1-629/3 | 1-629/3 |
28 MEI 1998
De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft tijdens haar vergadering van 31 maart 1998 een onderzoek gewijd aan het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingediend door de heer Lallemand c.s. alsmede aan de daarop ingediende amendementen van de heer Erdman.
Zowel de auteur van het wetsvoorstel als de indiener van de amendementen hebben het doel van de voorgestelde wetswijzigingen in de commissie toegelicht.
De indiener van het wetsvoorstel merkt op dat er een fundamenteel democratisch probleem opduikt in gemeenten waar de helft van de bevolking de Belgische nationaliteit niet bezit.
Is het aanvaardbaar dat personen die in België mogen verblijven en er sedert jaren wonen, niet kunnen deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen ?
Een van de oplossingen bestaat erin de naturalisatie vlotter toe te kennen. Het voorstel voorziet in die mogelijkheid.
Het voorstel houdt rekening met de diepgaande ontwikkeling die het begrip « ius sanguinis » heeft gekend. Men kan stellen dat de ontwikkeling van Europa op gang is gekomen door het geleidelijk verdwijnen van deze erfelijke opvatting van de nationaliteit en de toenemende mobiliteit van zijn burgers.
De nationaliteit overstijgt de etnische, culturele en religieuze verschillen en bijgevolg behoort de toegang tot de nationaliteit anders opgevat te worden.
Volgens het voorstel kan ieder vreemdeling de staat van Belg verkrijgen door een nationaliteitsverklaring af te leggen op voorwaarde :
dat hij gemachtigd is zich vast op het Belgisch grondgebied te vestigen;
dat hij sedert vijf jaar zijn hoofdverblijf in België heeft;
dat hij een nationaliteitsverklaring aflegt voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Deze mogelijkheid staat open op voorwaarde dat het parket geen verzet doet. Is er wel verzet, dan komt de zaak voor de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Voorts bepaalt het voorstel dat de naturalisatieprocedure niet onderworpen is aan bijzondere termijnen doch dat de Kamer van volksvertegenwoordigers zich daarover in hoogste feitelijke aanleg moet uitspreken, zoals dat thans reeds het geval is.
De auteur van de amendementen (Stuk Senaat, nr. 1-629/2) zegt dat 75 % van de naturalisatiedossiers zonder problemen door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden behandeld. Van de andere kant is er een procedure voor het verkrijgen van nationaliteit door nationaliteitskeuze voor minderjarigen alsmede voor vreemdelingen die huwen met een Belg of wier echtgenoot gedurende het huwelijk de Belgische nationaliteit verkrijgt. Het lijkt zinvol die twee systemen te laten samenvloeien. De amendementen komen er hoofdzakelijk op neer dat men de Belgische nationaliteit kan verkrijgen door de procedure van nationaliteitskeuze te volgen. De ambtenaar van de burgerlijke stand dient alleen na te gaan of de kandidaat-Belg aan de voorwaarden voldoet, precies zoals hij dat doet voor minderjarigen en echtgenoten.
De controle op de procedure wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie, dat een kopie krijgt van de aanvraag en dat, wanneer er discussie is over de documenten of het vervullen van de voorwaarden, dan wel over bepaalde gegevens beschikt (een lopend rechtsgeding, een veroordeling die de aanvrager heeft opgelopen sinds hij een bewijs van goed zedelijk gedrag heeft gekregen), verzet kan aantekenen. Het dossier wordt dan overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers die het verder behandelt als een gewoon naturalisatiedossier.
De procedure wordt verschoven naar de burgerlijke stand (Binnenlandse Zaken); van de andere kant is er ontegensprekelijk een probleem van beoordeling met betrekking tot de nationaliteitsverkrijging in het algemeen en de problematiek van sociale uitsluiting, eveneens in het algemeen. Bepaalde aspecten van sociale uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen, maar sociale uitsluiting is ook een aandachtspunt van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden (arbeidsmarkt sociale zekerheid).
De spreker vraagt dat de commissie haar mening zou geven over de vraag of de voorgestelde teksten een middel kunnen zijn om te beantwoorden aan de zorg die tot uiting is gekomen tijdens het debat over de maatschappelijke uitsluiting voor groepen die te lang dienen te wachten op de afhandeling van hun dossier.
De minister merkt op dat de wijziging (versoepeling) van de twee bestaande procedures nationaliteitsverklaring en naturalisatie invloed heeft op de reglementering betreffende de voorwaarden waaronder buitenlanders in België kunnen komen werken. De thans geldende voorwaarden zijn mede geënt op de bestaande wetgeving inzake nationaliteitsverkrijging.
De reglementering wat de tewerkstelling betreft, is als volgt :
De onderdanen van de Europese Unie zijn niet aan de reglementering onderworpen (vrij verkeer van personen).
Andere buitenlandse werknemers kunnen in beginsel op de Belgische arbeidsmarkt werken met een arbeidskaart (A en B).
De B-kaart is tijdelijk (één jaar voor één werkgever). Zij kan worden verkregen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
Op de arbeidsmarkt moet er een vacante betrekking zijn die binnen een redelijke termijn niet kan worden ingevuld door een Belg of een Europeaan.
De betrokkene moet onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is krachtens een internationale overeenkomst inzake tewerkstelling van werknemers. Zulke akkoorden zijn er met een zevental landen : Algerije, ex-Joegoslavië, Malta, Marokko, Tunesië, Turkije en Zwitserland.
De werknemer dient een arbeidsovereenkomst te hebben gesloten en een geneeskundig getuigschrift moet aan de bevoegde dienst (dienst Migratie van de drie gewesten) worden bezorgd.
Deze procedure zet in feite een rem op de tewerkstelling van buitenlanders op de Belgische arbeidsmarkt.
Op de reglementering zijn er een aantal uitzonderingen.
De A-kaart geldt voor onbepaalde duur en voor om het even welke werkgever. Om recht te hebben op de A-kaart moeten een reeks voorwaarden worden vervuld, enerzijds op grond van arbeid en anderzijds op grond van verblijf.
Wat de arbeid betreft : de betrokkene moet in België vier jaar hebben gewerkt (drie jaar voor onderdanen van landen waarmee een overeenkomst werd gesloten en drie of twee jaar wanneer echtgenoot en/of kinderen samen met de betrokkene in België gevestigd zijn).
Wat het verblijf betreft : vijf jaar ononderbroken verblijf in België geeft recht op een arbeidskaart A. Voor erkende vluchtelingen is deze termijn drie jaar.
Al deze voorwaarden strekken om de toevloed van vreemdelingen te beperken. Wanneer de nationaliteitsvoorwaarde wordt versoepeld, zal men niet anders kunnen dan de reglementering inzake arbeidskaarten aan te passen.
Naast bovenstaande algemene voorwaarden zijn er bijzondere voorwaarden voor bepaalde categorieën van personen, zoals au-pair-jongeren, cabaretpersoneel. Deze bijzondere voorwaarden dienen vooral om misbruiken te voorkomen.
Op dit ogenblik kan tot Belg genaturaliseerd worden, een persoon die ten minste vijf jaar in België verblijft. In de toekomst zal het, ingevolge het wetsvoorstel, volstaan 18 jaar oud te zijn en zijn hoofdverblijf in België te hebben. Een anciënniteitsvoorwaarde van vijf jaar is er niet meer (zie artikel 6 van het wetsvoorstel).
De minister concludeert dat het wetsvoorstel verreikende gevolgen heeft voor de arbeidswetgeving.
Wat de nationaliteitsverklaring betreft wordt, volgens het voorstel, de voorwaarde van hier te zijn geboren geschrapt. Die voorwaarde wordt vervangen door een verblijf van vijf jaar.
De indiener merkt op dat er eenvormige termijnen bestaan voor het verkrijgen van de nationaliteit.
Wat de naturalisatie betreft, is het wellicht de vraag waarom er geen termijn geldt zoals voor het verkrijgen van de nationaliteit.
Volgens spreker kan de politieke overheid zich een oordeel vormen door de termijn van vijf jaar als voorwaarde voor de naturalisatie te schrappen. Op dit punt zal de Kamer van volksvertegenwoordigers haar jurisprudentie vaststellen. Precies over die kwestie werd het advies van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden gevraagd.
Dient men de integratie van de migranten te bespoedigen door de procedure te vereenvoudigen en de termijnen te bekorten ?
Welk principieel standpunt huldigt de commissie daarover ?
Hoe kan zij de sociale gevolgen van een gewijzigde procedure inschatten ?
De commissie voor de Justitie zal zich moeten uitspreken over het al dan niet handhaven van de vijfjarige termijn voor de naturalisatie.
De minister begrijpt het standpunt van de auteur van het wetsvoorstel wat betreft personen die bijvoorbeeld drie of vier jaar in het land verblijven. Er is evenwel het risico dat er een inwijking tot stand komt van personen die hier hopen werk te vinden of het bestaansminimum te ontvangen.
De indiener van het voorstel antwoordt dat de politieke overheid zich zal moeten uitspreken over de naturalisatieaanvragen. Er komen regels en criteria in het kader van een naturalisatiebeleid dat men versoepeld wil zien. Weinig waarschijnlijk is evenwel dat er personen genaturaliseerd worden na een verblijf van twee of drie maanden in België.
De wettelijke voorwaarde is nog steeds een regelmatige verblijfsvergunning. Voorlopige of tijdelijke vergunningen komen niet in aanmerking.
Een commissielid merkt op dat de nationaliteitsverkrijging blijkbaar niet meer het eindpunt is van een proces van geleidelijke integratie in de maatschappij, maar veeleer een technisch instrument voor sociale integratie. Hij ziet niet goed in welke politieke of filosofische aspecten daarbij aan de orde zijn.
De tekst van het wetsvoorstel is alles behalve restrictief.
Zo staat in artikel 2, 1º, § 1, niet dat de vreemdeling permanent zoals de auteur beweert in België moet gevestigd zijn.
Bovendien kan verblijf in het buitenland met verblijf in België worden gelijkgesteld (artikel 6).
Is het de bedoeling personen die zich in onze maatschappij willen integreren, in staat te stellen ook politieke zeggenschap te hebben ? Het voorstel beantwoordt daar alleszins niet aan.
De vraag rijst dus : hoeveel personen zijn er nu die Belg willen worden, maar het niet kunnen wegens de bestaande procedures ? Is er werkelijk een probleem of gaat het om een randfenomeen ?
Het voorstel keert de zaken om : naturalisatie is niet meer het eindpunt van een proces, maar veeleer een beginfase die de integratie moet bevorderen. Dit is moeilijk aanvaardbaar. Men kan niet zeggen dat de Belgische wetgeving inzake het verkrijgen van de nationaliteit stringenter is dan die van de andere EU-landen.
Dit voorstel is overigens niet van toepassing op EU-burgers, wel op al de anderen. Het gaat dus niet om een uitdieping van de Europese integratie.
In de veronderstelling dat voorwaarden worden opgelegd aan het stemrecht van de EU-burgers, zijn die dan ook van toepassing op personen, niet-EU-burgers, die onder deze wet vallen ?
Het lid vraagt zich af of sommigen wel goed beseffen waarmee ze bezig zijn. Als men voor vreemdelingen een speciale, versnelde procedure inricht, terwijl voor de eigen burgers, voor hun rechten op gerechtelijk vlak, geen versnelde procedure geldt, dreigt men een aantal tendensen in dit land te versterken die hoegenaamd niet versterkt moeten worden.
Het lid herhaalt ten slotte zijn vraag om cijfergegevens te verstrekken over het aantal personen dat in de voorgestelde regeling geïnteresseerd is.
Een ander lid acht dit een zeer belangrijk probleem. Er is een evident verband met de sociale uitsluiting, maar men mag van dat begrip geen misbruik maken. Dit begrip kan namelijk zeer ruim geïnterpreteerd worden, met het gevaar dat deze commissie zich dient in te laten met alle punten die op de agenda van andere commissies staan.
Wat aan de commissie wordt gevraagd, is geen kleinigheid. Het gaat om een ernstig probleem, dat niet op een drafje mag worden afgehandeld.
Spreekster deelt grotendeels de mening van de voorgaande interveniënt.
Er is de wet van 28 juni 1984 die een sterke liberalisering heeft doorgevoerd. De vraag rijst of er bij de toepassing van die wet problemen rijzen.
Spreekster stelt voor een grondig onderzoek te wijden aan de gang van zaken in de Kamer van volksvertegenwoordigers met betrekking tot de uitvoering van die wet (zie evaluatie van de asielwet door de commissie voor de Binnenlandse en Administratieve Aangelegenheden).
Een commissielid merkt op dat, ook al wordt aan de commissie gevraagd zich alleen over de aspecten tewerkstelling en sociale zekerheid uit te spreken, het belangrijk is te weten in hoeverre iemand geïntegreerd is of zich wenst te integreren. In het belang van de betrokkene zou het jammer zijn een zeer eenvoudige procedure in te voeren, enkel steunend op de verblijfsduur en iemand als geïntegreerd te beschouwen zodra hij hier enige tijd woont en de taal van het land min of meer beheerst.
Het lid pleit om niet overhaast te werk te gaan.
De indiener merkt op dat de tekst van het voorstel aandachtig te lezen is. Het is niet zo dat men met een gewone verblijfsvergunning in België kan volstaan om de naturalisatie te verkrijgen. Het voorstel van wet spreekt van een vestigingsvergunning (« de vreemdeling ... die gemachtigd is zich op het Belgisch grondgebied te vestigen ... »).
Het gaat dus om iemand die hier tot het eind van zijn leven kan blijven.
Van wie gemachtigd is zich in België te vestigen kan worden verondersteld dat hij of zij een vreemdeling is die reeds bijzondere banden met België bezit.
Voorts raakt het voorstel niet aan het recht van het parket dat de aanvragen onderzoekt, om verzet te doen.
Wat de naturalisatie betreft gelden er voorwaarden om de nationaliteit te kunnen verkrijgen, meer bepaald de integratie.
Op dat punt wordt de wet niet gewijzigd.
De commissie is het eens met de auteurs van het wetsvoorstel en van de daarop ingediende amendementen in zoverre dat gestreefd wordt naar vereenvoudiging en eenvormigheid van de procedures.
Zij merkt evenwel op dat de integratie in de maatschappij mede bepalend is voor de toekenning van de Belgische nationaliteit. Die integratie kan bezwaarlijk in een korte tijdsspanne plaatsvinden.
De commissie vindt het daarom verwonderlijk dat voor de naturalisatie geen termijn meer wordt bepaald na verloop waarvan een naturalisatieaanvraag kan worden ingediend.
De commissie vraagt zich af of hiermee geen verkeerd signaal wordt gegeven, meer bepaald aan buitenlanders die zich aangetrokken voelen tot het Belgische systeem van sociale bescherming (werkloosheidsuitkeringen, bestaansminimum).
Men mag evenmin uit het oog verliezen dat de arbeidswetgeving (reglementering inzake de arbeidskaarten) mede geënt is op de wetgeving inzake het verkrijgen van de Belgische nationaliteit en derhalve ook op de voorwaarde van de verblijfsduur. De opheffing van die voorwaarde noopt tot een wijziging van die reglementering in een richting die de druk op de Belgische arbeidsmarkt zal vergroten.
De commissie vraagt aan de commissie voor de Justitie hiermee in de besluitvorming rekening te houden. Zij suggereert eveneens aan de voorzitter van de Senaat voor te stellen het advies van de Nationale Arbeidsraad in te winnen.
Dit verslag is goedgekeurd bij eenparigheid van de 8 aanwezige leden.
| De rapporteur,
Marc OLIVIER. |
De voorzitster,
Lydia MAXIMUS. |