden. Vandaar dat wij voorstellen onze lonen af te stemmen op deze van de ons omgringende landen.

Dans le cadre des discussions sur le plan pour la promotion de l'emploi, nous avons retenu le critère de l'alignement sur les trois pays voisins en permettant, au sein d'une marge de manoeuvre, le maintien de l'indexation des salaires, en limitant le cadre des négociations au salaire réel et en veillant à réaliser une solidarité intersectorielle tout en insistant sur la responsabilisation par rapport à la compétitivité, élément essentiel si l'on veut sauvegarder l'emploi.

Au cours de la période 1988-1991, ce ne fut pas suffisamment le cas et nous avons dû faire usage de la loi sur la compétitivité afin d'apporter des corrections de façon rétroactive. Aujourd'hui, nous privilégions l'approche anticipative, qui doit avoir un effet favorable sur le maintien de la compétitivité.

Wij willen dit gepaard laten gaan met een tewerkstellingsbeleid dat afgestemd is én op de flexibiliteit van de arbeidsmarkt én op de herverdeling van de arbeid. Onze aanpak moet in samenwerking met de sociale gesprekspartners tot resultaten kunnen leiden. Essentieel hierbij is dat er interprofessionele en sectorale akkoorden worden afgesloten die toegespitst zijn op de tewerkstelling. De medewerking van de sociale gesprekspartners is hierbij onontbeerlijk omdat zij in dit domein mede-verantwoordelijkheid dragen voor het geheel.

En ce qui concerne l'autre projet de loi-cadre portant sur la sécurité sociale, notre approche et les critères sur lesquels nous nous sommes basés se résument comme suit : d'autre part, il convient de maintenir, de façon permanente, tant à court terme qu'à moyen terme, l'équilibre financier de la sécurité sociale mais, d'autre part, un travail en profondeur s'impose sur des éléments structurels de sécurité sociale, en particulier dans le secteur des pensions, lesquelles doivent avant tout être préservées pour l'avenir.

Op het vlak van de pensioenen moeten afremmingsmechanismen worden gebruikt opdat het systeem compatibel zou blijven met de demografische evolutie. Dit staat geenszins in tegenstelling met een gelijktijdige ontwikkeling van de tweede peiler. In de wet op de sociale zekerheid is de mogelijkheid tot verdere organisatie en ontwikkeling van de tweede peiler ingebouwd. Beide ontwikkelingen moeten parallel kunnen verlopen. De sector van de pensioenen moet verder worden uitgebouwd volgens voorwaarden die reeds gedeeltelijk werden omschreven in de wet die hierover werd goedgekeurd en op basis van collectieve onderhandelingen.

De sociale zekerheid is de sector waarin het sterkst moet worden ingegrepen. Ik ontken niet dat er in 1996 bijkomende maatregelen moeten worden genomen om de groei binnen 1,5 pct. te kunnen houden. De heer Vandenberghe vond deze doelstelling niet ambitieus genoeg. Een beperking van de reële groei in de ziekteverzekering tot 1,5 pct. zou een belangrijke vooruitgang betekenen voor de sector. Deze doelstelling is, in tegenstelling tot wat men op het eerste gezicht zou denken, wel degelijk zeer ambitieus en zal niet in een handomdraai kunnen worden gerealiseerd.

Ik herhaal dat in het geheel van de sociale zekerheid de administratieve vereenvoudiging van de sector via een maximaal gebruik van de informatica evenzeer een doelstelling moet zijn als het bestrijden van fraude of oneigenlijk gebruik. Om de creativiteit op dit vlak een halt toe te roepen, moeten de nodige controleinstrumenten ter beschikking zijn. De modernisering is een stap in de richting van de hervorming van de sociale zekerheid. Deze modernisering is onderworpen aan een geleidelijke evolutie, die reeds een tiental jaren aan de gang is. Ik ben het eens met de heer Vandenberghe dat er nu een kwalitatieve stap moet worden gedaan in de richting van de hervorming. Ook hierbij kan het niet om een éénmalige operatie gaan. Het bijschaven van de sociale zekerheid moet permanent worden voortgezet. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de sociale zekerheid fundamenteel deel uitmaakt van het geheel van ons sociaal weefsel en dat dus met voorzichtigheid moet worden tewerk gegaan.

En ce qui concerne l'Union monétaire, notre objectif est de mettre notre dossier en conformité avec les exigences du Traité de Maastricht.

De heer Coene beweert dat de lage interestvoeten de sanering bevorderen. Ik wil er op wijzen dat eveneens Italië te kampen heeft met een belangrijk saneringsprobleem om de EMU-normen te bereiken.

De Italiaanse ministers vinden dat wij geluk hebben met onze lage interestvoeten. Ik ben het er inderdaad mee eens dat onze interestvoeten lager liggen dan de Italiaanse. Dit heeft echter niets te maken met geluk, maar wel met het feit dat wij een consequent beleid hebben gevoerd en onze munt hebben verbonden aan de Duitse Mark. Hierdoor hebben wij een zekere geloofwaardigheid bereikt op het niveau van de markten, waardoor wij mee genieten van de laagste interestvoeten in Europa, namelijk de interestvoeten van de DM-zone.

De uitspraken van de heer Coene over een onverantwoord beleid laat ik voor zijn rekening. Bij de evaluatie zal blijken wie er uiteindelijk gelijk krijgt. Ik kan enkel vaststellen dat wij er in weerwil van de moeilijke economische omstandigheden in geslaagd zijn op een systematische manier van jaar tot jaar de convergentienormen te bereiken die binnen de Europese Unie zijn overeengekomen.

Niemand heeft mij ooit horen zeggen dat de EMU alles zal oplossen. Na de toetreding tot de EMU moeten wij blijven voortwerken om de schuld verder te doen dalen. Een automatische stijging van de werkgelegenheid is evenmin evident. Ik ben er echter zeker van dat onze problemen zullen toenemen indien wij er niet in slagen aan de toetredingsvoorwaarden te beantwoorden. Onze toetreding tot de EMU is essentieel, zowel om onze doelstellingen op het vlak van de tewerkstelling en de sociale zekerheid te realiseren, als om tegemoet te komen aan de noodzaak voor ons land om geïntegreerd te worden in het hart van Europa. Dat dit zal gebeuren met een mengeling van ageren op de inkomsten en ageren op de uitgaven is evident. Dat is al vijftien jaar het geval, ongeacht de coalitie.

Het is duidelijk dat er ook structureel zal moeten worden ingewerkt op een aantal uitgavenmechanismen. Een dergelijke operatie kan niet alleen gerealiseerd worden via inkomsten. Niemand heeft dit beweerd. Er zal kunnen worden beoordeeld op het ogenblik dat we naar voren zullen komen met het pakket maatregelen dat de inspanningen evenwichtig onder de verschillende bevolkingsgroepen zal verdelen.

Puisque l'objectif global à atteindre concerne tous les niveaux de pouvoirs, l'effort à réaliser nécessite une collaboration des Régions et des Communautés. Sur la base de l'avis du Conseil supérieur des finances, je me réjouis que, cette semaine, nous ayons pu dégager un accord clair qui définisse les efforts et les contributions que chaque entité doit fournir.

Un effort supplémentaire doit être fait pour réduire la dette. À cet effet, nous devrons procéder à des réalisations d'actifs, car, dans un premier temps, ce que j'appellerai l'effet boule-de-neige inverse ne nous a pas permis d'atteindre cet objectif dans des proportions suffisantes.

M. Jonckheer a fait allusion à Belgacom. Je puis préciser que, dans le cadre de la loi sur l'UEM, nous ne pouvions procéder par pouvoirs spéciaux car une référence explicite est faite à la loi sur les entreprises publiques.

De plus, à l'heure actuelle, une telle mesure ne me paraît pas intelligente. Après l'opération de consolidation, il me semble plus important que Belgacom trouve sa place dans le marché international de la télécommunication. Nous pourrons alors revoir la situation à ce moment-là.

Terloops wil ik vermelden dat ik geen weet heb van de vraag van minister Poncelet voor extra 10 miljard voor het leger, wel van een vraag van de stafchef. Dit is echter geen politieke verklaring wat de militaire uitgaven betreft.

M. Destexhe (PRL-FDF). ­ Cela figure dans tous les journaux, dont Le Soir et La Libre Belgique , monsieur le Premier ministre.

M. Dehaene, Premier ministre. ­ Je n'ai vu aucune déclaration de M. Poncelet demandant un supplément annuel de dix milliards.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de Eerste minister, wil dit zeggen dat indien minister Poncelet u die 10 miljard zal vragen, u zich ertegen zal verzetten ?

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ De enveloppes binnen de begroting zijn nominaal vastgelegd, ook voor 1997 zal dat zo blijven.

De heer Anciaux (VU). ­ Wil dit zeggen dat problemen pas moeten worden opgelost op het moment dat ze rijzen ?

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Natuurlijk.

Mijnheer de Voorzitter, ik benadruk nogmaals dat wij met deze drie wetten de drie doelstellingen willen bereiken die we van meetaf aan hebben vooropgesteld. We willen dit geenszins doen om de democratie te ondermijnen noch om het Parlement buitenspel te zetten. Integendeel, de maatregelen worden slechts operationeel na de bekrachtiging door het Parlement. Het gaat hier dus om een samenspel van Regering en Parlement zoals dat in ons land gebruikelijk is.

Ik ben ervan overtuigd dat, met het vertrouwen van de meerderheid, in het Parlement een samenwerking zal tot stand komen die het ons mogelijk zal maken op economisch en sociaal vlak klaar te zijn voor het Europa van de 21e eeuw. Dit is de enige ambitie van de Regering. (Applaus.)

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Coene.

De heer Coene (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, ik heb nog drie korte bedenkingen bij de uiteenzetting van de Eerste minister.

Hij zegt dat hij het moeilijk heeft om de diverse doelstellingen, namelijk de competitiviteit van onze bedrijven, de sanering van de publieke financiën en het evenwicht in de sociale zekerheid, te combineren. Dat is natuurlijk zo. Deze moeilijkheden vloeien echter grotendeels voort uit het taboe dat bij de Regering rust op de overheidsuitgaven. Aan die uitgaven mag onder geen beding worden geraakt. Zo maakt hij het zich natuurlijk erg moeilijk. De cijfers van de Europese Commissie liegen er nochtans niet om. Het niveau van de uitgaven, de intrestlasten buiten beschouwing gelaten, ligt in 1996 hoger dan in 1989, het eerste jaar dat de Premier aan het hoofd van een Regering stond. Dat is de realiteit. Er werden alleen inspanningen gedaan langs de kant van de ontvangsten, maar niet langs de kant van de uitgaven.

Ook zijn opmerking over de rentelast gaat niet op. De koppeling van onze frank aan D-mark dateert van 1988. Ik heb een vergelijking gemaakt tussen 1989 en 1996. In 1989 konden we al voor een deel profiteren van de voordelen van de koppeling van onze munt aan de D-mark. Het grote verschil met de situatie in Italië is dat dat land een hogere inflatie kent.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Dat is ook toevallig zeker ?

De heer Coene (VLD). ­ De inflatie in Italië is echter een ander fenomeen. De lage inflatie in België zou ik niet op het actief schrijven van een gezond regeringsbeleid. Indien men de economie helemaal plat legt, is er geen vraag meer en zijn er bijgevolg ook geen prijsstijgingen.

De heer Dehaene, Eerste minister. ­ Daaruit kan men dan afleiden dat heel Europa plat ligt !

De heer Coene (VLD). ­ Europa ligt inderdaad voor een groot stuk plat. Europa kampt inderdaad met een zwaar probleem van ondertewerkstelling. Maar dat probleem is in ons land nog veel groter dan in sommige van onze buurlanden. In een aantal van die landen wordt er bovendien wel iets gedaan aan dat probleem. Onze Regering tracht hieraan echter nog steeds te sleutelen met maatregelen die al acht jaar bewezen hebben dat zij helemaal geen oplossing bieden. (Applaus.)

De Voorzitter. ­ Daar niemand meer het woord vraagt, is de algemene bespreking over de drie samengevoegde ontwerpen van kaderwet gesloten.

Plus personne ne demandant la parole dans la discussion « générale générale » des trois lois-cadres, je la déclare close.

Niettegenstaande de goede wil door alle sprekers en de Eerste minister aan de dag gelegd, vrees ik dat wij er niet zullen slagen vandaag nog te beginnen met de bespreking van het eerste ontwerp van kaderwet.

Ik stel dus voor onze werkzaamheden thans te onderbreken en morgenochtend om tien uur stipt te beginnen met de bespreking van het ontwerp van wet tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

Is de Senaat het hiermee eens ?

Le Sénat est-il d'accord ? (Assentiment.)

De Senaat vergadert opnieuw dinsdag 23 juli 1996 om 10 uur.

Le Sénat se réunira le mardi 23 juillet 1996 à 10 heures.

De vergadering is gesloten.

La séance est levée.

(De vergadering wordt gesloten om 23 uur.)

(La séance est levée à 23 heures.)